Uitgelicht

Herinneringspad

Het is zo’n mooie, zwoele zomeravond. Met zes Nederlanders en vier Italianen zitten we aan een lange tafel te genieten van een heerlijke maaltijd en van de ondergaande zon. We zijn allemaal te gast op een camping ergens ver weggestopt in de prachtige natuur van West-Italië. Elke avond komen we hier samen aan de grote tafel. We vertellen elkaar verhalen. Over waar we vandaan komen en waar we naartoe gaan. Over wat we normaal gesproken doen en wat ons hier brengt. Vanavond is een jonge vrouw aangeschoven. In de late namiddag arriveerde zij om voor een paar weken met haar tentje neer te strijken op deze afgelegen camping.

Ik vraag haar wat haar hier brengt. Zij antwoordt: “Mijn moeder.” Na de begrafenis van haar moeder vond ze bij het opruimen van het huis een dagboek. Dat boekje met de zachtleren kaft en het minutieuze slotje dat nauwelijks open te krijgen was, heeft ze inmiddels gelezen. En keer op keer herlezen. “De band met mijn moeder is nooit goed geweest”, vertelt ze met gedempte stem. Als kind heeft ze nooit begrepen dat haar moeder er voor koos om weg te gaan bij het gezin toen zij nog maar amper 10 jaar oud was. Ze had het daarna zeker niet slecht hoor bij haar vader en haar zusje. Maar toch… welke moeder doet dit nou? Nooit heeft ze haar begrepen, laat staan dat ze haar heeft kunnen vergeven. Woedend werd ze toen ze hoorde dat haar moeder samenwoonde met een vrouw, zich ingeschreven had voor de kunstacademie of weer eens voor een paar weken was vertrokken naar een camping in Italië.

Maar nu is daar het dagboek en leest ze eindelijk het verhaal van haar moeder. Nu ze 35 jaar oud is en zelf moeder is van twee kinderen.

Ze leest het verhaal van een meisje dat zich altijd al ongelukkig en onbegrepen heeft gevoeld, omdat ze al heel jong ontdekt dat ze anders is dan de andere meisjes in haar omgeving. Een puber die al snel het vermoeden heeft dat ze van vrouwen houdt; veel meer dan van mannen. Maar als ze daar voorzichtig mee gaat experimenteren, komt ze zwaar in conflict met haar ouders die er een streng en kortzichtig geloof op nahouden. Ze wordt uit de gemeenschap verstoten en mag van haar ouders en de hele geloofsgemeenschap pas terugkomen als ze van haar ‘ziekte’ is genezen. De 17-jarige die daardoor zonder geld of goed op straat komt te staan en regelrecht in de armen loopt van de eerste de beste man die voor haar wil zorgen. De moeder die de kinderen krijgt die zij eigenlijk helemaal niet wil krijgen. Want ze heeft haar eigen pad nog niet eens gevonden dus hoe kan ze dan het pad van haar kinderen volgen? De moeder die vermoedt dat er ondanks haar ellende iets groots in haar verscholen ligt en die dat voorzichtig naar buiten laat komen in haar beeldhouwwerken en installaties die gaandeweg steeds meer gewaardeerd en bejubeld worden. De jonge vrouw die, op die kleine camping daar ver weg in Italië, wekenlang in een tentje bivakkeert en eindelijk het gevoel heeft dat zij mag zijn wie ze is. Niet bekeken. Niet veroordeeld.

In haar dagboek beschrijft ze de plaatsjes en pleintjes waar ze zat met haar koffie en haar boek. Ze beschrijft de mensen die ze sprak en die haar zo zonder terughoudendheid lieten zijn wie ze was. En ze beschrijft de lange tafel op de camping waar de gasten ’s avonds bijeenkomen om te genieten van de ondergaande zon, de maaltijd en de goede gesprekken met elkaar.

En nu zit zij hier; op de plek van haar moeder. Jarno en John, de eigenaren van de camping hebben geen vragen gesteld, maar haar alleen de vertrouwde plek van haar moeder gegeven waar ook zij haar tentje voor een paar weken op mag slaan. Ze vertelt en vertelt die avond met haar zachte, hese stem; ze vertelt het verhaal van haar moeder. Hoe ze nu via het dagboek haar pad volgt, haar opnieuw leert kennen en haar eindelijk na al die jaren leert begrijpen en kan vergeven.

Het is een mooie, zwoele zomeravond. Zo’n avond waarop je voelt dat er iets gaat gebeuren. Vanavond komt na 25 jaar een dochter thuis bij haar moeder en ik kijk ernaar.

Uitgelicht

Engelengeduld

Eigenlijk heb ik er meteen een beetje spijt van: dat ik tijdens de lunch op een gezellig terras aan het water op de oude heer heb gereageerd. De man zit alleen aan een tafeltje en roept frequent en dwingend om de ober, die maar niet wil komen. Ik heb hem zojuist gezegd: “dat hij een beetje geduld moet hebben.” Op een bordje dat goed zichtbaar op het terras is geplaatst, staat immers duidelijk vermeld dat het team kampt met een groot personeelstekort. De restauranthouder verontschuldigt zich alvast voor de wachttijden die langer kunnen zijn dan normaal.

Maar na mijn opmerking reageert de man nog bozer: “Geduld? Ik heb genoeg geduld! Engelengeduld heb ik zelfs. Maar tegenwoordig weet de jeugd niet meer wat werken is. Je zou het niet zeggen, maar ik ben al 90. Vanaf mijn 15de heb ik altijd keihard gewerkt. Nooit ziek geweest! En áls je ziek was, dan werkte je gewoon door. In mijn tijd, mevrouw, bestond er geen ziektegeld. En al helemaal geen bijstand. Weet u dat ik al 90 ben? Ik ben een geboren Rotterdammer, dat hoort u natuurlijk nog wel. Toen de moffen in de Tweede Wereldoorlog de stad helemaal kapot bombardeerden, kwam de hongerwinter. Dat waren nog eens tijden; ik heb het allemaal meegemaakt. Ze hebben me toen naar Friesland gestuurd om aan te sterken en ik ben er 15 jaar gebleven. Ik ben al 90 al zou je dat niet zeggen.”

“Wat voor werk hebt u altijd gedaan?”, vraag ik hem om het gesprek toch maar een andere wending te geven. “Ik heb altijd in de grafische industrie gezeten. Dag en nacht gewerