Uitgelicht

Stroopwafel

Meedraaien in de nachtdienst; dát moest ik als locatiemanager maar eens een keer doen. Zo zou ik sfeer kunnen proeven en tegelijkertijd meer beeld krijgen bij de werkzaamheden in de nacht. De ingeplande medewerker is een jonge verzorgende die voor het eerst van haar leven een nachtdienst draait; ik een oude rot in het vak die sinds haar 23ste geen nachten meer heeft gewerkt. Voor allebei dus even wennen, maar dat schept een band.

Terwijl de avonddienst ons de bijzonderheden van de dag vertelt, hoor ik zacht geschuifel op de gang. Het is meneer Tonny die nu twee weken bij ons woont. Ik loop hem tegemoet. In de stille gangen geven de nachtlampjes een aangenaam licht. “Bent u op zoek naar uw kamer?”, vraag ik hem zachtjes. In zijn hand een pakje met nog vier heerlijke stroopwafels. “Nee,” zegt meneer Tonny, “ik ben op zoek naar iemand die een lekker kopje thee kan zetten, zodat ik deze stroopwafels nog even op kan eten. Ik ben een echte snoeperd,” voegt hij er verontschuldigend aan toe.

Ik loop met hem naar de gezamenlijke huiskamer. De schemerlampjes zijn nog aan en uit de radio klinkt zacht klassieke muziek. “Welk smaakje past het beste bij uw stroopwafels?” Hij kiest voor Rooibos. “Doe je gezellig met mij mee?”, vraagt hij vriendelijk.

En even later zitten we samen in de gemakkelijke stoelen met een kopje thee en een stroopwafel en praten we over de dag die naar zijn zeggen behoorlijk druk was. Hij heeft vandaag wel 30 gehaktballen gedraaid aan de grote tafel in de keuken. En vanavond heeft hij met zijn familie belangrijke zaken besproken.

Genietend van zijn tweede stroopwafel horen we de kerkklok 12 uur slaan. “Tijd om naar bed te gaan”, zegt meneer Tonny. “Ik slaap hier als een roos en dat is fijn; zeker omdat ik voor de rest nog erg moet wennen.” Ik begeleid hem naar zijn kamer en wens hem een goede nacht. Uitnodigend kijkt hij mij aan: “Ga je nog even mee naar binnen voor een afzakkertje?” “Laat ik dat maar niet doen; ik ben aan het werk.” ”Wil je dan nog een stroopwafel?”, vraagt hij zacht.

Deze situatie speelt zich af in een kleinschalige woonvorm voor mensen met dementie waar ik op dat moment werk als locatiemanager.

Lees ook de andere verhalen uit de serie ‘De dingen die voorbij gaan‘:
Hangplek voor ouderenEen goed verhaalAlles onder controle

Uitgelicht

Stinkende best

Daar stonden ze dan: de 20 nieuwe ministers van Rutte IV. Of nee… op het bordes waren het er 19, want Sigrid Kaag moest thuisblijven. Maar het plezier in de nieuwe ploeg was er niet minder om. Zelden heb ik een team zich – later die avond in een speciaal programma – zó consistent zien presenteren. De ministers en staatssecretarissen, en natuurlijk ook Rutte zélf, hadden er zin in. Dat het moment suprême zo lang op zich had laten wachten, was een beetje gênant, vroeg nog wel om nader onderzoek, maar moest verder vooral weer snel vergeten worden.

Ik zat die maandagavond 10 januari voor de tv en kreeg het gevoel naar een klucht te kijken; zó mechanisch acteerde de kersverse ministersploeg. Want ondanks het historisch laag vertrouwen in de politiek vonden ze het allemaal – echt niemand uitgezonderd – een hele eer dat ze voor de ministerspost gevraagd waren. Natuurlijk was het ook een grote verantwoordelijkheid die ze aangingen en waar ze met het thuisfront dan ook even stevig over hadden moeten discussiëren. Maar allemaal hadden ze een volmondig ‘go‘ gekregen van de partner en kinderen; ondanks de zekerheid dat het twitteraccount vanaf dag 1 zou ontploffen met haatberichten en bedreigingen tot het dagelijks leven van de betreffende gezinnen zou gaan behoren.

Ze vonden het stuk voor stuk een héle eer om zo’n belangrijke taak voor het land op zich te mogen nemen. En ieder van hen zou zijn stinkende best doen en er keihard voor knokken om de opdracht tot een goed resultaat te brengen. Er moesten natuurlijk eerst nog wel de nodige schouders onder de uiterst complexe problematiek gezet worden, want zo’n zware taak kon nooit het werk zijn van één minister of staatssecretaris. En – zoals we in goed polderend Nederland gewend zijn – zou er naar de nodige samenwerking gezocht moeten worden: met elkaar, met gemeentes en met maatschappelijke organisaties. Want dit konden ze alleen samen voor elkaar krijgen. Nee… ze konden het écht niet alleen.

De problemen waar dit kabinet voor staat, zijn zó groot dat ze nu al wel konden vertellen dat eventuele oplossingen pas ver, héél ver, voorbij de ingekorte regeerperiode van zo’n 3 jaar merkbaar zullen worden voor de burgers in het land. Woningnood, klimaatproblemen, leegloop bij de politie, achterstanden in het onderwijs, stikstofreductie, pandemieën, het uitgemergelde zorgsysteem… het zijn allemaal hoofdpijndossiers die om een hele lange adem vragen. Maar ze hebben er zin in en ze zijn er klaar voor! En niet onbelangrijk: ‘Zo waarlijk helpe hen God Almachtig!’

Maar zoals een bekend Bijbelfiguur (de ongelovige Thomas) memoreert: ‘Ik moet het éérst zien en zal het dan pas geloven!’

Uitgelicht

Wasstraat

Ik durf het bijna niet te zeggen, maar tot voor kort was ik nog nóóit in een autowasstraat geweest. Was gewoon niet nodig, omdat ik het veel makkelijker vind – én beter voor het milieu – om mijn vieze auto te lijf te gaan met een emmertje sop en de tuinslang.

Maar nu was er een bijzondere gebeurtenis in aantocht en bovendien was het pokkenweer. Emmertje en tuinslang waren dus éven geen optie; maar de auto moest blinken; hoe dan ook! “Dan maar een keer naar de wasstraat“, zei ik tegen de vriend. Een beetje beschaamd vroeg ik er meteen achteraan of hij dan wel even met mij mee wilde gaan. Want: “hoe werkt dat nou helemaal, zo’n wasstraat?“

Omdat het mijn eerste keer wordt, kies ik voor de meest luxueuze, de meest uitgebreide en daardoor ook de duurste wasstraat van het hele dorp. “Vooruit doe eens gek; je trouwt maar een keer! Toch?“

Bij de ingang van de wasstraat vraagt een aardige jongen van amper 16 jaar of ik hier bekend ben. En als ik naar waarheid deze vraag met ‘nee’ moet beantwoorden, legt hij mij geduldig uit wat er allemaal gaat gebeuren. “Eerst spoelt mijn collega de auto grondig af met de hoge drukspuit. Dan rijdt u door naar de band en haalt u uw voet van het gaspedaal. Zeker niet remmen! Het stuur loslaten, motor laten lopen en verder hélemaal niets doen.“

En daar gaan we; het spookhuis in. Voor een trip die 5 minuten gaat duren. Er klinkt aangename muziek. Talloze sproeiers en reuzenborstels doen hun werk: dan weer regent het links, rechts, voor, achter, overal. Geruisloos glijdt de auto voort alsof het de Fata Morgana van de Efteling is. Ondertussen komt er een complete batterij aan discolichten voorbij.

“Dit is het leukste uitje dat ik in tijden heb gehad“, zegt de vriend diep onder de indruk van zo veel wasstraattechnologie. En ook ik ben vol lof: “Waarom heb ik al die jaren niet van het bestaan van zo’n vrolijke wasbeurt geweten? Deze ‘Tour de pluie‘ maakt het autowassen tot een waar festijn!“

Exact 5 minuten later houden alle sproeiers er abrupt mee op. Het grote licht gaat aan: eindpunt bereikt. Behendig rijd ik de auto van de band, maar net als ik rechtsaf moet gaan om de wasstraat te verlaten, gooi ik het stuur naar links en roep tegen het aardige jongetje: “Ik weet hoe het werkt. Ik pak hem gewoon nog een keer.“ Want ja… de Python in de Efteling pak je ook gerust 5 keer achter elkaar, omdat je er maar géén genoeg van kunt krijgen.

Ik denk dat het verstandig is om mij in deze wasstraat voorlopig niet meer te vertonen.

Uitgelicht

Vrienden

Negentien waren ze; hun haren lang en de brilletjes rond. Dromend van ‘love and peace‘. Beladen met zware rugzakken trokken ze liftend door Europa. De wijde wereld verkennend tussen de middelbare school en een nog eindeloze toekomst. Eeuwige studenten die zonder schroom voor élk universiteitsjaar minstens twee jaar nodig meenden te hebben.

Ze hielden van de muziek uit die memorabele jaren zeventig: Rolling Stones, Emerson Lake and Palmer, Joe Jackson, Traffic en natuurlijk het onmiskenbare geluid van Supersister. Op aftandse fietsen bezochten ze het ene na het andere concert waar ze – af en toe met een stevige joint – helemaal los gingen. Om pas diep in de nacht de vraag op te werpen: “Waar slapen we deze nacht?“ Twee bierdrinkende slungels; nog niet verloren in de liefde en met de vaste baan nog heel ver weg.

Nu, bijna 50 jaar later, treffen de mannen elkaar op het station van Utrecht om weer eens ouderwets op stap te gaan. En natuurlijk hebben ze kaartjes voor een concert: nog één keer het dak eraf als Robert Jan Stips van hún Supersister de toetsen ouderwets beroert.

“Biertje?“, vraagt de een. “Doe maar een nulletje“, zegt de ander. De indrukwekkende hoeveelheden drank van toen zijn reeds lang geleden geminimaliseerd; de alcohol geeft geen gevoel meer van genot.

“Hoe gaat het op je werk?“ vraagt de een. “De zwaarste tijd is achter de rug“, vertelt de ander. Na de universiteit was hij noodgedwongen in het bedrijf van zijn vader gaan werken; met zijn opleiding was toendertijd geen baan te vinden. Van ‘manusje van alles‘ had hij zich opgewerkt tot dé rechterhand van zijn vader. Toen zijn pa tien jaar later ziek werd, nam hij het bedrijf dan ook moeiteloos over. Natuurlijk had hij flink geïnvesteerd. Het ging hem voor de wind: precies 5 jaar. Want toen kwam er de klad in; zeker omdat hij de afslag naar digitaal had gemist. Lang verhaal kort: hij was failliet gegaan. “Ik heb lang thuis gezeten, maar nu ben ik buschauffeur. En jij? Hoe is het jou vergaan?“

“Goed,“ zegt de een, “al heb ik mijn portie wel gehad na twee huwelijken en dito scheidingen.“ Ook hij werd direct na zijn studie ‘vrienden met de WW‘. Dus liet hij zich uiteindelijk maar omscholen om vervolgens 30 jaar als ambtenaar in saaiheid rond te wentelen. Maar nu was hij met pensioen en lachte het leven hem weer toe. “Drukker dan ooit te voren“, laat hij weten om vol trots te vervolgen: “Er is een nieuwe liefde en jawel: ik ben weer getrouwd. Deze keer is het écht.“

“Hoe gaat het met jouw vrouw?“, vraagt de een. “Het wordt alleen maar erger“, zegt de ander triest. “Ze slaapt voortaan beneden.“ “En jij?“ “Ik slaap nog altijd boven. Er is weinig genegenheid meer.“ En hij zucht hoorbaar. “Toen we 17 waren sjouwden we met een zware rugzak, maar toen was het leven nog zinderend van alle verwachtingen. Nu sjouw ik elke dag een last die zwaarder is dan ooit tevoren. Zwaar van alle teleurstellingen, moeizame relaties en verloren vriendschappen.“

“Kom“, zegt de een. “We pakken er nog eentje. Of nee… we pakken er een paar! Maar dan wel échte. En we drinken net als vroeger. En straks – diep in de nacht – vraag ik aan jou waar we vannacht slapen. Het leven moet toch mooi zijn?“ “Okay!“ zegt de ander, “dan hangen we nú de slingers op.“ En meteen slaat hij het eerste biertje achterover om er nog talloze te laten volgen.

Die nacht brengt een taxi de vrienden naar een luxueus hotel waar ze de volgende morgen met een fikse kater pas laat in de ochtend wakker worden. “Het was weer ouderwets gezellig!“, zegt de een. “Moeten we vaker doen“, zegt de ander.

Uitgelicht

Devotie

Geheel onbedoeld zit ik inmiddels met wel vijf Mariabeeldjes opgescheept. Ik heb ze – mooi bij elkaar gerangschikt – ergens op een plank hoog in de boekenkast op mijn werkkamer gezet, omdat ik als de dood ben dat mensen denken dat ik Mariabeeldjes spaar. Dat is beslist niet het geval!

Het eerste Mariabeeldje kreeg ik toen ik als goed katholiek mijn Eerste Communie deed. Het was een fragiel beeldje van Maria in een lange jurk en met een doek om het hoofd gedrapeerd. Als 7-jarige hoopte ik vurig ooit nog eens zo’n mooie vrouw als deze Madonna te worden, want zij had het wel gemaakt in de wereld als er zomaar beeldjes van haar cadeau werden gegeven bij belangrijke momenten.

Bij ons thuis stond een koperen Mariabeeldje precies in het midden van het grote dressoir. Elke week werd het grondig gepoetst, zodat Maria stond te stralen; zeker als het zonlicht op haar koperen kleedje scheen. Voor het slapengaan knielden wij kinderen op onze knietjes voor de heilige Maagd; onze ouders op de stoel achter ons. En met de handjes strak gevouwen en het hoofdje diep gebogen, baden wij onze weesgegroetjes en het Onze Vader. Om steevast te eindigen met het gebedje: “Ons lief Heertje, ons lief Vrouwtje, alle engeltjes zoet die vannacht papa, mama, zusjes, broertje en mijzelf bewaren moet.“ Ik begreep overigens nooit waarom in dit gebed alles in verkleinwoordjes gezegd moest worden. Kleine engeltjes, dat snapte ik nog wel, maar zouden dat Heertje en Vrouwtje soms niet van het formaat van mijn ouders zijn? Ik heb het nooit kunnen achterhalen.

Overigens was dat devoot en langdurig knielen beslist geen pretje. Want vele jaren lag er bij ons thuis van dat harde sisaltapijt op de vloer zodat je binnen een mum van tijd diepe voren in je knieën had staan. “Is goed voor de vergiffenis van alle zonden“, werd er dan gezegd en ook dát heb ik nooit begrepen. Want wat deed je als kind nou helemaal fout; anders dan af en toe wat liegen, iets lekkers jatten of wat ruzie maken?

Sinds het overlijden van mijn ouders zijn alle Mariabeeldjes en kruisbeelden naar mijn woning verhuisd. Ik weet écht niet wat ik er mee moet, maar zomaar weggooien durf ik ook weer niet. Stel dat die beeldjes stille krachten blijken te hebben; waar ik niet in geloof, maar je weet maar nooit. Mijn moeder zei bij belangrijke gebeurtenissen altijd: “dat ze Onze Lieve Heer van het kruis ging bidden“ en als zij dat al kon dan was het – puur hypothetisch hoor – ook niet onmogelijk dat zo’n beeldje op eigen kracht het een en ander voor elkaar zou kunnen krijgen. Maria had al eerder blijk gegeven van bovennatuurlijke krachten toen ze de smeekbeden van mijn moeder verhoorde en mijn broertje kort na zijn geboorte voor de dood behoedde (lees het eerdere verhaal Blauw van de kou).

Nee, al die Mariabeeldjes laat ik maar mooi in een devote opstelling stilletjes in mijn boekenkast staan. En plechtig zeg ik hen elke avond voor het slapen gaan: “Wees gegroet dames… en morgen gezond weer op.“

Ik wens u fijne feestdagen en een beter 2022

Uitgelicht

21-12-2021

Hij is alweer voorbij: de kortste dag van het jaar. Vorig jaar zaten we rond de 21ste ook in een lockdown. En ook toen keken we tegen een karige kerst aan. Maar die eerste keer dachten we nog: “Dit kunnen we; hier komen we samen doorheen. Dit is één keer en dan nóóit meer.“ Hoe surrealistisch moet voor iedereen de boodschap uit de laatste persconferentie geklonken hebben? Mijn gemoed werd somber: “Wat moet ik nu weer verzinnen om er iets van te maken? Ik kan het niet meer!“

Ook vorig jaar was ik somber. Toen beschreef ik die 21ste december als een dag waarop ik nauwelijks mijn bed uit kon komen, omdat de dag zo akelig donker, guur, grauw en nat was; alsof de wereld in diepe rouw was. Gelukkig doet de natuur het dit jaar 180 graden anders. De zon komt weliswaar later op dan op alle voorgaande dagen, maar eenmaal boven de horizon blijft de gouden bal uitbundig schijnen. En dat levert prachtige plaatjes op; zeker ook omdat een aangename vrieskou alles heeft bekleed met een dun laagje rijp.

Dit jaar kost het opstaan mij geen enkele moeite. Ik spring mijn bed uit, trek mijn mooiste kleren aan en trap stevig op de pedalen voor een bezoek aan de notaris. Hier ga ik wat prettige levenszaken regelen zoals mijn aanstaande trouwerij. Van de notaris fietst ik door naar de beste bakker om mijn lief te trakteren op een lunch waar geen restaurant aan kan tippen. En het feestelijk gevoel blijft de hele dag; gewoon omdat ik mijzelf vertel dat de zon speciaal voor mij schijnt. “Wat nou beperkingen? Ik verzin wel een alternatief!“

“In 2022 tel ik alleen nog maar mijn zegeningen“, vertrouwt iemand mij haar goede voornemens toe. En ik vind dit zo’n mooie samenvatting van deze dag, dat ik spontaan besluit om met haar mee te doen. Van nu af aan tel ik alleen nog maar mijn zegeningen!

Ik wens iedereen heel veel licht, geluk en gezondheid toe. En vergeet vooral niet om met ons mee te tellen.

Lees ook het verhaal van vorig jaar over 21 december.

Uitgelicht

Praatpaal

Het was mijn bedoeling om er nooit, maar dan ook echt nóóit over te beginnen. Omdat ik mij in mijn verhaaltjes het liefst onthou van de vele ergernissen die op een mens afkomen. Maar nu wil het even niet meer lukken; ik kan het gewoon niet meer stilhouden. Het lijkt immers wel een ziekte, een plaag, een virus. Als we niet uitkijken wordt het straks nog een pandemie!

Waar ik het over heb? Over die mensen die alleen maar kunnen zenden, zenden en nog eens zenden. Mensen die nooit op het idee komen – ook niet nadat je ze al een aantal openingszinnen, verdiepingsvragen, instemmende knikjes en bemoedigende hummetjes hebt gegeven – om zélf eens een keer een geïnteresseerde vraag te stellen. Of je ze nou een mooi voorzetje geeft of niet; het maakt niet uit. Ze blijven maar raaskallen over hun eigen prestaties, activiteiten, bijzonderheden en ongenoegens en hebben er geen flauw benul van dat communicatie toch écht een stuk leuker is als het tweerichtingsverkeer mag zijn.

De zoon van een vriendin zei eens: “Ik luister liever naar het verhaal van een ander, want mijn eigen verhaal ken ik al.” Maar dit soort communicatietalenten lijkt wel tot een uitstervend soort te behoren.

Echt… ik voel me soms net een ouderwetse ANWB-praatpaal die – na het indrukken van de knop – als vanzelf de vragen stelt. Maar bij zo’n ANWB-paal was het logisch dat je nooit een wedervraag hoefde te stellen. De vriendelijke stem was er immers op getraind om jou alle aandacht te geven. De meneer of mevrouw achter de stem zal op er op dat moment ook geen behoefte aan hebben gehad om door jou gehoord of gezien te worden. Dat kwam ’s avonds wel weer als man- (of vrouw-)lief na een drukke werkdag bij de soep en de aardappels oprecht geïnteresseerd zou vragen of er nog iets bijzonders was gebeurd die dag.

Maar de ANWB-praatpalen zijn al weer jaren geleden afgeschaft. Hadden we gelijktijdig met het ontmantelen van deze praatpalen ook niet de notoire zenders onder ons in de opslag moeten zetten? Zou een stuk beter zijn geweest voor de kwaliteit van onze gesprekken. Zo…. dat is er uit en dat lucht op.

Had u nog een mooie vraag voor mij? Stel hem gerust via de mail op mijn contactpagina.

Uitgelicht

Kaarsvet en engelenhaar

Veel eerder dan andere jaren heb ik mijn kerstboom van de zolder gehaald. Voor mij al jarenlang geen echte kerstboom meer, al is er niets mooiers dan zo’n fiere, geurende boom in je huis. Maar ik hoef de naalden maar aan te raken en ik zit al vol jeukende uitslag. Noodgedwongen staat er dus een kunstkerstboom. Niet van écht te onderscheiden hoor: zo mooi!

Het optuigen blijkt elk jaar weer een flinke klus te zijn. Ik had vorig jaar die 600 lampjes toch netjes op een balkje gerold? Waarom zit alles dan nu weer volkomen in de war? Maar eigenlijk moet ik niet zeuren, want die kleine ledlampjes van tegenwoordig zijn ‘heilig‘ bij de snoeren van vroeger. Was er toen één lampje kapot dan deed prompt het hele snoer niets meer. En ook als een vervelende puber – meestal mijn broertje – stiekem een lampje had losgedraaid, bleef alles donker. En vader maar zoeken; voorwaar geen sinecure! Kerst is eigenlijk het feest van gezelligheid en ongemak in één.

Op kerstavond dekte mijn moeder de tafel extra mooi. Dan kwam het strakgestreken, damasten kleed uit de kast en werd het opgesierd met kruislings aangebrachte rode linten; onopvallend vastgezet met een knopspeld (waar ik me dan weer lelijk aan prikte). Maar vroeg of laat bleef er ook altijd wel een glas met rode wijn achter het lint hangen. Zo zonde van het witte kleed!

Ook kaarsen op tafel was vragen om moeilijkheden. Ondanks alle waarschuwingen zat er altijd wel een kind (meestal weer hetzelfde broertje) in het kaarsvet te peuteren. Net zo lang totdat de zorgvuldig met zilverpapier vastgezette kaars omdonderde en het tafelkleed vol kaarsvet zat. Waarna mijn moeder uren met een heet strijkijzer en wc-papier in de weer moest om het kleed weer schoon te krijgen. En dat terwijl ze al de hele dag in de keuken had gestaan om een bleke, kale kip tot iets lekkers te maken door van alles in zijn kont te proppen alvorens hem te braden. Ik heb nooit begrepen waarom wij uitgerekend met kerst dit afschuwelijke gerecht voorgeschoteld kregen. Ik ‘haat‘ het om kip te eten zolang ik nog zie dat het een kip is; laat staan dat ik hem wil eten met allerlei rariteiten in zijn buik.

“Ondankbare kinderen, “ verzuchtte mijn moeder meer dan eens op deze dagen van verplichte gezelligheid. “Is dit is mijn beloning voor het vele werk?“ En dan zette mijn vader maar een kerstplaat op die ook al niemand kon bekoren.

Nou lijkt het net alsof Kerstmis vroeger bij ons thuis ellendige dagen waren vol ‘ruzie en actie‘. Maar niets is minder waar. Kerstmis was de tijd van: uit een diepe slaap gehaald worden voor de nachtmis. Van op de maat van de klokken naar de kerk wandelen. Van heerlijke worstenbroodjes bij thuiskomst met een overdaad aan warmte, gezelligheid, duizenden lichtjes en zoetgevooisde muziek. En ja, óók de tijd van jeukende handen als je tóch weer aan het engelenhaar in de boom had gezeten; maar het glinsterde ook zo mooi. Van het kindje Jezus dat steeds uit de kerststal verdween, omdat mijn zus het niet kon aanzien dat dit baby’tje in zijn blootje lag. Op de gekste plekken werd het kindje terug gevonden: onder het tafelkleed, tussen de handdoeken, in haar bed. En het was de tijd dat je je ernstig zorgen maakte over de Drie Koningen. Zouden ze wel op tijd bij de stal aankomen? Want ‘met Kerstmis stonden ze nog altijd ver weg op de vensterbank‘.

Wie wil al dit vermakelijk klein ongemak nou missen? Dus tuig ik mijn boom weer op in al haar glorie en wacht ik vol spanning af hoe kerst dit jaar zal verlopen.

Lees zeker ook het kerstverhaal van 2020 over de Drie Koningen die elk jaar weer spannende reis door mijn huis maken.

Uitgelicht

Alles onder controle

“Heeft u alle zaken wel onder controle?“, vraagt hij mij op barse toon. Want hij heeft net op zijn ronde door het huis nogal wat problemen gesignaleerd. En daar moet hij het écht even met mij over hebben. Ik begrijp de ernst van de situatie en vraag hem mij te volgen naar mijn kantoor. “Daar kunnen we even vertrouwelijk praten“, laat ik hem weten. En ik voeg er nog aan toe dat ik zijn zienswijze bijzonder op prijs stel.

“Weet ik wel dat hier mensen in huis lastiggevallen worden?”, monstert hij mij met een donkere blik. “Ehh, nee, dat wist ik niet. Kunt u mij wat meer over deze heikele kwestie vertellen?”, vraag ik hem, benieuwd naar wat er komen gaat. “Er worden hier kwetsbare mensen mishandeld. Zojuist heb ik nog een aanval kunnen voorkomen door tussenbeide te springen. Ik weet dat u de leidinggevende hier in dit huis bent en ik vind het mijn plicht om u dit voorval te melden voordat het volledig uit de hand loopt.“

Ik ben onder de indruk van zijn bezorgdheid en weet dat deze man met vergevorderde dementie, regelmatig terugvalt in zijn vroegere rol van politieman. Hem nu tegenspreken of de boel proberen te sussen heeft geen zin; het zal hem alleen maar verharden in zijn rol en de verantwoordelijkheid die hij meent te hebben.

Ik besluit om hem belangrijk te maken en bedank hem voor het uitstekende recherchewerk. “Ik merk dat u een man bent met veel ervaring en kennis van zaken”, laat ik hem weten. “Dank voor uw discretie en uitgebreide rapportage. Vindt u het goed dat ik de zaak hier van u overneem en u aan het einde van de week weer even bijpraat? Dat vindt hij goed. “Wat verwacht u in de tussentijd van mij?”, vraagt hij nog. “Dat u stilzwijgend observeert, zonder uw positie bekend te maken.” Hij bevestigt de afspraak met een ferme handdruk en wenst mij een rustige dienst.

Einde van die week spreken we elkaar weer. Ik zeg hem alles onder controle te hebben en vermeld dat ik mijn superieuren van de zaak op de hoogte heb gebracht. De nodige acties zullen van hogerhand ingezet worden. Tot die tijd wordt van ons verwacht dat we rustig op de achtergrond blijven. “Case closed”, concludeert hij en begint onopvallend aan zijn dagelijkse ronde door het huis. Voorlopig is alles onder controle.

Deze situatie speelt zich af in een kleinschalige woonvorm voor mensen met dementie waar ik op dat moment de manager ben.

Lees ook de andere verhalen uit de serie ‘De dingen die voorbij gaan‘:
Hangplek voor ouderen – Een goed verhaal

Uitgelicht

Het tegendraadse boompje

Ik heb daar toch behoorlijk wat moeite mee. Dat varkens vetgemest worden om ons van kiloknallers te voorzien. Dat ganzen het eten door de strot geduwd krijgen, zodat wij later lekkere ganzenlever kunnen nuttigen. En dat kippen, als ze twee weken langer mogen leven al het keurmerk ‘Beter Leven‘ krijgen toebedeeld. Er zijn nog meer arme dieren op te voeren, maar je begrijpt de strekking van mijn ongenoegen vast wel.

Toch is er nog één voorbeeld – niet over een dier maar over een boompje – dat ik aan de opsomming moet toevoegen. Omdat het té gek is voor woorden. Hoe bedenk je het?

Op een van mijn fietstochten kwam ik langs een teler van allerlei bomen. Ik bewonderde de lange rijen en dacht: Hier moet ik binnenkort eens gaan kijken voor de inrichting van mijn nieuwe tuin. Totdat ik een bomenrij passeerde die er wel heel erg gek uitzag. Tussen de stam en de takken waren talloze houtjes gespannen. Nieuwsgierig naar de reden van deze houtkunst, sprak ik een man aan die druk aan het werk was om alle takken van een klein boompje van houtjes te voorzien.

“Deze rotzak wil niet meewerken“, zei de man geïrriteerd toen ik van mijn fiets afstapte en zijn werk aandachtig bekeek. “Dit is nou al de tiende keer dat ik de houtjes stevig vastmaak, maar elke morgen liggen ze allemaal weer op de grond en staat het boompje met haar rommelige takken vrolijk te pronken in de ochtendzon.“

“Waarom doet u dat met die houtjes?“, vroeg ik de man oprecht geïnteresseerd. “De mensen willen nette boompjes die keurig de kant opgroeien die ik bepaal“, legde de teler geduldig uit. “Ze willen geen rommelige boompjes in hun tuin. Het boompje moet strak en recht zijn anders krijg ik het niet verkocht.“ “Ik denk dat we hier dan te maken hebben met een tegendraads boompje dat zélf wil bepalen hoe zij er uit ziet en zich niet door een kweker willen laten ringeloren“, was mijn conclusie.

“Zou ik dit weerbarstige boompje van u mogen kopen?“, vroeg ik de man hoopvol, want ik was op slag verliefd geworden op dit eigenwijze boompje. Ik kon niet wachten om het in mijn tuin te zetten waar het van mij alle kanten op zou mogen groeien die het maar wilde. “Je mag het zo meenemen“, zei de teler boos. “Ik kan er niets mee beginnen en ik ben het beu om elke morgen weer opnieuw de spalken aan te brengen.“

Hij haalde het boompje met een flinke kluit uit de grond, stopte het in een zak en duwde het in mijn handen. Gelukkig wilde hij mij ook nog wel van een touw voorzien. Behoedzaam fietste ik met het boompje als een kleinood op mijn rug huiswaarts om de kleine rakker meteen weer lekker in de volle grond te zetten waar hij nu heerlijk eigenwijs alle kanten op groeit.

Moraal van het verhaal: geef de natuur gewoon de ruimte die zij nodig heeft, want dan is zij op haar mooist!

Deel 2.0 uit de serie: Kinderverhalen voor volwassenen
(lees ook het eerdere verhaal uit deze serie over het veulentje dat een panter wilde zijn)

Uitgelicht

Goed zicht!

Niets zo fijn als een ‘handig mannetje‘. Zo’n jonge knaap (of een iets oudere man, dat mag ook) die voor een appel en een ei je hele huis schildert, je tuin snoeit of even je auto repareert. Vandaag mag ik ‘er gauw even tussen’ bij mijn garagemannetje. De lampen van mijn auto moeten nodig afgesteld worden. Tijdens nachtelijke ritten krijg ik steeds vaker een seintje van mijn tegenliggers dat ik hen verblind. En zelf heb ik ook geen al te best zicht meer op de pikdonkere wegen.

Terwijl Freek mijn koplampen afstelt, neem ik even plaats in de kantine van de garage. Ik zet mij op de harde stoel, bewonder de schaars geklede kalenderdame en ‘geniet’ van de smakeloze koffie. Al gauw raak ik in gesprek met Sjors die ook wacht.

Sjors heeft recent zijn zaak moeten verkopen. “Er kwam geen rooie rotcent meer binnen“, verzucht Sjors. Zijn hele leven heeft hij in oude auto’s gehandeld, maar nu kan hij er geen droog brood meer mee verdienen. “Het is stil geworden“, verzucht Sjors. “Heel erg stil.“ Want kort na de overdracht van de zaak is hij ook nog eens gescheiden. Groot verdriet. Had hij niet aan zien komen. “Jaren ben ik de grote afwezige geweest in mijn gezin“, bekent Sjors. “Altijd, áltijd was ik aan het werk en nu heeft mijn vrouw er een punt achter gezet.“ “Het is op. Over! Uit!“, had ze naar hem geroepen. “En nu ze er niet meer is, voel ik pas hoe erg ik haar mis.“

Hij is maar als vrachtwagenchauffeur begonnen om toch het nodige geld te verdienen en de eenzaamheid te ontlopen. Al voelt hij de eenzaamheid des te harder als hij thuiskomt na een lange rit. Zijn kinderen ziet hij nauwelijks meer. Zijn ex-vrouw wil geen co-ouderschap. “Onder géén beding“, had ze gezegd. “Had je maar eerder je verantwoordelijkheid als vader moeten nemen.“ Sjors gaat het gevecht niet aan. “Ik wil het beste voor mijn kinderen,“ zegt hij verdrietig, “terwijl ik waarschijnlijk nooit het beste voor hen heb gedaan. Ik had er gewoon vaker moeten zijn. Nou kan ik alleen maar hopen dat het goed met hen blijft gaan.“ Ik voel mee met het verdriet van deze man. Geen goed zicht meer gehad op de situatie en alles verloren.

Op dat moment komt Freek binnen. Mijn lampen zijn weer perfect afgesteld, maar voor een beter zicht op de weg adviseert hij mij om toch over te gaan op led-lampen. “Drie keer zoveel lichtopbrengst“, meldt hij als een rasverkoper, “en vooral fijn voor wie slecht ziet in het donker.“ Hij heeft ze ook al bij zijn moeder, tante en buurvrouw geïnstalleerd. “Allemaal mensen van jouw leeftijd“, vermeldt hij nog beleefd. “Niks zo fijn als goed zicht, besluit Freek zijn verkooppraatje.“ Ik sta op en geef Sjors een schouderklop. “Geef de moed niet op Sjors. Ook jij krijgt weer goed zicht. Zeker weten!“

“Een man weet niet wat hij mist,
maar als ze er niet is, als ze er niet is
weet een man pas wat hij mist!“

Huub van der Lubbe, De Dijk

Uitgelicht

De krant

Afgelopen zaterdag was het zo ver: Voor de laatste, écht de allerlaatste keer viel de krant om 6.00 uur op mijn deurmat. Zo’n 40 jaar hoorde ik 6 dagen per week rond de klok van zes rappe voetstappen op mijn oprit; gevolgd door de welbekende plof op de mat.

Soms waren de stappen lichtvoetig. Dan fantaseerde ik dat mijn krantenbezorger een jonge meid was die straks gewoon naar school zou gaan. Een andere keer slofte de voetzolen hoorbaar. Dan dacht ik aan een puber die maar al te graag wat zakgeld bij wilde verdienen, maar iedere ochtend met veel chagrijn uit zijn bed rolde. Dan weer was de tred stevig en zwaar. Misschien een volwassen man; werkeloos geworden van zijn reguliere baan en genoodzaakt om elke klusje aan te pakken. Soms was de gang een beetje moeizaam. Wel snel, altijd snel, maar toch… de moeite waarmee de stap werd ingezet, gaf mij de indruk dat mijn trouwe krantenbezorger een man op leeftijd was.

Het laatste jaar fungeerde mijn krantenbezorger meteen ook als mijn dagelijkse wekker. Want drukpratend kwam een vrouw van rond de veertig in de vroege ochtend mijn oprit opgestoven om al even luidkwebbelend mijn krant in de brievenbus te mikken en zonder ook maar één kleine pauze rebbelend weer in de wachtende auto met draaiende motor te stappen. Op weg naar het volgende adres. Vast niet in de buurt, want het aantal abonnees loopt al jaren terug. In mijn buurt was ik zo’n beetje de laatste die de krant nog dagelijks in de bus kreeg. Tot afgelopen zaterdag dan.

Tegenwoordig mag ik iets later opstaan dan 6.00 uur. Dat ik dus ’s morgens niet meer in alle vroegte door de krantenbezorger gewekt word, is een hele prettige bijkomstigheid. Maar de papieren krant ga ik als icoon van het dagelijks nieuws zeker missen. Voortaan lees ik mijn krantje digitaal. Best prettig eigenlijk; al kijk ik met een gevoel van lichte weemoed naar alle vertrouwde dingen die langzaamaan verdwijnen.

Maar ja zoals de filosofische gedachte ‘Phanta Rei‘ al aangeeft: alles stroomt. Dus niets blijft.

Uitgelicht

De vriend

Verbaasd kijk ik haar aan. Zojuist heeft een vriendin enigszins cynisch gevraagd of ‘de vriend‘ in mijn verhaaltjes geen naam heeft. “Natuurlijk heeft hij een naam“, pareer ik haar vraag. “Alleen is het mijn keuze om deze verhaaltjes te publiceren; de vriend blijft liever anoniem. Soms wordt hij opgevoerd, als dat nodig is voor een goed begrip van de situatie of omdat hij een opmerking maakt die voor het verhaal van belang is. Maar of hij nou Frank, Peter of Rob heet… Onbelangrijk! In mijn verhaaltjes heet hij gewoon  ‘de vriend‘. En dat blijft zo: tot ik een huwelijksaanzoek krijg.“

Niet het gehoopte huwelijksaanzoek maar de anonieme duiding van een personage doet mij denken aan een werksituatie van jaren terug. Ik runde samen met een compagnon een communicatiebureau. Een van onze klanten was een groot metaalbedrijf. We hadden al veel werk voor dit bedrijf mogen maken. De laatste tijd waren er problemen in het personeelsbestand. Hoog tijd om eens flink uit te pakken met een wervingscampagne. Samen met het team zette ik een presentatie in elkaar met mooie beelden, pakkende teksten en verrassende ideeën.

Van oudsher was dit metaalbedrijf een klant van mijn compagnon. Het zou dus logisch zijn als hij de presentatie zou doen. Maar ik was zó enthousiast met de voorbereidingen bezig geweest dat ik ook de presentatie graag voor mijn rekening wilde nemen.

De presentatie verliep perfect. De klant was enthousiast over de voorstellen. Zó enthousiast dat ik het aandurfde om in het sluitstuk van mijn voordracht nog wat kritische opmerkingen te maken. Want voor het slagen van de campagne was het nodig dat niet alleen de medewerkers in actie zouden komen, maar ook de directie zélf. Onmiddellijk betrok het gezicht van de CEO. Hij bedankte mij voor het vele werk en richtte zich vervolgens tot mijn compagnon met de opmerking: “Deze juffrouw kun je voortaan wel thuislaten.“ Verbaasd keek ik hem aan: ik had bij de kennismaking toch heel duidelijk mijn naam gezegd? “Mijn naam deed er niet toe,“ sneerde hij. Ik had mooi werk geleverd, maar van een ‘juffrouw met zo veel haar op de tanden‘ was hij niet gediend.

Ik heb de man een hand gegeven en heb hem bedankt – letterlijk en figuurlijk. Want als hij niet de moeite wilde nemen om mij bij mijn naam te noemen, dan wilde ik niet langer voor hem werken. Kijk… in deze situatie vond ik het gebruik van een naam cruciaal.

Terug naar ‘de vriend‘: om alsnog recht aan hem te doen, plaats ik dit verhaal in de categorie ‘sportief‘, omdat ik het wel zo fair vind om te zeggen dat ‘de vriend‘ mij heel vaak inspireert tot het schrijven van een verhaal en tevens mijn grootste criticaster is.

Overigens heb ik recent het gehoopte huwelijksaanzoek gekregen.

Uitgelicht

De suppoost

Het is een druilerige zondagmiddag. Hét ideale moment om weer eens naar een museum te gaan. De keuze valt op het Noordbrabants museum. De laatste keer dat ik hier was, bezocht ik de tentoonstelling ‘Asjemenou‘ met een presentatie van maar liefst 100 Nederlandse karakteristieken. Van alles kwam voorbij. Van het oer-Hollandse Dafje tot de eerste poster van de Pacifistisch Socialistische Partij met de naakte dame, de koe en de slogan ‘Ontwapenend‘. En natuurlijk mochten ook de flippo’s, de wuppies, het drumstel van Ceasar Zuiderwijk, het cassettebandje en de cd-speler niet ontbreken. En Loekie was er; het leeuwtje dat al vanaf de jaren ’70 irritante reclames op moet leuken en dat sinds de Olympische Spelen wéér mag doen.

Maar vandaag ga ik weer eens échte kunst snuiven. Ik stort mij op de werken van Salvador Dali en Pablo Picasso; twee mastodonten in de kunstwereld. Na dik twee uur slenteren langs de erotische schetsen en zelfgemaakte advertenties van Dali – een kant die ik helemaal niet van hem kende – en de vele etsen van Picasso heb ik nog even tijd om de vaste collectie van het museum te bekijken over mijn Brabant uit lang vervlogen tijden. De expositie kan mij helaas niet echt bekoren; sterker nog: ik ga mij zelfs vervelen. Tijd voor een spelletje, want het museum is toch vooral een plek om te ‘ontdekken en te verwonderen’.

Dus sleep ik de vriend mee naar een vitrine met oude potten en pannen en stel ik hem de vraag: “Je moet straks iets mee naar huis nemen. Wat kies je?” De vriend, ook niet erg onder de indruk van al die oude zooi, weigert eerst om het spel mee te spelen, Maar na lang aandringen van mijn kant, kiest hij uiteindelijk voor een gevaarlijk uitziende hakbijl. En dan krijgt ook hij de smaak van het spel te pakken.

Hij troont mij mee naar een schilderij vol lelijke mannen met vrome gezichten. “Kies maar”, zegt hij. “Je móet iemand op dit schilderij kussen.” Ik gruwel bij de gedachte, maar ja, je moet kiezen, zo is het spel. Dus wijs ik naar de man met baard en enigszins stoer gezicht en fantaseer de rest er ter geruststelling bij. Enigszins wraakzuchtig sleep ik de vriend mee naar een Rubensachtig schilderij vol naakten. Maar nog vóórdat ik mijn prangende vraag kan stellen, bast een norse bewaker plotseling uit het niets: “Wát zijn we hier aan het doen?”

Tja… wat doe je dan? Hard weglopen of ook de man een leuke dag bezorgen? Ik kies voor het laatste en stel hem de vraag: “U moet kiezen: welke dame op dit schilderij gaat straks na sluitingstijd met u mee naar huis?

De suppoost kleurt vuurrood. Wat is dat nou? Zo oneerbaar kan de vraag toch niet zijn? Het is maar een spel! “Elke dag dat ik hier sta, bedenk ik dat ik deze schoonheid op een dag mee naar huis zal nemen”, bekent de suppoost met het schaamrood nog nagloeiend op de kaken, “en nu kent u mijn geheim. Ik droom al jaren van haar”, voegt hij er nog – enigszins overbodig – aan toe. Ik geef de suppoost een vette knipoog. “Geeft niets hoor. Keep on dreaming: dat maakt een dag een stuk leuker.” En dan klinkt de gong door de museumzalen en verzoekt een vriendelijke stem ons om richting de uitgang te gaan.

De mooie dame hangt nog altijd in het museum en de suppoost waakt bij haar. Elke dag.

Uitgelicht

Walk of Wisdom

Het is het weekend van 2 en 3 oktober. De weerberichten voorspellen wat ik beslist niet wil horen voor een wandelweekend: wind en regen, heel veel regen. Zóveel dat de weerman heel Nederland adviseert “om op zondag vooral lekker lang uit te slapen en pas tegen het einde van de middag naar buiten te gaan.“

Maar ik luister niet naar de weerman. Als ik op zaterdagmorgen naar buiten kijk, is het droog en samen met mijn zus begin ik aan onze wandeltocht: 2 etappes van de Walk of Wisdom die zij eerder al helemaal in haar eentje heeft gelopen.

We laten ons afzetten in de uiterwaarden van de Ooijpolder om al slobberend over spekgladde kleipaden verder te gaan naar de Heerlijkheid Beek. Van daaruit wandelen we over de Elyzeese velden via de Duivelsberg naar het schilderachtige dorpje Beek-Ubbergen. Als we zo’n 21 km later bij onze overnachting in Groesbeek aankomen, begint het eindelijk te regenen: keihard. Maar dat maakt nu niets meer uit: binnen is binnen.

Geheel in tegenstelling tot het verzoek van de weerman sta ik die zondag extra vroeg op. Het regent nog altijd onophoudelijk, maar ik laat me niet kisten. Wij gaan gewoon op pad. Ingepakt in regencape en gewapend met een extra grote paraplu. De lucht zwaar en grijs; het zicht niet verder dan de capuchon. Klauterend over heuvels en dalen en schuifelend over modderpaden ploeteren we voort door het majestueuze, donkere Reichswald om na een paar uur verder te gaan door het intense groen van de Sint Jansberg. Na wederom 21 km eindigt onze tocht in Plasmolen. En vanaf dat moment is het droog en breekt zelfs het zonnetje door. We zijn moe en nat, maar ik had de prachtige gesprekken onderweg voor geen goud willen missen. En de schoonheid van de natuur op deze natte dag al evenmin.

De Walk of Wisdom lopen – of delen daarvan – is een pad volgen dat bezaaid is met verhalen en herinneringen. Het is een bedevaart om terug te komen bij jezelf, krachten te herwinnen, blijdschap te ervaren en verdriet te verzachten. Het pad staat vol gedenkplekjes en is geplaveid met emoties van de vele wandelaars die ons voorgingen.

Wat een prachtige route en wat geweldig dat de beste wijsheid nog altijd je eigen wijsheid is. Want áls ik naar de weerman had geluisterd dan was ik niet op pad gegaan. Maar nu ben ik een indrukwekkende ervaring rijker.

Een pelgrimage van 134 km. Begin- en eindpunt is de Stevenskerk in Nijmegen. De route loopt door twee landen, drie provincies en elf gemeenten.

Uitgelicht

Een goed verhaal

Mijn broer heeft onlangs een nieuwe fiets gekocht. En nu toert hij regelmatig rond op zijn aanwinst. Niets bijzonders tot zover, maar afgelopen zondag belde hij mij op: Wat ik nu toch mee heb gemaakt. Ik moet het je vertellen. Die morgen was hij op pad gegaan om een mooi fietstochtje te maken vanuit de Achterhoek richting Arnhem. “Prachtige fietspaden waar ik nog niet eerder was geweest“, zo vertelt hij mij enthousiast.

Als hij na ruim 40 km trek krijgt in een broodje en wat wil drinken, gaat hij op zoek naar een bankje. Maar het bankje dat hij passeert op de ideale plek is al in gebruik genomen door een ouder echtpaar. “Mag ik erbij komen zitten“, vraagt mijn broer allervriendelijkst. Het echtpaar vindt het goed. “Maar onder één voorwaarde“, zegt de oude heer, “u moet een goed verhaal vertellen.“

Het gesprek begint met een babbeltje over het gemak van een elektrische fiets, de mooie omgeving: ‘zó groen, zo veel vogels en vlinders. En heerlijk die koeien in de wei‘. Dan vraagt de man met veel interesse naar het werk van mijn broer. “Ik werk met moeilijk opvoedbare jongeren“, vertelt hij. “Ik begeleid hen bij alle dagelijkse dingen. De jongeren hebben al veel meegemaakt in hun leven waardoor ze vaak een behoorlijke ‘rugzak‘ met zich meezeulen. Dat maakt de begeleiding soms complex, maar het werk geeft mij veel voldoening“, eindigt mijn broer zijn verhaal niet zonder enige trots.

“Mooi werk“, zegt de oude heer, “ik vind het knap dat je dit met zoveel overgave doet.“ Zelf heeft hij ruim 40 jaar in de bouw gewerkt. “Vooral zwaar werk“, bromt de man, “maar op mijn 57ste ben ik gelukkig vervroegd met pensioen kunnen gaan.“ En nu geniet hij samen met zijn vrouw van de mooie natuur, de vogels en de vlinders. En de koeien om niet te vergeten. “Ik vind het altijd zo heerlijk als ze in de wei staan“, zegt de man om er meteen achteraan te vragen: “Wat doet u voor werk?“ En de broer vertelt opnieuw, maar nu iets minder uitgebreid dat hij jongeren begeleidt die een behoorlijke ‘rugzak‘ hebben. “Mooi werk“, zegt de man, “knap dat je dat met zo veel overgave doet.“ Om meteen verder te gaan met: “Ik heb ruim 40 jaar in de bouw gezeten, maar gelukkig kon ik op mijn 57ste met vervroegd pensioen. Daarom kan ik nu samen met mijn vrouw genieten van de natuur.“ Vooral de koeien die zo lekker in de wei lopen, vindt hij prachtig. “Wat doet u voor werk?“, vraagt de man met dezelfde oprechte interesse alsof de vraag nog niet eerder is gesteld.

De vrouw kijkt mijn broer licht wanhopig aan. “Mijn man is een beetje vergeetachtig“, zegt ze verontschuldigend. “Misschien had u dat al wel gemerkt?“ Maar mijn broer, niet te flauw, vertelt het verhaal van zijn werk nog eens en nog eens. “Wat maakt het uit?“ laat hij mij in ons telefoongesprek weten, “het was goed toeven daar op dat bankje in de zon en die twee oude mensen waren zo aardig.“

Maar als het verhaal over het begeleiden van jongeren met een rugzak, wat écht mooi werk is, voor de zevende keer uitgebreid is verteld, besluit mijn broer om weer eens verder te gaan. “Was dit wat u betreft een goed verhaal?“, vraagt mijn broer aan de man als hij opstaat en zijn fiets pakt. “Want dát was de voorwaarde om op uw bankje plaats te mogen nemen.“ Er breekt een lach door op het gezicht van de oude man:

“Nou heb ik ruim een half uur gezellig met u zitten praten over van alles en nog wat, maar de belangrijkste vraag heb ik u nog niet gesteld: Wat doet u voor werk? Zelf heb ik ruim 40 jaar in de bouw gezeten en ben ik op mijn 57ste vervroegd met pensioen gegaan. En u, wat hebt u gedaan?“ Verwachtingsvol kijkt hij mijn broer aan. Die aarzelt heel even, maar dan zegt hij de oude heer toe dat hij een volgende keer uitgebreid over zijn werk zal vertellen. “Dat verhaal houdt u van mij nog tegoed. Beloofd!“ Dankbaar voor zo veel geduld zwaait de mevrouw mijn broer lang na totdat hij helemaal uit het zicht is verdwenen.

Dag lieve man, geniet van de vogels, de vlinders en vergeet de koeien niet.

Lees ook de andere verhalen uit de serie ‘De dingen die voorbij gaan‘:
Hangplek voor oude
renAlles onder controleStroopwafel

Uitgelicht

Puttertje

Vandaag ben ik maar weer eens aangesloten bij een vogelexcursie. Want om vogels te herkennen moet je oefenen, oefenen en nog eens oefenen. Gewapend met verrekijker en fototoestel gaan we op pad. We zijn nog geen 20 meter verder of de gids van vandaag zet de kijker al aan de ogen om vol enthousiasme uit te roepen: “Een zwerm puttertjes; zo mooi!“ Verbaasd kijk ik naar het zelfverzekerde gezicht van deze jonge knul. Want waar ik met moeite door mijn kijker een zwerm zwarte puntjes kan ontdekken, determineert hij met het grootste gemak dat het puttertjes zijn.

“Dat zie je aan de gele streepjes op de zijkant en het felrode kopje. Al is dat in het najaar een stuk minder rood“, legt hij mij geduldig uit. “Maar je ziet het óók aan de vorm en het gedrag“, voegt hij er geruststellend aan toe. De jongeman moet gezegend zijn met bionische ogen, want ik kom echt niet verder dan wat zwart gefladder in de verte.

We vervolgen de route om bij de Westerplas een groot aantal lepelaars, aalscholvers, kleine zilverreigers en een heel regiment aan eendensoorten te ontdekken. Nou was dat niet zo moeilijk, want we wandelen aan het einde van de dag en dan verzamelen al deze vogels zich hier om een slaapplaats op te zoeken. Zelfs als slechtziende kun je hier nog van de vogels genieten. Makkelijk zat.

Dan nog even naar het Wad waar we al snel de tapuit ontdekken. Die ken ik ondertussen dus ik herken hem al van verre. Maar ook de steenlopertjes, de kievit, goudplevier, scholekster en de tureluur zijn hier op het Wad snel gevonden. Ondertussen vliegen watersnippen mooi in formatie over. Die ken ik nog van de briefjes van 100 gulden; dus dat is een makkie.

“Een kneu“, roept de jonge gids en na veel aanwijzingen en speuren tussen het bruingele gras kan ook ik hem uiteindelijk vinden. Als traktatie trekt een hele zwerm kneutjes over. “Die zoeken óók een plek voor de nacht“, legt de gids uit en tot slot belooft hij mij nogmaals het puttertje te laten zien; nu van dichtbij. Als echte vogelaars posten we ons bij een grasveldje vol bloemen. En na lang wachten – want dat hoort nou eenmaal bij vogels spotten – gebeurt het onverwachte. Tientallen puttertjes vliegen in één keer op vanuit het veld om ook weer spoorslags in het hoge gras te verdwijnen. Maar ik heb ze gehoord én gezien! En dus ook ik kan na deze indrukwekkende tocht een plek voor de nacht gaan zoeken.

Dag mensen, dag vogels…. slaap zacht allemaal.

‘ Puttertje‘  is het vijfde verhaal uit de serie ‘ Verhalen op Schier 2021‘ 

Uitgelicht

Donker

Niks zo leuk als wandelen in het pikkedonker. Vanavond doe ik dat met een klein groepje onder leiding van een gids. We gaan op zoek naar nachtbloemen en nachtdieren. Als eerste ontdekken we de Teunisbloem die haar prachtige, gele kelken opent zodra de schemer invalt. De kelken hebben aan de binnenkant blauwe strepen die mensen niet kunnen zien. Het zijn een soort landingsbanen die de nachtvlinders naar het hart van de bloem lokken. Mooi toch!

Vanuit het enige dorpje op Schiermonnikoog lopen we direct het bos in. Als gauw zie ik geen hand meer voor ogen. Maar wat ga je veel zien als je ogen eenmaal aan het donker gewend zijn. Geen kleuren, maar wel heel duidelijk de contouren van alles waardoor het pad in het donkere bos uiteindelijk prima begaanbaar wordt.

Tijdens deze nachtwandeling over Schier vertelt de gids vooral wat er niet te vinden is op het eiland. Geen vossen en al helemaal geen wolven of wilde zwijnen. Geen reeën of herten en ook nauwelijks nog konijnen. Allemaal uitgestorven door twee nare ziektes en geen zin meer om terug te komen nu het eiland steeds meer bebost raakt. Ook geen vleermuizen. Wel nestkastjes om te onderzoeken waarom de vleermuis hier niet op het eiland wil zijn. Nou, dat kan ik je wel vertellen: een vleermuis heeft obstakels nodig om de sonar te kunnen laten weerkaatsen. Zo vindt hij zijn weg. En op Schier is niets om tegenaan te kaatsen. Geen hoge bomen, geen hoge gebouwen. Gewoon niets. Dus logisch: geen vleermuizen. Schapen, koeien of paarden dan? Die zijn er genoeg maar allemaal per schip van het vaste land gehaald om hier de oprukkende berkenbomen, struiken en grassen weg te grazen. En verwilderde katten; dat dan weer wel. Zo veel dat je van een plaag kunt spreken. En vogels natuurlijk; heel veel vogels waarvan de meeste ’s nachts gewoon slapen. Dus geen wonder dat we ze niet horen of zien.

Omdat er op dit tijdstip bij nader inzien toch wel érg weinig planten en dieren op Schier zijn te bewonderen, nodigt de gids ons uit om de blik naar de hemel te richten. En dat is prachtig want bij de wassende maan ontdek ik al gauw Saturnus en Jupiter. En natuurlijk ook het steelpannetje en zelfs de Melkweg. En dan… dan opeens zie ik een vallende ster; zomaar uit het niets.

Hier in de nacht op Schiermonnikoog doe ik een wens. Dat het leven voor iedereen zo mooi en vredig mag zijn als ik het nu op dit kleine eiland ervaar.

‘ Donker‘  is het vierde verhaal uit de serie ‘ Verhalen op Schier 2021‘ 

Uitgelicht

Yoga aan zee

Het is nog vroeg in de ochtend als ik naar het strand fiets voor een lesje Yoga aan Zee. De lucht is grauw, het is behoorlijk fris en de wind waait op kracht 6 tot 7. Op het strand ontmoet ik 6 vrouwen. Waarom ontbreken bij dit soort activiteiten toch altijd de mannen? Ligt het aan het weerbericht dat precies voor mijn yoga-uurtje een flinke regenbui heeft voorspeld?

De schoenen blijven achter onder de vlonders van een strandpaviljoen en blootsvoets ga ik richting het water. “Het wordt een windyoga“, begroet de yogajuf het groepje. “Vandaag gaan we spelen met de wind.“

Langs de waterlijn, in het zand dat als een razende voort stuift, doen we eerst de Zonnegroet als eerbetoon aan alle elementen: het water, de aarde, de wind en de zon die voorlopig nog ontbreekt. Dan volgen de ademhalingsoefeningen om op zoek te gaan naar het stiltepunt in jezelf. “Want ook al raast alles om je heen en stormt het letterlijk of figuurlijk: je kunt altijd terugkeren naar je innerlijk stiltepunt. Dit rustpunt is er altijd voor jou“, bezweert de yogajuf.

En terwijl ik daar rustig inademend en uitblazend sta, laat het volgende natuurelement ongenadig haar krachten gelden: een fikse regenbui. In een mum van tijd ben ik door en door nat. Maar ach, wat geeft het? Ik heb net mijn innerlijk rustpunt hervonden en laat mij door niets of niemand uit het veld slaan. Ik adem gewoon door en zet mijn lijf moeiteloos in de stand van de krijger die danst en vecht met de wind. Mijn voeten zakken zo ver weg dat ik steviger sta dan ooit tevoren. Wat zeg ik: bijna niet meer los kom uit het brakke zand.

En omdat het zeewater best lekker van temperatuur is, lopen we gewoon de zee in om daar een heuse zeester na te doen die moeiteloos transformeert naar een albatros. Mijn kleding is doorweekt en overal kleeft zand, maar dat weerhoudt mij niet om samen met de andere deelnemers te rennen langs de vloedlijn en te dansen in de wind. Hoe gek kun je zijn?

Dik een uur later fiets ik doorweekt en blootvoets terug naar mijn appartement. De vriend schrikt als hij voor mij opendoet: als een verzopen kat sta ik voor de deur. “Was het leuk“, vraagt hij voorzichtig. “Het was geweldig“, stel ik hem gerust. Yoga aan Zee: ik heb mij volledig overgegeven aan wind, regen, zand en zee.

Namaste!

‘ Yoga aan Zee‘  is het derde verhaal uit de serie ‘ Verhalen op Schier 2021‘ 

Uitgelicht

Paal 16

Vandaag brengt een grote tractor mij naar het uiterste puntje van Schiermonnikoog; vér voorbij paal 16. Wist je dat in de afgelopen eeuw het eiland door aanwas van zand hier ruim 4 km is aangegroeid? “Schiermonnikoog wandelt richting Duitsland“, zeggen de eilanders en daarom wandel ik vandaag 4 km extra.

Het uiterste puntje van Schier heet De Balg. Geen idee waar deze naam vandaan komt, maar dat doet er ook niet zo veel toe, want op De Balg is niets anders te zien dan zee en zand. Met héél in de verte wat kleine duintjes. Het strand is hier het breedste strand van heel Europa en dat ontdek ik deze dag als geen ander. Want om van het meest Oostelijke puntje terug te komen in de bewoonde wereld moet ik meer dan 20 km door het zand ploeteren.

Het is heiig op deze vroege ochtend; precies zoals de weerman gisterenavond had voorspeld en dat maakt dat ik met moeite een kilometer ver kan zien. Hoe ik dat zo precies weet? Nou op elk strand staan palen met een nummer en de afstand tussen twee palen is precies één kilometer. Met de verrekijker lukt het mij ternauwernood om iedere keer weer de volgende paal te ontdekken.

Zo wandelend door dit weidse, lege, nevelige landschap meen ik van alles te zien. Ligt daar nou een zeehond? O God, het zal toch geen drenkeling zijn die hier op dit verlate stuk is aangespoeld! Nee, het is een jas; gelukkig. Lopen daar nou mensen? Hoe kunnen hier nou mensen zijn? Samen met de vriend ben ik als enige op dit uiterste puntje achtergelaten, dus buiten ons kán hier niemand zijn. Maar ik zie toch écht iets groots bewegen daar aan de waterlijn. Het blijkt een aalscholver te zijn die met veel vertoon zijn vleugels zit te drogen in de wind om vervolgens met een scherpe duikvlucht weer een visje uit de golven op te kunnen duiken.

Het strand is bezaaid met ontelbare scheermesjes, een keur aan schelpjes en mooie zeeappels. En ook opvallend veel dode krabbetjes die in dit stadium beter niet meer gegeten kunnen worden. In het ondiepe water vind ik een rode poon. Als ik hem teruggooi in de zee spoelt hij net zo snel weer aan. Niet meer te redden.

Na vijf uren lopen wordt het weer wat drukker op het strand. Hier maken mensen een kuiertje, spelen kinderen in ondiepe geulen, trekken surfers hun zeil omhoog en maken jongeren de ene na de andere selfie. Tocht volbracht. Vanuit het niemandsland achter paal 16 komen we weer bij de gezelligheid van paal 1.

Zo’n urenlange ‘leegte-wandeling‘; ik kan het je aanraden!

‘ Paal 16‘  is het tweede verhaal uit de serie ‘ Verhalen op Schier 2021‘  

Uitgelicht

Nelson Mandela

Ik had écht nooit gedacht dat ik nog eens een strand aan zou harken. Het lukt me al nauwelijks om thuis mijn tuintje op orde te houden. Laat staan dat ik mij dan druk zou kunnen maken over de ordentelijkheid van het strand. Maar toch… vandaag heb ik het gedaan: dat harken. Drie uur lang en samen met zo’n 20 andere mensen. Hoe het kan dat ik zo gek was? Nou dat kwam zo…

Samen met de vriend ben ik voor een weekje op Schiermonnikoog. ‘Op Schier‘ zeggen de eilanders. En juist in deze week maakt een kunstenaar elke dag in het natte zand een groot portret van een bekend figuur. Vandaag is het Nelson Mandela.

Op aanwijzingen van Lothar Bracht, want zo heet de Duitse kunstenaar die sinds kort op het eiland woont, spannen we in een vak van 30 x 45 meter allerlei lijnen. Zo wordt het grote vak handig opgedeeld in kleine vakken. Waarna Lothar razendsnel de contouren van Nelson Mandela in het zand tekent. Ondanks de zorgvuldig gekozen plek is de zee af en toe spelbreker. Door het afgaand tij trekken de golven zich weliswaar steeds verder terug, maar soms rolt het water verder het strand op dan de bedoeling is. En dan spoelt een deel van het kunstwerk gewoon weer weg.

Toch laat Lothar zich niet uit het veld slaan. ‘Keine stress‘, is zijn motto. Geduldig wacht hij tot het water zich ver genoeg teruggetrokken heeft en tekent opnieuw zijn lijnen. En dan moedigt hij ons aan. Drie uur lang ben ik keihard aan het werk. Harken, harken en nog eens harken. Langzaam komt Nelson Mandela tot leven.

Vanaf het strand kun je eigenlijk helemaal niet zien wat we maken. Maar met een drone is er geen ontkennen meer aan: met z’n allen hebben we een prachtig kunstwerk gemaakt. Een portret van een bijzondere man die waarachtig lijkt te lachen om zoveel strandplezier.

Voor even ligt Mandela mooi aangeharkt op het strand. Maar begeleid door de goudgele gloed van de ondergaande zon neemt de opkomende vloed hem weer genadeloos mee naar het hiernamaals. “A winner is a dreamer who never gives up“, roept Nelson ons nog na, terwijl hij langzaam verdwijnt in de zee.

Omdat de drone die avond tijdens opnames in de zee is gevallen, zijn de foto’s vanuit de lucht helaas verloren gegaan.

‘ Nelson Mandela‘  is het eerste verhaal uit de serie ‘ Verhalen op Schier 2021‘ 

Uitgelicht

Coquilles

Het is al weer een tijdje geleden dat ik een lekker recept met je deelde. Ondertussen eet ik heerlijk en gezond, maar niet alles komt door de ballotagecommissie die bepaalt wat wel en niet gepubliceerd mag worden. Maar nu heb ik toch weer iets lekkers dat je écht een keer moet proberen: gemarineerde coquilles op een bedje van babyspinazie en parelcouscous, omkleed met een warm prutje. Komtie!

Ingrediënten voor 2 personen:

  • 4 coquilles per persoon
  • 2 eetlepels sojasaus
  • 4 eetlepels zoete chilisaus
  • parelcouscous
  • 1 grote ui en 2-3 tenen knoflook
  • 6 zongedroogde tomaten en 2 verse tomaten
  • 2-4 geroosterde paprikarepen uit een pot
  • klein blikje bonenmix of blikje mais
  • sesamzaadjes
  • handje geweekte rozijnen
  • 100 gram babyspinazie

Meng de sojasaus en zoete chilisaus en marineer de coquilles hierin. Laat dit even staan terwijl je de andere onderdelen bereidt. Kook de parelcouscous volgens de instructie op het pak. Voeg de geweekte rozijnen toe aan de couscous en verwarm ze even mee. Snipper de ui en fruit deze aan, snijd of pers de knoflook en voeg deze toe. Snij de tomaten en voeg deze toe. Bak even alles goed door. Snij de zongedroogde tomaten en geroosterde paprikarepen klein en voeg toe. Voeg de bonenmix toe. Maak het prutje op smaak met wat (cayenne)peper en/of zout en/of kruiden naar eigen smaak. Verhit de pan. Bak de coquilles in de eigen marinade 2 minuten aan elke kant. Rooster de sesamzaadjes in een droge pan.

Maak het bord mooi op:
Spreid de babyspinazie op elk bord. Doe de parelcouscous in een klein kommetje en stort de couscous in het midden van het bord. Schep het warm prutje hierom heen. Leg de coquilles op de parelcouscous. Schep het restant van de marinade over de coquilles en garneer het geheel met de geroosterde sesamzaadjes.

Smakelijk eten!

Uitgelicht

Rijkdom

Het is mijn favoriete moment van de dag: de late namiddag / vroege avond. Niet alleen omdat ik beslist geen ochtendmens ben, maar vooral om de bijzondere sfeer die dan invalt in de natuur. Op dit tijdstip van de dag ben ik het liefst in het bos of struin ik door de uiterwaarden. Of eigenlijk is elk natuurgebied prima.

Vanaf een uurtje of vier wordt alles stiller. In het bos zijn nauwelijks nog mensen te vinden, terwijl het op de grote wegen juist druk is: heel Nederland spoedt zich huiswaarts. En terwijl iedereen zijn best doet om zo snel mogelijk thuis te komen, ga ik er het liefst op uit. Wandelend of fietsend. Heerlijk!

De wind gaat liggen. Het fluiten van de vogels verstomt want na een drukke dag gaan ze naarstig op zoek naar een veilig plekje voor de nacht. Voor de reeën voelt het bos een stuk veiliger nu iedereen weg is. Behoedzaam komen ze uit het dichte struikgewas om zich in volle glorie te laten zien aan de enkeling die nog door het bos dwaalt. De konijnen spurten uit hun holletjes en begroeten je al huppelend met hun vrolijke, witte kontjes. En in het kunstig geweven web, dat als goud schittert in de avondzon, wacht de spin nog even op een laatste prooi.

Op zo’n moment fiets of wandel ik als een trotse grootgrondbezitter door mijn natuurgebied. Het bos is helemaal van mij! En van de dieren natuurlijk.

Wat een rijkdom!

Uitgelicht

Appeltje voor de dorst

Vandaag heb ik een tochtje voor de boeg van ruim 70 km. Ik kies er niet voor om de kortste weg te pakken; ik ga voor de mooiste weg. En dat brengt mij door het bos, de meanders van Rijn, Waal en Maas en door boomgaarden en weilanden. Normaal gesproken pak ik de pontjes, want dat past perfect in zo’n mooie route, maar alle kleine pontjes liggen er nog altijd uit vanwege de Coronacrisis. Dus worden het twee bruggen en één pont.

Na zo’n 35 km krijg ik trek. Bij een stop vind ik wel mijn mueslireepjes in mijn achterzak, maar grijp ik mis op mijn fruithap. Verdorie, een heerlijk appeltje thuis op het aanrecht laten liggen.

Als ik mijn tocht vervolg, kom ik al gauw langs een flinke boomgaard waar een grote groep mensen druk doende is met het oogsten van de appels en peren. Vanaf de weg kan ik de grote, rode appels lonkend zien hangen. Wat zou ik graag zo’n lekker appeltje voor de dorst hebben.

“Kwartiertje plukken in ruil voor een paar appels”, roep ik tegen de mannen. “Kom maar op”, roepen ze vrolijk terug. En rap zet ik mijn fiets tegen een flinke boom en ga aan het plukken. Een kwartier later heb ik een flinke mand vol. Triomfantelijk zet ik hem voor de voeten van de teler. Hij kan de actie wel waarderen en zegt: “Neem zo veel appels als je wilt. Je hebt het verdiend.”

Maar je moet het eens proberen: om méér dan drie appels mee te nemen in je fietsshirt… Gaat niet. Dus eet ik er twee ter plekke op en bewaar er eentje als bewijs voor het thuisfront.

Want ja… een sterk verhaal is zo verzonnen, maar geloofd worden is een stuk moeilijker.

Uitgelicht

Op hol geslagen

Mijn hart klopt in mijn keel; akelig snel en zó hard dat iedereen het zou kunnen horen. De schrik zit er goed in nu alles erop wijst dat ik verdwaald ben in dit grote donkere bos. Hoe heb ik zo stom kunnen zijn? Om op dit tijdstip zonder navigatie en zonder telefoon op pad te gaan? En dan óók nog een weg door het bos kiezen!

Het was deze middag mijn bedoeling om slechts een kort fietstochtje te maken, maar naar het zich nu laat aanzien, pakt dit helemaal verkeerd uit. Het kan wel eens een latertje worden vandaag. Als ik tenminste ooit nog uit dit verdomde bos kom. Het begint al te schemeren en door het dichte gebladerte lijkt het bos sowieso een stuk donkerder.

Nergens zie ik een aanwijzing. Geen fietsknooppuntenkaart. Geen ouderwetse ANWB paddenstoel en geen vertrouwenwekkende voorbijganger die ik even om raad kan vragen. De enkeling die ik wél tegenkom ziet er zo louche uit dat ik er niet over peins om ook maar iets te vragen. Ik zag zojuist twee jonge knapen op een brommertje. Wat doen die eigenlijk hier op deze afgelegen plek in het bos? Die zullen vast niet veel goeds van plan zijn dus maar beter om zo hard mogelijk bij ze vandaan te fietsen. Of dan die oudere man in zijn sjofele kleren op zo’n oude damesfiets. Waarom rijden dit soort kerels toch altijd op een oude damesfiets? Dat moet wel een engerd zijn; kan niet anders. Wegwezen dus en maken dat ik uit dit bos kom.

Kon ik maar even rusten, heel even op een bankje zitten, want mijn benen zijn zó moe. Maar nee, dat kan niet. Ik moet doortrappen, doortrappen en nog eens doortrappen, omdat ik niet weet waar en wanneer deze nachtmerrie eindigt. Ik ben hartstikke verdwaald en ongelooflijk bang. En die angst houdt mijn benen in beweging. Ik kijk nog maar eens om in de veronderstelling dat er iemand met slechte bedoelingen vlak achter mij fietst, maar het grote bos is helemaal leeg. Alleen de vogels fluiten alsof er niets aan de hand is. Maar dat is er wel: er is heel veel aan de hand. Tenminste…

Opeens sta ik aan de rand van het bos en herken ik de weg die met nog zo’n 25 km te gaan gewoon bij mijn huis uitkomt. Nu ik uit het bos ben, blijkt de zon nog volop te schijnen. Zo donker was het dus helemaal nog niet.

Fantasie…. wat kan een eenmaal op hol geslagen fantasie je toch gek maken! Want er is niets, écht helemaal niets aan de hand. Dus fiets ik op mijn gemak naar huis om een uurtje later fluitend mijn straatje in te rijden.

Uitgelicht

Het veulentje dat een panter wilde zijn

Dat ook dieren af en toe worstelen met hun geaardheid en identiteit bleek laatst maar weer eens. Bij de bekende paardenfokker Hartman was een goudbruin veulentje geboren. De fokker liet het vol trots aan iedereen zien. Al snel stond het veulentje op zijn stevige beentjes en keek het onverschrokken om zich heen. Maar die dappere blik werd enigszins ontkracht door het fluweelzachte vachtje en de dikke, lange wimpers die haar grote, donkere ogen omfloersten.

De eerste maanden groeide het veulentje gemakkelijk en gelukkig op. So far so good. Als hij met de jongens onder de paarden speelde, was hij flink aan het ravotten en aan het rennen. En rennen kon hij; elke dag weer een beetje harder. Maar als het paardje met de meisjes speelde, maakte het frivole huppelpasjes. “Misschien wordt het toch wel meer een dressuurpaard”, dacht fokker Hartman verlekkerd als hij haar zo bezig zag. Maar toen het paardje voldoende gegroeid was en de fokker het beestje onder het zadel wilde brengen, begon het dier woest te stampen en te briesen. Na heel veel pogingen concludeerde de fokker dat dit paard nooit bereden zou kunnen worden.

Op een dag zette de fokker alle paarden in de wei. Het jonge paardje kreeg een deken met zebraprint tegen de horzels en de vliegen. Maar alle paarden lachten hem uit: “Jij bent geen paard, jij bent een zebra.” En de een riep: “Misschien weet je wel helemaal niet wie je bent.” Waarna een ander snoof”: “Je wilt geen hengst zijn, maar ook geen merrie. Geen renpaard en geen dressuurpaard. Maar wat ben je dan wel?”

Verdrietig moest het paardje bekennen dat hij het ook niet wist. En toen bedacht iemand dat hij maar eens in de nabijgelegen dierentuin moest gaan kijken. Misschien dat hij daar zijn ware aard kon ontdekken. Zo gezegd, zo gedaan.

Het paardje liep langs de olifanten. Wat waren ze dik en sloom. Nee, daar wilde hij zich niet mee identificeren. De apen dan? Maar die waren zo nieuwsgierig en brutaal dat het zéker niets kon worden. De slang vond hij te glibberig en gemeen, de vogels te luidruchtig en zo ongedurig. De beren waren te lui, de vlinders te kwetsbaar, de pissebedden te klein en de giraffe te groot. En net toen het paardje dacht dat hij hier nooit zijn identiteit zou vinden, zag hij opeens een klein pantertje. Stoer en nergens bang voor. Snel en niet moe te krijgen. Maar ook superzacht en zó lief zoals hij daar lekker in het zonnetje lag te snorren. En toen wist het paardje het zeker: dit is wie ik ben: ik ben een panterpaardje.

Opgetogen rende hij terug naar de stal en vertelde iedereen die het wilde horen dat hij voortaan een panterpaardje was. En om zijn hervonden identiteit te bekrachtigen, bestelde fokker Hartman een dek met een heus panterprintje. Vanaf die dag staat het paardje met opgeheven hoofd te pronken in de wei. De andere paarden zijn inmiddels diep onder de indruk van dit dappere veulentje dat geen paardje wilde zijn, maar nu het beste panterpaard van de stal is.

Bij de stal van fokker Hartman wappert voortaan vol trots de regenboogvlag. En alle dieren leefden nog lang en gelukkig.

Deel 1.0 uit de serie: Kinderverhalen voor volwassenen
(Lees ook het tweede verhaal uit deze serie over het tegendraadse boompje)

Uitgelicht

Kruidenier

De bomen in het grote, donkere bos zijn zwart van de zware regenbuien. Hun takken buigen diep door onder zoveel nattigheid. Geen mens is zo gek om nu op pad te gaan, behalve één. In het bos dat door deze weersomstandigheden bijna mystiek is te noemen, manoeuvreer ik mijn fiets behendig langs en door de diepe plassen. Langzaam verander ik in een modderbaal; mijn voor- en achterkant zijn nauwelijks nog van elkaar te onderscheiden zo vies word ik van al het opspattend water.

Wat ik hier aan het doen ben in al deze zompigheid? Ik heb een fiets-tweedaagse gepland en hoop na de barre tocht van vandaag aan te komen bij een lieflijk vakantiehuisje gelegen in het prachtige natuurgebied de Loenermark. Op de valreep heb ik het Zen-huisje nog voor één nachtje kunnen reserveren; voor de rest zat het maanden volgeboekt.

Er was regen verspeld voor vandaag; daar waren alle weer-apps heel duidelijk over. Maar de buien zouden in de loop van de ochtend naar het Oosten wegtrekken en ons land verlaten. En dát hebben ze dus niet gedaan. Welke kant ik ook op kijk: overal zie ik dreigende, donkere luchten waar om de haverklap een fikse regenbui uitvalt.

Door en door nat nader ik aan het einde van de middag mijn bestemming. Nu nog iets te eten zien te scoren en dan zul je mij voor de rest van de avond niet meer horen of zien. “Kan ik het eigenlijk wel maken om zo vies een winkel binnen te gaan”, vraag ik me hardop af. “En waar vind ik eigenlijk in dit Godvergeten gat een supermarkt”, mompel ik er achteraan. Want ik zie alleen maar verlaten straatjes en niets dat op een dorpskern, laat staan een winkelcentrum, lijkt.

Ik besluit het maar gewoon even aan een voorbijganger te vragen. De oudere heer die ik aanspreek, kijkt mij bedenkelijk aan als ik hem vraag of ‘ik hier ergens een winkel kan vinden.’ Even denk ik dat de man mij niet wil helpen omdat hij het geen supermarkt aan kan doen om zo’n smeerpoes binnen te laten. Maar het blijkt iets anders. “Een winkel, een winkel,” zegt de man nadenkend. “Bedoelt u soms een bakker of een kruidenier?” Met een bakker zou ik al heel tevreden zijn, maar een kruidenier. Bestaan die nog? Zou ik 30 jaar jonger zijn geweest dan zou ik de grijsaard nu verbaasd hebben aangekeken. Want wie kent het prachtige oud-Hollandse woord ‘kruidenier’ nog? Maar ik ben iets ouder en kan me bij deze aanduiding nog maar al te goed een voorstelling maken. En dus wijst de man mij met veel armgebaren linea recta naar Neerlands grootste grutter.

Een half uurtje later zijn de boodschappen gedaan en sta ik onder een warme douche. Ik verheug mij op een rustige avond en hoop bovenal op een drogere tocht op de tweede dag van mijn kleine fietsvakantie.

Moraal van dit verhaal: vertrouw gerust op de aanwijzingen van een oude heer, maar wantrouw de weer-apps.

Uitgelicht

Oma

Al ruim twee jaar ben ik een soort oma: een bonusoma kun je wellicht beter zeggen. Want waar ik – door de afwezigheid van kinderen – nooit het genoegen van eigen kleinkinderen zal meemaken, is er toch een klein jochie dat mij vol overtuiging ‘oma’ noemt. En hij mag dat en ik geniet! Maar dat wil niet zeggen dat iedereen mij zomaar ‘oma’ mag noemen. Ben je nou helemaal gek?

Het voelde dan ook écht als een belediging toen ik laatst tijdens mijn trainingsrondje op de fiets door een jonge vader als ‘oma’ werd aangeduid. Het kwam zo:

Ik zat op mijn racefiets en had er lekker het tempo in. In mijn kekke fietspakje en voortjakkerend op mijn flitsende Merida voelde ik mij eerder een jonge meid dan een zestig-plusser. Mijn grijze krullen zaten goed verstopt onder mijn fluoriserend groene, aerodynamische helm. Deze beschrijving is belangrijk om jullie even een goed beeld te geven van de dynamiek waarin ik mijzelf waande.

In de verte zag ik mensen midden op het fietspad staan. Gebeurt wel vaker, maar over het algemeen zijn het dan uitgebreid-kletsende-vriendinnen of nadrukkelijk-om-zich-heen-kijkende-ANWB-stelletjes en soms zelfs hele families die abrupt stil gaan staan tijdens het jaarlijks uitje.

Maar deze keer ging het om een jonge vader en zijn zoontje van een jaar of drie. De vader stond met de fiets aan de hand aan de ene kant van het pad; het kind met een mokkend gezicht en de armpjes strak gekruist aan het andere kant van het pad. En in plaats van dat de vader naar het jochie toe ging, stond hij alleen maar luid te roepen. Ondertussen heftig gebarend dat het manneke op zijn fietsje over het drukke fietspad naar hém toe moest komen. Niet echt slim, als je het mij vraag. Dus gaf ik op tijd en hard een belletje.

Maar de vader keek niet op of om en ging onverminderd door met roepen en gebaren. En dus moest ik vol in de remmen om het kleine joch te ontwijken. “Maar goed dat die oma zo hard kan remmen”, riep de sukkel nog naar zijn zoon.

En een gigantische sukkel was het. Want waar zijn kind gered was, lag mijn ‘verheerlijkte zelfbeeld’ compleet aan diggelen. Nou ja… voor even dan.

Uitgelicht

Zeuren en zagen

Vrouwen kunnen ongelooflijk ‘zeuren en zagen’. Ik ben zelf een vrouw, dus ik vind dat ik dat mag zeggen. Ik zal je een voorbeeld geven: Na een uurtje flink sporten staan we nog even met elkaar te praten. “Waar ga jij op vakantie?” is de openingsvraag van de een. Tot zover nog niets aan de hand. Maar dan komt het vervolg:

“Wij blijven dit jaar thuis”, zegt de ander. “Al kan ik dat geen vakantie noemen. Mijn man vindt het heerlijk; die doet alsof hij in een luxe hotel zit. Maar voor mij gaat alles gewoon door: poetsen, koken, wassen, opruimen. Nee zo heb ik echt géén vakantie!” En met deze ontboezeming is het hek volledig van de dam: alle vrouwen in het gezelschap gaan helemaal los op een gemeenschappelijk leed: de man.

“Mijn vriend vroeg mij laatst of ik hem wilde leren hoe hij de was moet doen”, bekent een van de vrouwen vol afschuw. “Nou, ik heb hem verteld dat hij eerst maar eens moet leren om de was in de wasmand te gooien in de plaats van op de grond. En dat ik hem – als hij weet hoe hij de mand naar boven moet brengen – wel zal leren hoe de machine werkt.”

Totaal verbouwereerd hoor ik dit geklaag van mijn sportmaatjes aan. Wat zijn dat voor ongeëmancipeerde monsters waar deze hardwerkende vrouwen mee samenleven? Zijn de zwaar bevochten overwinningen van onze Dolle Mina’s uit de zestiger jaren en van al die dappere feministes nadien, volledig aan hun huisje voorbij gegaan?

Maar dan hoor ik iets dat mij totaal van gedachte doet veranderen. “Als mijn zoon de vaatwasser inruimt, gebeurt dat nooit zoals ik dat wil”, roept een van de vrouwen verontwaardigd. “En als de andere zoon de keuken moet opruimen, deugt er ook al niets van. Ik kan het allemaal veel beter zelf doen. Ik heb hem laatst maar weer eens verteld hoe het nou eigenlijk moet. Je begint in de ene hoek, gaat de hele keuken door en eindigt in de andere hoek. En op je weg door de keuken neem je álles mee wat je tegenkomt: je maakt het schoon, ruimt het op en zet het weg. Pas dán ben je klaar! Is dát nou zo moeilijk?”, besluit ze haar relaas met een diepe zucht.

“Moet het echt altijd op jullie tijd en op jullie manier?” vraag ik de vrouwen waarbij ik mij realiseer dat ik een vraag stel ‘met het nodige gevaar voor eigen leven’. Zeven hoofden draaien mijn kant op en kijken mij uiterst verbaasd en hier en daar zelfs met onderdrukte boosheid aan.

Maar dan – heel langzaam – breekt er bij één het besef door. “Je hebt gelijk: het moet altijd op mijn moment en op mijn manier; anders ben ik niet tevreden. Nou je het zegt: ik geloof dat ik zelf de veroorzaker ben van al dit leed. Ik ga het anders doen. De komende vakantie thuis laat ik de rotzooi gewoon liggen, haal ik de boodschappen niet meer zonder overleg in huis en blijft de stofzuiger in de kast. En ik begin eens met lekker uitslapen. Wat een inzicht! Eens kijken wat dit mij de komende vakantie gaat brengen.”

En met een vrolijke groet gaan we uit elkaar.

Fijne vakantie dames!

Uitgelicht

Geniet ervan!

Vorig jaar zomer kampeerden de vriend en ik in het mooie Twente. De kleine boerencamping werd bestierd door een echtpaar op leeftijd waarbij de mevrouw bij het krieken haar dag begon met uitgebreid koffieën en kletsen met elke vroege vogel op de camping die zich daarvoor leende. Vervolgens ging zij in de loop van de ochtend met een Franse slag door het sanitairgebouw, omdat zij van mening was dat deze klus eigenlijk door de campinggasten zelf geklaard moest worden. ’s Middags scheurde zij in haar scootmobiel langs alle caravans en tenten om met elke campinggast uitgebreid een praatje te maken. Steevast sloot zij deze ontmoetingen af met de vrolijk uitgesproken opdracht: “Fijne dag. Geniet ervan!”

Tijdens een wandeling moest ik weer aan deze campingmevrouw en haar dagelijkse opdracht denken. En prompt besloot ik om haar op te bellen en haar gewoon eens te vragen naar de achtergrond van de frequent uitgesproken groet. Dat werd een bijzonder verhaal dat ik hier – met haar goedkeuring – mag vertellen.

“Dag mevrouw. Afgelopen zomer bivakkeerden de vriend en ik bij u op de camping. We hebben genoten van het mooie Twentse land. Maar waar ik nog altijd zo benieuwd naar ben… elke dag bezocht u álle campinggasten om uw bezoekje steevast af te sluiten met de opdracht: Fijne dag, geniet ervan! Waar komt deze bijzondere afsluiting toch vandaan, als ik u vragen mag?”

Aan de andere kant van de lijn bleef het akelig stil. Bang dat ik de vraag verkeerd gesteld had, vroeg ik haar kleintjes: “Heb ik u beledigd?” “Nee,” zuchtte de mevrouw, “maar ik zit te denken hoe ik je het verhaal zal vertellen.” En ze begon gewoon maar bij het begin.

Op 30-jarige leeftijd was ze getrouwd met haar huidige man die boer was en dik tien jaar ouder dan zij. Niet echt een huwelijk uit liefde, maar meer uit noodzaak om thuis weg te kunnen vluchten van een moeilijke jeugd. Ze had nooit de bedoeling gehad om boerin te worden, maar werd het door het vele werk op de boerderij noodgedwongen wel. Ze had het allemaal meegemaakt. Van het melken met de hand tot het computergestuurd voeren en melken wat haar jongste zoon nu deed. Na veel geruzie over de mogelijke opvolging waren drie zonen met hun gezinnen naar elders vertrokken en had de jongste het bedrijf overgenomen. Na 40 jaar hard werken, met een kapotte rug, heupen en knieën als resultaat, had ze gehoopt dat nu haar tijd zou komen. Ze wilde gaan reizen; misschien nog iets gaan studeren. Maar vooral wilde ze lid worden van allerlei gezellige clubjes. Het pakte anders uit.

Toen haar man met pensioen ging, bleek er helemaal geen pensioen te zijn waardoor de armoede dreigde. Zonder overleg toverde haar man de lege akkergronden om tot een camping ‘die hij wel zou beheren, maar zij sociaal moest bestieren’. En wéér ging een droom aan flarden. Want van reizen in de zomermaanden kwam ook nu niets meer terecht. Laat staan van de clubjes en de studie.

Maar de mevrouw weigerde te gaan klagen en besloot haar talent tot ‘social talk’ ten volle in te zetten op de camping. En daarom begint iedere dag met een uitgebreid praatje met de vroege vogels, heeft ze een hekel aan het noodzakelijk poetsen, maar geniet ze van haar dagelijks rondje over de veldjes. Er zijn mensen die elk jaar terug komen; bezoekers die haar in hun verhalen meenemen op verre reizen.

De kampeerperiode is de mooiste tijd van het jaar en ook al zijn haar dromen niet uitgekomen, er is volgens haar nog altijd veel om van te genieten. “En dát wil ik de mensen zeggen; elke dag weer. Zodat ze straks niet denken: had ik maar wat meer genoten”, besluit ze haar verhaal met een lichte snik in haar stem.

Ik bedank haar oprecht en neem me voor om nóg meer te genieten. En ik beloof haar dat ik haar prachtige boodschap ook via mijn blogs verder de wereld in zal sturen.

Dus zeg het voort: Fijne dag. Geniet ervan!

Uitgelicht

Pilav

“Kun je eens een keer Pilav maken?”, vroeg de vriend mij laatst. Pilav, Pilav…. dat is toch iets met rijst en kip en abrikozen? In mijn studententijd aten we dat vaak, maar sindsdien heb ik het nooit meer op tafel gezet. Ik moest dus op zoek naar het recept. Het heeft even geduurd voordat ik de Pilav van vroeger weer op tafel wist te toveren. Maar onderstaand recept komt aardig in de buurt. Ik ben maar wat blij dat dit heerlijke gerecht weer terug is in mijn keuken. Geef vooral je eigen draai aan het recept en maak het gerecht beslist een dag van tevoren: maakt de Pilav nóg lekkerder.

Voor 4 personen:

  • 300 gram rijst
  • 200 gram cashewnoten, 1 ui en 2 teentjes knoflook
  • 250 g champignons en 2 paprika’s (rood en geel)
  • 1 tl kaneel, 1 tl komijnpoeder, blokje groentebouillon, 2 blaadjes laurier, 2 steranijs
  • 250 g cherrytomaten en 1 Spaanse peper
  • klein pakje tomatenpuree
  • 50 g rozijnen en 1 bosje munt
  • 400 g perzik uit blik
  • 300 g kikkererwten uit blik of tuinerwten uit de diepvries
  • zout/peper

Verhit een koekenpan zonder olie en rooster hierin de cashewnoten bruin. Leg ze even apart. Kook de rijst volgens de instructie op de verpakking.

Snipper de ui en hak de knoflook fijn. Fruit ui en knoflook met een scheutje olie in een hapjespan. Snij de champignons, de paprika en de Spaanse peper en voeg deze toe aan de pan. Bak het ongeveer 5 minuten.

Voeg de kaneel, komijnpoeder, groentebouillonpoeder en tomatenpuree toe. Voeg eventueel wat vocht van de perziken toe als je het gerecht nog wat smeuïger wilt maken. Voeg de rozijnen, de steranijs en laurierblaadjes toe. Halveer de cherrytomaten en voeg deze toe. Roer het geheel goed door en doe de deksel op de pan. Laat het gerecht zo’n 10 minuten op een laag vuurtje pruttelen.

Snij intussen de halve perziken in partjes. Spoel de kikkererwten schoon en voeg deze toe aan de Pilav. Maak de Pilav af met de cashewnoten en een paar blaadjes munt en serveer dit heerlijke prutje met de gekookte rijst.

Eet smakelijk!

Uitgelicht

Teakwondo

Het tempo zit er lekker in als ik op het smalle bospad twee vrouwen zie lopen met een grote, witte hond. Even een belletje, want zo’n loslopende hond wil ik niet voor mijn wielen krijgen. De dames gaan meteen aan de kant en roepen de hond bij zich. Maar die luistert vandaag lekker NIET. Al blaffend en happend naar mijn fietsende benen zet hij de achtervolging in.

Nou moet je weten dat ik al van jongs af aan doods- en doodsbang ben voor honden; ongeacht soort of maat. Dus ook deze woeste, witte herder jaagt mij onmiddellijk de stuipen op het lijf.

“Dit doet ze anders nooit”, roepen de twee dames in koor. Maar in een reflex geef ik het witte monster een goed gemikte teakwondotrap waarna het beest zich jankend uit de voeten maakt om het vege lijf te redden.

“Doet ze anders nooit”,  roept de vriend verschrikt en snel maken we dat we wegkomen. De twee dames verbouwereerd achterlatend.

Uitgelicht

Lieve dokter (5/5)

Natuurlijk wil ze mijn oog even goed onderzoeken; geen probleem. Het is zaterdagavond 22.30 uur en ik ben op de huisartsenpost van het Beatrixziekenhuis in Gorinchem. Eerder deze avond stond ik lekker onder de douche op de camping en toen gebeurde wat élke lenzendrager vreest. Ik droogde mijn gezicht een beetje te hardhandig af en dacht mijn lens te verschuiven. Met geen mogelijkheid kreeg ik hem weer op zijn plaats geduwd. Zat de lens eigenlijk nog wel op mijn oog? Had ik met mijn ruw gewrijf over mijn gezicht de lens niet uit mijn oog gewipt? Op de tast ging ik de hele douchevloer na ondertussen gruwelend van alle viezigheid die je op de douchevloer van een camping tegen kunt komen. Maar natuurlijk geen lens te bekennen. En mijn oog voelde zó irritant dat de lens daar wel moest zitten. Dus snel terug naar de tent, het rechteroog angstvallig gesloten houdend. Gewapend met een zaklamp zou de vriend de lens wel terug kunnen vinden.

“Ja, ik zie hem duidelijk zitten”, stelde de vriend mij gerust, “maar hij zit wel heel erg ver onder je ooglid verstopt. Hoe krijgen we die weer terug op zijn plek?” Mijn oog zag ondertussen vuurrood van al het wrijven en duwen en deed flink pijn. “Ik bel de huisartsenpost” zei ik tenslotte ten einde raad, “want zo kan ik de nacht niet in.”

En dus belde ik het nummer van de huisartsenpost waarna een allervriendelijkste dame mij vertelde dat ‘ik beter eerst even langs alle tenten kon gaan op zoek naar een zuignapje. Want met zo’n handig zuignapje moest ik de lens volgens haar zélf wel uit het oog kunnen halen.’

Ik zie me al langs al die tentjes gaan; de een kampeert nog primitiever dan de ander en met de hygiëne is het op een natuurcamping met weinig voorzieningen ook niet altijd even prettig gesteld. ‘Wist deze triagemevrouw dat wel?’, vroeg ik haar met enige verontwaardiging in mijn stem. ‘Ik had professionele hulp nodig en wel nu!’ En dus mocht ik na lang aandringen langskomen.

En toen was daar die alleraardigste dokter die meteen zei: “Ik krijg die lens wel uit je oog hoor. Geen probleem! Goed dat je bent gekomen.” En meteen zette ze een grote lamp op mijn oog, draaide mijn ooglid binnenste buiten en ging aan het zoeken. En wat denk je… niets te vinden. “We kijken nog een keer”, zei de lieve dokter vol geduld waarna ze de vriend maande om even mee te kijken. Maar waar hij eerder nog iets meende te zien dat op een lens had geleken, was er nu niets meer te bekennen.

“Toch door het putje gespoeld”, zei de dokter meewarig, want ze vond het oprecht jammer voor mij. En met een klein lesje ‘oogbolkunde’ op internet sloot ze het consult af. “Waar de lens is, weet ik niet, maar niet op uw oog. U kunt met een gerust hart gaan slapen.” En zachtjes duwde ze ons naar de deur om de volgende patiënt al weer vrolijk en vriendelijk te begroeten.

Dag lieve dokter, dank u wel voor dit alleraardigst consult.

‘Lieve dokter’ is het laatste verhaaltje uit de serie ‘Vakantie in de Biesbosch’.

Uitgelicht

Campingdisco (4/5)

Vanaf de vroege ochtend is het al het gesprek van de dag. Er staat iets te gebeuren wat voor natuurcamping De Knotwilg geen pas geeft. Want vanaf een uur of tien verzamelen zich steeds meer jonge gasten op het campingveldje aan het grote water. Vier van die knapen gaan direct aan de slag met het opzetten van felgroene tentjes. Naarmate de tijd vordert, prijken er steeds meer. Drie andere jongens zijn druk doende met het opbouwen van een partytent, compleet met discolichten. En de anders zo rustige campinggasten spreken er schande van. Want ‘wat moet zo’n groep jonge kerels nou op een natuurcamping? Hier is toch voor deze gasten niets, maar dan ook niets te beleven!’

Een ouder echtpaar, hij met witte sokken in de Mefisto sandalen, zij met een belachelijke zonnehoed op de wanhopig geverfde haren, stelt voor om een handtekeningenactie te starten. “Want ik wil onder geen voorwaarde vanavond in de herrie zitten”, merkt mevrouw snibbig op. “Heb je gezien dat ze de bierkratten al klaar hebben staan?”, voegt een campingbewoner er verontwaardigd aan toe. “Ik ga kijken of ik de beheerders alvast kan waarschuwen”, besluit een ander resoluut en in rap tempo beent hij naar de ingang van de camping.

En zo is iedereen druk in de weer met het leed dat wordt gevreesd, want dan lijdt een mens het meest.

En de jongens, uiteindelijk 13 in totaal, zitten vanaf de middag tot de late avond gewoon gezellig pratend bij elkaar in een kring. De gifgroene tentjes als een vrolijk lint om hen heen gedrapeerd. Geen harde muziek, geen biergelal en nergens een onvertogen woord.

Maar dan hoor ik in de verte een kerkklok 23.00 uur slaan. En waar het in elke normale stad op dit tijdstip van de zaterdagavond partytime moet zijn, barst op natuurcamping De Knotwilg een angstaanjagend onweer los; compleet met een gigantische wolkbreuk. Bliksemschichten jagen over het veldje. Donderslagen maken dat je elkaar onmogelijk nog kunt verstaan. En de regen klettert genadeloos neer op de schamele tentjes. Wat een natuurgeweld. Niet te geloven.

En terwijl alle campinggasten zo snel mogelijk een veilig heenkomen zoeken, kruipen de 13 knapen bij elkaar in hun partytent om deze grootse lichtshow met bewondering te aanschouwen. Biertje erbij: prachtig. De kerels kunnen deze ‘discoherrie’ van de natuur wel waarderen.

Staat de Biesbosch niet bekend als het ‘lawaaiigste stiltegebied van Nederland’? De bewoners van natuurcamping De Knotwilg weten nu dat dat écht zo is.

Campingdisco’ is het vierde verhaaltje van vijf uit de serie ‘Vakantie in de Biesbosch’.

Uitgelicht

Altijd wat… (3/5)

De temperaturen stijgen naar tropische waarden en dus rest mij niets anders dan een plekje te zoeken in de schaduw. In tegenstelling tot hetgeen de naam doet vermoeden, is het vinden van een streepje schaduw best een hele opgave op natuurcamping De Knotwilg. Om de 10 minuten moet ik mijn stoel verschuiven, want de koperen ploert, die vol op mijn tentje staat te branden, is genadeloos en doet er alles aan om het beetje schaduw dat ik nog heb in te pikken.

Terwijl ik loom van de warmte wat wegdoezel in mijn luie stoel en de vriend maar weer eens een poging doet om het boek met de wel héél toepasselijke titel ‘Niksen, the dutch art of luieren’ van Olga Mecking te lezen, komen twee jonge mensen met volgepakte rugzakken de camping op gelopen. Verhit gooien ze de bagage van de pijnlijke schouders en kijken wat rond op het veldje.

‘Geen schaduwplekje te bekennen’; dat had ik je al wel kunnen vertellen. De twee lijken het niet helemaal eens te zijn, maar uiteindelijk pakt de jongen zijn rugzak uit en begint met het opbouwen van het tentje. Waarna het meisje boos en met een uiterst ontevreden gezicht wegloopt.

De jongen bouwt rustig door en als het kleine tentje staat, komt het meisje weer terug. Druk gebarend praat ze op de jongen in. Regelmatig wijst ze naar de brandende zon en de schaarse schaduwplekjes die allemaal door andere campinggasten in gebruik zijn genomen. Dan breekt de jongen het tentje weer op, pakt zijn rugzak netjes in en gooit de zware rugzak over de nog altijd pijnlijke schouders. Om vervolgens met een olijke lach op zijn gezicht en een groet naar de toeschouwers weer op pad te gaan. Even later zie ik de twee gaan over de lange dijk.

Op natuurcamping De Knotwilg gebeurt écht altijd wat!

‘Altijd wat…’ is het derde verhaaltje van vijf uit de serie ‘Vakantie in de Biesbosch’.

Uitgelicht

Echte liefde! (2/5)

“Dat is nog eens echte liefde”, zegt de vriend vertederd. Het is nog vroeg in de ochtend. Na een paar uur vogelen in de rietkragen van de Biesbosch komen we weer terug bij de auto. Een ouder echtpaar komt ons tegemoet. Zij met stevige wandelschoenen en rollator. Hij met zonneklep en wandelstok. De sokken hoog opgetrokken over de nog witte benen en de mouwen stijf dichtgeknoopt. Beslist geen overbodige luxe, want zo ’s morgens vroeg stikt het hier van de muggen en ze steken venijnig kan ik je vertellen.

“Gaan jullie ook vogels kijken?”, vraag ik het echtpaar als we elkaar passeren. Meteen blijven ze allebei stilstaan. “Heb je iets moois gezien?”, vraagt de oude dame. En ik vertel haar over de vele rietzangers, de groenling, de zwartkopmeeuw, de kleine en de grote zilverreiger, over de kuifeend en de bergeend en al die andere eenden die ik (nog) niet ken en natuurlijk over de bever én de visarend die hier al veelvuldig gespot zijn.

“Wij komen hier al van jongs af aan”, zegt de oude heer. “Mijn vrouw heeft mij de liefde voor het vogelen bijgebracht en de schoonheid van de Biesbosch op het vroege uur laten zien. Dus zo lang het nog gaat, komen we hier elke zomer terug. Al moeten we kruipen”, voegt hij er heldhaftig aan toe. En langzaam schuifelt het lieve echtpaar verder over het smalle pad op zoek naar al het moois dat hier komt overzomeren.

Wat is dat toch mooi: die zorgzaamheid waarin mens en dier elkaars gelijken zijn. Want net zag ik nog een moedereend met een hele sliert kleintjes achter zich aan zwemmen en ook de zwanen houden hun donzige kuikens nauwlettend in de gaten. De kievit maakte zojuist nog met veel lawaai een duikvlucht om ons te verjagen toen we in de buurt van haar nest kwamen. En ook de Schotse Hooglanders staan in de zorgzame stand. Blijf uit de buurt van een kalfje, want voor je het weet, neemt moeder je op de horens.

“Kom”, zegt de vriend. “ik ga een ontbijtje voor je maken met een lekker kopje koffie. Al dat vogelen heeft je vast hongerig gemaakt.” En ook in deze opmerking schuilt zo veel zorgzaamheid en liefde dat mijn dag niet meer stuk kan. Echte liefde!

‘Echte liefde!’ is het tweede verhaaltje van vijf uit de serie ‘Vakantie in de Biesbosch’.

Uitgelicht

De knotwilg (1/5)

Daar staan we dan op natuurcamping De Knotwilg; midden in de Biesbosch. Om ons heen tientallen kleine trekkerstentjes. En fietsen; heel veel sportieve fietsen: racefietsen met slechts een enkel tasje en toerfietsen; soms met aanhangertje. Maar ook een paar elektrische fietsen met de bekende felgekleurde tassen.

Op deze camping weinig caravans en bungalowtenten. Hier kruipen de gasten bij het vallen van de nacht in piepkleine onderkomens om er ’s morgens bij het krieken van de dag weer vrolijk uit te kruipen. Een stoere jongeman heeft zelfs niet meer dan zijn slaapzak en een flinterdun, zwevend afdakje dat hem moet beschermen tegen regen en kou.

Maar er zijn ook camperbusjes. Van die ouderwetse Volkswagenbusjes waarbij je het dak uit kunt schuiven voor wat extra ruimte. Busjes die toebehoren aan ‘oudere jongeren’ die met trots hun lange, grijze staart dragen ter compensatie van de kalende schedel. En ’s avonds zijn er kampvuurtjes en speelt een jonge vrouw zachtjes op haar gitaar. Terwijl de koekoek onophoudelijk zijn roep laat horen. Koekoek, koekoek, koekoek…

Samen met al die natuurliefhebbers kijk ik uit over het water en ontdek tal van vogels. De lepelaars waden rustig op de ondiepe plekken. Het visdiefje maakt indrukwekkende duikelingen op het water. De grutto roept onophoudelijk zijn eigen naam. De reigers, klein, groot, zilver, paars, zijn in grote getale aanwezig. Net als de vele ganzen en eenden die foerageren in dit waterrijk gebied terwijl hun donzige jongen door het hoge gras dartelen. Maar ook de boerenzwaluwen, de kwikstaartjes, de tureluur, de kluut en de fuut en natuurlijk de rietgors, de rietzanger en alle soorten mussen… ze zijn er allemaal. Allemaal even mooi en indrukwekkend.

Al is het de visarend – en nóg veel meer de zeearend – die de show écht weet te stelen. Dagelijks worden beide vogels boven het water gespot. Als alle vogels met luid kabaal opvliegen, weet je dat een van hen in de buurt is. Met zijn grote klauwen grijpt de zeearend met gemak een gans of konijn en geen enkel jong is veilig voor deze nietsontziende rover.

Hier op camping De Knotwilg, midden in de Biesbosch, lijkt het of we terug gaan in de tijd. Iedereen is aardig, geeft elkaar als vanzelf meer dan 1,5 meter ruimte en geniet van de overweldigende schoonheid van de natuur die zich zonder terughoudendheid steeds weer aandient.

De zon zakt vuurrood in het water. De vogels laten nog éven van zich horen. En dan is het stil en is alles en iedereen in diepe rust.

‘De Knotwilg’ is het eerste verhaaltje van vijf uit de serie ‘Vakantie in de Biesbosch’.

Uitgelicht

Beentjes

Als fervent toerfietser weet ik inmiddels dat je allerlei soorten beentjes kunt hebben. Stramme en stijve beentjes bijvoorbeeld, maar ook moeilijke beentjes, soepele beentjes en slappe beentjes. Of goeie beentjes, al praat je dan eerder over ‘goeie benen’ want dat klinkt een stuk flinker.

Uit ervaring weet ik dat verzuurde benen het je heel erg moeilijk maken. Hetzelfde gebeurt ook als je pap in de benen hebt. Of kramp… ook dát is echt heel erg.

Naast de beentjes kunnen ook de heupen behoorlijk opspelen. Zo heb ik het bij de start van een fietstocht vaak op of rond mijn heupen. Dan zit het gewoon niet goed, doet het zeer en kan ik niet lekker fietsen. Inmiddels weet ik dat ik dan gewoon even moet afstappen en mijn ‘benen goed moet zetten’. Zo noem ik dat maar. Ik zwaai dan de benen even flink alle kanten op. Ziet er niet uit, maar het werkt wel. Het is dé manier om moeilijke benen en weerbarstige heupen uiteindelijk goed aan het werk te krijgen.

Maar recent heb ik echt iets heel bijzonders meegemaakt. Ik was op bezoek bij een podotherapeut om de zooltjes van mijn wandelschoenen te laten vernieuwen. Nou kijkt zo’n ‘peut’ altijd graag even verder dan sec de vraag waarmee je komt. Dus bestudeerde de man uitgebreid de stand van mijn bekken, benen, knieën en enkels. Waarna hij mij verzocht om op de behandelbank te gaan zitten en mijn rechter been in een hoek van 45° te zetten. Zonder verdere aankondiging ging de podo op mijn voet zitten, pakte mijn been stevig beet en drukte een paar keer flink hard onder mijn knieschuif. Om na enkele minuten het hele ritueel op links te herhalen. Ik volgde de behandeling vol verbazing: ‘Wat was deze man allemaal aan het doen?’

“Zo”, zei de podo toen links en rechts onder handen waren genomen, “jouw onderbenen staan weer recht, dat zal een stuk makkelijker lopen.” Ik kon bijna niet geloven wat ik hoorde. Al 60 jaar lang staan mijn voeten een beetje naar buiten. En nu is dat zomaar – in één onbewaakt ogenblik – zonder nadere aankondiging – ongedaan gemaakt. Sinds deze opmerkelijke behandeling kan ik verder door mijn knieën zakken en loop ik voortaan… gewoon: recht zo die gaat!

Pfff… Het kan raar verkeren met die beentjes…

Uitgelicht

Bouwvrouw

Op mijn racefiets maak ik een mooie tocht naar een Limburgs dorpje aan de Maas. Sinds kort woont hier een goede vriendin van mijn zus die zich de eigenaar mag noemen van een indrukwekkend pandje. Een opknappertje zullen we maar zeggen, maar daar draait zij haar hand niet voor om.

Het begint al met het nodige asbest dat dringend verwijderd moet worden. “Een peulenschilletje”, volgens de vriendin. Komt een gespecialiseerd bedrijf volgende week ‘even’ doen. En ook over het vele hak-breek- en sloopwerk maakt ze zich niet druk. Kan ze best zelf; daar heeft ze echt geen man voor nodig. En het graven van de sleuven voor de riolering die hier en daar wat verlegd moet worden, doet ze de komende week wel; allemaal geen probleem.

Als ik het grindpad op rij, zie ik haar in de keuken op een steiger staan. “Even de plafondplaten verwijderen. Dan kunnen we straks meteen de nieuwe leidingen trekken”, roept ze keihard om boven het geschal van de radio uit te komen. En als een echte bouwvrouw vervolgt ze: “Zet maar vast koffie dan gaan we zo schaften.”

Met bewondering kijk ik toe hoe ze samen met een paar andere vrouwen in dit huis aan het werk is. Ze maakt een droom waar. Al jaren wil ze een groot huis waar ze samen met anderen kan wonen, zodat gezelligheid en spullen gedeeld kunnen worden en ze voor elkaar kunnen zorgen als dat nodig is. Vaak hoor je mensen over dit soort dromen vertellen, maar zelden komen ze uit. Maar niet hier; hier gebeurt iets moois. Zeker nu de eerste mijlpaal bereikt is en het grote huis alleen nog maar prettig leefbaar hoeft te worden gemaakt.

De vrouwen die hier aan het werk zijn, zijn allemaal de 60 gepasseerd. Toch lijkt dat het genoegen van het plan alleen maar groter te maken. “Dat jij op deze leeftijd nog aan zo’n groot project begint”, vroeg mijn zus aan haar vriendin. “Waarom zou ik op mijn leeftijd mij nog door iets laten weerhouden?”, pareerde zij behendig. “Je kunt heel veel zelf en waar dat niet kan, zijn er genoeg mensen die willen helpen.”

“Heb je tijd om even een paar uurtjes behang mee af te stomen. Je bent hier nu toch”, vraagt ze met een vette knipoog. En voor ik het weet, hijs ik mij in een overal en ben ik volop aan het werk. Zo doen deze vrouwen dat dus: alles en iedereen wordt gemobiliseerd om mee te doen en het is nog leuk ook. Het heeft een beetje de sfeer van een werkvakantie. Zoals je vroeger met vrienden een weekje naar Frankrijk ging om te helpen bij het opknappen van een oud boerderijtje. Niets zo gezellig als de uitgebreide lunch of de diners in de ondergaande zon aan de lange tafel in de tuin na uren hard werken.

Als we even later aan de koffie zitten met zelfgemaakte appeltaart (jawel die kwam iemand gewoon even brengen), komt een van de vrouwen met een hoop kabaal de trap af gestormd. “Kijk wat ik heb gevonden!”, roept ze opgetogen. “Onder het tapijt in de oude kast die ik wilde slopen, vind ik zomaar een portemonnee met héél veel bankbiljetten. Dit huis brengt ons geluk; ik weet het zeker!”

“Eet je mee vanavond”, vraagt de vriendin van mijn zus, “dan kun je daarna nog een paar uurtjes helpen. Wie weet wat we allemaal nog meer vinden.” En zo word ik ongemerkt gestrikt als bouwvrouw en ga ik aan de slag met het verwijderen van ontelbare bruine schrootjes in de hoop dat ik de volgende ben die een verborgen schat ontdekt.

Heel slim die vrouwentrucjes: het werkt als een tierelier

.

Uitgelicht

Twee biertjes

“Snotverdomme”, gromt de oude man als hij met zijn gammele fiets bij het bankje aankomt. “Is mijn plekje bezet!” “Je kunt er wel bij komen zitten”, nodig ik hem uit. “Onder voorwaarde dat je een beetje gezellig bent.” Maar dat is hij niet van plan. Mokkend als een klein kind loopt hij met de fiets aan de hand naar een krakkemikkig bankje even verderop.

De vriend en ik zijn net op deze heerlijke plek aan de rand van het bos neergestreken voor een kleine pauze. We hebben al een paar uur door de uiterwaarden langs de Rijn gestruind en genoten van de vele weidevogels en de kikkers die zich al volop laten horen. Dadelijk gaan we aan de terugtocht beginnen en loopt onze route door bos en hei. Juist die afwisseling maakt de wandeling op deze zonovergoten dag zo mooi.

Terwijl ik geniet van crackertjes, fruit en fris, kijk ik toe hoe de man worstelt met het bankje aan de overkant. Als hij wil gaan zitten, zakt de plank helemaal door. Ternauwernood kan de oude baas een val voorkomen. Opzichtig schuif ik op naar één kant van het bankje en met een uitnodigend gebaar klop ik op de plek naast mij. De man gaat overstag, komt onze kant opgelopen, zet zijn fiets op de standaard en rommelt in zijn fietstassen. “Ik heb er maar twee”, zegt hij als hij uiteindelijk zit. “Dus ik kan ze niet met jullie delen.” Hij houdt twee bierblikjes omhoog. “Op dit tijdstip van de dag kun je aan ons geen biertje kwijt”, laat ik hem weten. “Maar hoe komt het dat jij al zo vroeg drinkt?” En dan komt het verhaal…

Sinds een paar maanden is zijn vrouw met pensioen. Zelf is hij al jaren thuis en dat vond hij maar wat fijn. De hele dag alles op zijn dooie gemak en geen gezeur aan zijn hoofd. Zijn vrouw legde wel allerlei briefjes klaar, maar die negeerde hij categorisch. Maar nu is ze dus ook thuis en het stille huis is veranderd in een hel. “Een hel?”, vraag ik verbaasd. “Een hel!”, bevestigt hij nog maar eens.

De hele dag loopt zijn vrouw te commanderen en wat hij ook doet; het is nooit goed. Alsof er onophoudelijk een brandweersirene staat te loeien: ‘doe dit, doe dat’. Om gek van te worden! Dus slaat hij voortaan op de vlucht. Elke dag om 11.00 uur springt hij op de fiets om na een korte tocht bij de friettent uit te komen voor zijn twee biertjes. Elke dag zit hij hier te drinken en te denken om pas tegen drieën weer op huis aan te gaan. Zo heeft hij een manier gevonden om het een beetje dragelijk te maken.

“Wat doe je dan al die tijd hier op het bankje?”, vraag ik hem. “Een plan maken,” zegt hij, “hoe ik op een goeie dag tegen haar zal zeggen, dat ik na 50 jaar ongelukkig huwelijk alsnog wil scheiden.” Hij droomt van die dag die toch óóit moet komen, want “niemand kan toch tot de dood in een hel blijven leven?” voegt hij er wanhopig aan toe.

De vriend staat op en wenkt mij om mee te gaan voor het vervolg van onze wandeling. “Het bankje is weer van jou,” zeg ik, “want als dit het enige is dat je op dit moment gelukkig maakt, moet je er zuinig op zijn.” En hem veel wijsheid en moed toewensend, vervolgen wij onze tocht door het prachtige bos om na een paar uur moe en voldaan thuis te komen.

Uitgelicht

Schuimke trekken

“Wát deden jullie?”, vraagt de vriend met een uitdrukking op zijn gezicht die het midden houdt tussen verbazing en walging. In het gezelschap van goede vrienden praten we over wat je een kindje van twee geeft als verjaardagscadeau. Natuurlijk komen alle gangbare dingen voorbij zoals een blokkendoos, kleurboek, vingerverf, drumsetje, wipkip en loopfiets. Maar we zijn op zoek naar iets verrassends. Iets waar zo’n kleintje in zijn eentje mee kan spelen zonder dat hij steeds de aansporing van een volwassenen nodig heeft.

Na lang nadenken komt de vriend op het idee van een ‘graafmachientje’. Hij ziet de kleine man al het zand heen en weer sjouwen van de zandbak naar het terras en weer terug. Het manneke in kwestie is nogal een buitenkind en houdt van alles wat naar auto’s neigt en op eigen kracht in beweging gezet moet worden. Deze suggestie van de vriend is dus waarschijnlijk het schot in de roos.

Maar ik wil graag nog even verder fantaseren. En opeens moet ik denken aan een oud gebruik waar wij als kind eindeloos lang mee bezig konden zijn. En daarom roep ik: ‘schuimke trekken’, wat me niet alleen van de vriend, maar ook van de rest van het gezelschap moeilijk te omschrijven blikken oplevert. Nu ben ik de enige Brabander in dit gezelschap en ik vermoed dat dat ook meteen de reden is waarom de anderen écht niet weten waar ik het over heb. Daar staat tegenover dat de vriend wel verzot is op laurierdrop en laat je dat nou net nodig hebben om uiteindelijk ‘een schuimke te kunnen trekken’.

Het zit zo: je neemt een fles van helder glas die goed afsluitbaar is. Je doet een stuk laurierdrop in de fles. Het schijnt dat je ook zoethout kunt gebruiken, maar dat deden wij vroeger nooit dus daar kan ik niets van zeggen. De fles vul je tot de hals met water. Sluit de fles. Even goed schudden zodat de laurierdrop helemaal oplost. Fles 48 uur wegzetten op een donkere, koele plek; de kelder bijvoorbeeld. Tegenwoordig heeft vrijwel niemand nog een kelder; alleen hele rijke mensen. Nou was het maken van dropwater meer iets voor de armere mensen die zich de aankoop van een zak drop niet konden veroorloven. Maar goed: koel en donker bewaren dus en dan na 48 uur nog eens flink schudden. Om vervolgens heel langzaam het zwarte schuim op te zuigen. Heerlijk vonden wij dat! Het schudden en schuimzuigen kon je keer op keer herhalen zolang je het dropwater maar niet opdronk.

De moraal van het verhaal was natuurlijk: geduld en zuinigheid. Het duurde even voordat het dropwater gemaakt was, het koste geen knoop en je had niemand nodig. Gewoon stil genieten van de bijzondere smaak en proberen om het schuimke trekken zo lang mogelijk vol te houden. Eigenlijk helemaal geen gek cadeau! Welk kind leert nu nog om geduld te hebben en zuinig te zijn? Maar weer kijkt iedereen mij meewarig aan. Nee met zoiets raars kun je volgens de vriend bij een kindje niet aankomen. Dan zet je zo’n kleintje voor schut en daar doet de vriend niet aan mee. Dus wordt het de graafmachine.

Maar zo gauw laat ik me niet uit het veld slaan. Ik pik wat laurierdrop uit de jaszak van de vriend. Vul een flesje en zet het op een donkere, koele plek. Over 48 uur heb ik mijn feestje en ga ik stilletjes genieten. Eindeloos lang: schudden en zuigen, schudden en zuigen.

Schuimke trekken van zelfgemaakt dropwater schijnt bij navraag een typisch oud-Brabants/Limburgse gewoonte te zijn. Het recept is nu bekend dus armlastig of niet; je kunt het een keer proberen.

Uitgelicht

Koffie

“Energieverspilling”, mompel ik als ik voor de derde keer het installatiebedrijf moet bellen. Enkele weken geleden heb ik een nieuwe ketel gekocht, maar de jongeman die het apparaat kwam installeren, was meer aan het mopperen dan dat hij aandacht had voor mijn ketel. Hij was om 7.00 uur ’s morgens al zó gestrest dat het huis in één klap bol stond van de negatieve energie.

Hij mopperde en mopperde. Over de werkdruk en de idioot lange werkdagen. Over het feit dat hij alleen op pad werd gestuurd voor een klus ‘die je toch echt met z’n tweeën moet doen’. En over de stagiaire die op zijn eerste werkdag te laat kwam, op de tweede dag geen zin had om te werken en op derde dag er de brui aan gaf.

De heetgebakerde jongeman was doodmoe. Want na 10 uur werken voor de baas had hij gisteren ook nog tot elf uur ’s avonds bij zijn vriend gewerkt die hij ‘met zijn airco en ketel toch écht niet kon laten zitten’. Maar dat was zelf verkozen drukte en dat telde volgens hem niet mee. Het was zijn baan waar van alles mis ging en als het zo moest, stopte hij er gewoon mee. Hij kon overal aan de slag voor veel meer salaris.

Als antwoord op zoveel negativiteit op de vroege ochtend stelde ik hem voor om eerst maar eens te beginnen met een kop koffie en een koek. Ik was natuurlijk bang dat al dat gemopper de installatie van mijn ketel zou verpesten. Twee koppen koffie en wat gezellige ochtendpraat verder ging de monteur op zolder aan de slag om na twee uurtjes weer naar beneden te komen. De klus was geklaard en na nog een kop koffie ging hij er snel vandoor.

Toen ik boven de boel even controleerde, zag ik wel wat problemen: bijvulslang niet aangesloten, lekkende wasmachinekraan en de dakdoorvoer die, bij het ontbreken van een tweede man, gewoon maar even was blijven liggen.

Na 2 weken komt dezelfde jongeman terug; nu met een collega. Deze keer krijg ik het gemopper in het kwadraat, want ook de collega is over de meeste dingen niet te spreken. Ik ben blij als de twee eindelijk aan het werk gaan. De problemen lijken snel verholpen en ik bedank hen uitgebreid met complimenten en natuurlijk met koffie. Totdat ik na een paar dagen ontdek dat er nog altijd van alles niet klopt. En weer klim ik in de telefoon om een afspraak te maken.

Als voor de derde keer ’s morgens om 7.00 uur de mannen van het installatiebedrijf op de stoep staan, doet zich een heel andere situatie voor. De kerels komen vrolijk binnen. Stellen allerlei slimme vragen, gaan aan de slag, controleren even zelf of alles werkt en vragen ter afsluiting ‘of ik nog vragen heb’. Hun positieve houding is een verademing. Als ik vraag of ze koffie willen, bedanken ze vriendelijk. “We hebben genoeg koffie in de bus”, is het antwoord. “We gaan snel naar de volgende klant, zodat we niet te veel uitlopen.” Zo kan het dus ook!

Toch houdt de vraag ‘wie nu kostbare energie verspilt’ mij de rest van de dag bezig. Is het de werkgever die zijn medewerkers overvraagt? Is het de mopperende knaap die geen balans kan vinden in het werk en geen ‘nee’ kan zeggen tegen privéklusjes? Ben ik het als klant die alles snel, snel geleverd wil hebben? Ik weet het niet. Maar dat er energie verspild wordt met slordig werk en gemopper is me wel duidelijk. Aan de koffie kan het niet gelegen hebben; die was goed: dat weet ik zeker.

Uitgelicht

Gekkenwerk

Geheel tegen mijn aard in ben ik vanmorgen om 5.00 uur opgestaan en op de fiets gestapt. Op dit vroege uur was het nog akelig koud; zeker omdat de dichte mist nog over de velden danste. Maar de kwetterende vogels beloofden dat het een mooie dag zou worden. Wat ik – normaliter een avondmens – op dit idiote tijdstip op straat deed? Ik was vandaag op missie. En de missie was als volgt: Ga naar een waterrijk natuurgebied met veel sloten, rietkragen en bloemrijke graslanden. Luister en kijk goed! En spot een blauwborst.

Nou dat waterrijke natuurgebied was na een half uurtje stevig doortrappen zo gevonden. Maar de blauwborst was deze ochtend in geen velden of wegen te bekennen. Er waren meer ‘gekken’ vroeg op pad. Allemaal in het bezit van een verrekijker en camera. En allemaal op zoek naar bijzondere vogeltjes die hier luidruchtig van zich laten horen.

Ik signaleerde luid klepperende ooievaars tijdens hun vlucht. Ik zag kieviten verwoede pogingen doen om mij te verjagen als ik in de buurt van het nest kwam. Ik ontdekte piepjonge kieviten die door het hoge gras renden. Ik hoorde de grutto onophoudelijk zijn eigen naam roepen en zag hem statig pikkend door de weide gaan. Ik mocht de gele kwikstaart en het verliefde koppeltje kuifeenden rustig aanschouwen terwijl honderden zwaluwen door de lucht duikelden en de rietgors het hoogste lied in de pluimen van het riet zong. Ik hoorde alle soorten meesjes en zelfs een koekoek. Tureluren, kemphanen en de zwarte zwaan… ik heb ze allemaal gezien. Behalve dat éne kleine vogeltje met zijn hypnotiserend blauwe borstje en witte keelvlek. Het vogeltje waar het allemaal om te doen was, liet zich in de verste verte niet horen of zien.

“Gekkenwerk”, mompelde de vriend toen we na uren struinen door het grasland besloten om weer huiswaarts te gaan. “Ben ik voor die blauwborst om 5.00 uur mijn bed uitgekomen en vertikt hij het om zich te laten zien. Gekkenwerk!”, bromde hij er nogmaals achteraan.

En gekkenwerk is het zeker, want op dat moment weet hij nog niet dat ik hem morgen wéér om 5.00 uur uit bed trommel. De dagen dat je de blauwborst nog kunt signaleren worden immers schaars. Zodra hij gaat broeden, laat hij zich niet meer zien. Dus ‘gekkenwerk’ is het zéker, maar morgen gewoon weer vroeg uit de veren.

Uitgelicht

Boos!

‘Of ik zijn veters even kan strikken’, vraagt het ventje. En meteen steekt hij zijn voetje naar voren. Ik ga door de knieën en strik de lange veter in een stevige knoop met sierlijke lus. ‘Wat hij hier zo alleen aan het doen is’, vraag ik hem met schijnbaar nonchalance, want waar ik ook kijk: ik zie geen andere mensen in het bos. “Ik ben weggelopen”, zegt hij triomfantelijk en hij kijkt mij vorsend aan om te besluiten of hij zich ook nu weer snel uit de voeten moet maken. “Zo,” zeg ik, “dat is nogal wat: weglopen. Is er iets ergs gebeurd dan?” Of het ‘erg’ is, weet hij niet precies, maar vanmorgen is hij wel heel boos geworden op zijn vader.

Die had met Kerstmis al een keer gezegd dat ze dit jaar niet konden gaan skiën, omdat de baas van het land had besloten dat alle mensen voorlopig niet meer op vakantie mochten gaan. En hij wilde juist zo graag leren skiën; net als zijn vriendje die het al heel goed kon. En toen kwam de sneeuw en ging het nog steeds niet door.

En datzelfde vriendje is vanmorgen met zijn ouders voor een weekje naar Bonaire gegaan om te gaan snorkelen. Iets wat hij óók al zo graag wil leren, maar wat zeker ook weer niet mag van zijn ouders. Want vanmorgen had zijn vader gezegd dat ze nog steeds niet naar het buitenland kunnen gaan.

“Waarom mag mijn vriendje wel al leuke dingen doen en moet ik zo stom thuis blijven?” vraagt hij zich hevig verontwaardigd af. Dus is hij maar weggelopen. “En ik ga ook niet meer terug!” komt er stellig achteraan.

Of hij het dan goed vindt om een eindje met mij op te lopen, want ik ben alleen op pad gegaan in het bos en dat doe ik eigenlijk nooit. De kleine man recht zijn ruggetje en pakt mijn hand stevig vast. “Kom maar”, zegt hij. “Je hoeft niet bang te zijn. Ik blijf wel bij jou.” En samen lopen we verder door het bos en over het pad langs de grote vijver tot we weer een beetje in de buurt van huizen komen.

“Ik heb zo’n dorst”, zeg ik kleintjes. “Ik zou wel iets willen drinken.” ” Mijn mama zet hele lekkere koffie,” laat het stoere kereltje trots weten. “Tante Saskia zegt dat elke keer als ze bij ons is. Mama woont daar”, wijst hij. “Dan wil ik wel een kopje koffie bij je mama bestellen en misschien heeft ze voor jou ook wel iets te drinken?” Nietsvermoedend trekt het ventje mij mee naar zijn huis. We gaan achterom en lopen recht in de armen van een moeder met een uiterst bezorgde blik. “Uw zoontje zegt dat u zo’n lekkere koffie kunt zetten. Zullen we een bakkie doen in ruil voor het verhaal waarom ik hier ben?”, vraag ik haar met een geruststellende knipoog.

De moeder begrijpt de situatie en nodigt mij uit plaats te nemen aan de grote keukentafel. “Niet te laat naar huis gaan”, roept het jochie nog tegen mij, “anders word je moeder boos”, en pijlsnel schiet hij naar boven om met zijn racebaan te gaan spelen. En de ruzie met zijn vader? Die is hij door onze lange wandeling weer helemaal vergeten. Hij een spannende middag en ik een mooi verhaal.

Uitgelicht

Theepot

“Heb je zin om een lekker kopje thee te zetten?”, vraagt de vriend geheel onverwachts rond een uurtje of vier op een zaterdagmiddag. En meteen moet ik denken aan de theepot van mijn oma die eerder deze week bij het opruimen van de kasten weer in beeld kwam. Zo’n ouderwetse theepot met bladmotief en gouden randjes die, samen met de suikerpot, de tand des tijds dapper had getrotseerd.

Ik loop naar de keuken en spoel de pot voorzichtig om met heet water, hang er twee theezakjes in en schenk het kokend water in. Oma had geen theezakjes; ze gebruikte losse theeblaadjes. Altijd kreeg je er wel een paar in je mond kreeg, ondanks zorgvuldig zeven. Ik serveer de thee in platte koppen en vul de koektrommel met ouderwetse Mariakaakjes. Want laat ik die nou toevallig in huis hebben!

“Pak er maar twee, ” zeg ik tegen de vriend, “want een schoenmaker werkt met paren.” En hup, zonder enige moeite is naast mijn oma nu ook mijn moeder tevoorschijn getoverd. Want dat van die ‘paren’ was een gevleugelde uitspraak van haar. En voor ik het weet ben ik weer die kleuter van een jaar of vier die, samen met mijn ouders bij opa en oma op bezoek is.

Ik zit aan de eettafel in een huiskamer met donkere, eikenhouten meubels. De pendule op het dressoir tikt hard. Ik pluk aan het dikke wollen tafelkleed. Midden op de tafel staat een theepot op een theelichtje onder een gewatteerde muts. Mijn oma – de 60 dan net gepasseerd – draagt een hagelwit, gesteven schort. Ik ken haar niet anders dan met dat witte schort, mooi strak gespannen over haar brede heupen en ronde boezem. Oma schenkt ons allemaal een kopje thee in. In van die mooie, grote, platte, witte koppen. En ze serveert er een Mariakaakje bij. Alsof ik dat moment daar in die huiskamer weer kan voelen en ruiken.

Nu, ruim 55 jaar later, ben ik zelf die rondborstige vrouw; al zijn mijn heupen beduidend minder proportioneel geworden dan die van mijn oma. Ook mijn kapsel is inmiddels grijs met wilde krullen en voor het lezen zet ik een bril op. Onder het genot van mijn kopje thee ga ik moeiteloos van nu naar toen en van toen naar nu. Herinneringen uit een ver verleden; herinneringen aan gezelligheid en samenzijn.

“Wil je nog een kopje thee?”, haalt de vriend mij terug naar mijn eigen huiskamer. En samen drinken we de pot helemaal leeg. Als ik die avond ga koken, doe ik een schortje voor. Mooi strak gespannen. “Schoonheid en gezelligheid zijn van alle tijden”, hoor ik de vriend vanuit de huiskamer zeggen. En ik spoel de theepot nog eens om en zet hem klaar voor een volgend gezellig momentje.

Uitgelicht

Avondklok

Verschrikt springt mijn zus overeind om er na een paar uur gezelligheid als een speer vandoor te gaan. Het is dinsdagavond 27 april 2021: een gedenkwaardige dag.

Niet omdat onze Koning vandaag 54 jaar is geworden. Ook niet omdat Eindhoven de Koninklijke familie op innovatieve wijze een digitale variant van onhandige dansjes, gesprekjes en spelletjes voorschotelt. En zeker niet omdat ik twéé oranje-tompoucen heb gegeten, terwijl ik er andere jaren zelfs niet één eet.

Nee… het is een gedenkwaardige dag, omdat ná vanavond eindelijk, eindelijk de avondklok weer wordt afgeschaft. De avondklok die sinds de Tweede Wereldoorlog niet meer van stal is gehaald, maar die op 23 januari 2021 toch werkelijkheid wordt. De klok die maakt dat je avond aan avond aan de buis gekluisterd raakt, omdat het door het vermaledijde tijdstip van 21.00 uur onmogelijk is om bij iemand uitgebreid te gaan eten; laat staan voor de koffie en een borrel op bezoek te gaan.

Nou was dát ook precies de bedoeling: het terugdringen van alle menselijke verplaatsingen om een verdere opmars van het virus te stoppen. Maar terwijl wij in onze huizen in saaiheid wegdommelen, rukt het virus steeds verder op. En de top is nog niet bereikt.

Het zou maar voor twee weken zijn, maar het werden er meer dan dertien! Ruim drie maanden géén avondwandeling bij gebrek aan een hond. Géén ontheffing bij gebrek aan een baan die dat rechtvaardigt. En géén avondvisite; omdat je al weer moet gaan, zodra je binnen bent.

Dinsdag 27 april was een zonovergoten dag. Hij begon fris, maar eindigde met bijna zomerse temperaturen. De avond was uitzonderlijk mooi met een supermaan die zich in haar volle glorie laat bekijken. En wat in die afgelopen 13 weken niet eerder is gebeurd, gebeurt vanavond wel. Op de laatste avond vergeten we de avondklok. Gewoon kats vergeten.

We hebben ’s middags een flinke wandeling gemaakt en daarna lang en gezellig getafeld. Onder het genot van een kop koffie, oranjebittertje en de tweede tompouce van deze dag zitten we te praten en te lachen. En dan is daar opeens die schrik. Mijn zus vliegt overeind, sleept de hond met zich mee en rent weg. Mij in totale verbijstering achterlatend; geen idee wat er gebeurt.

Klokslag 22.00 uur stuurt zij mij een appje. OMG… Voor de laatste keer. Gehaald!

Lees ook de andere verhalen uit de serie ‘het Coronatijdperk‘:
Coronastilte – Als de strandlantaarns branden – Blind vertrouwen – De aanhouder wint – Persco – Toen iedereen danste – Avondklok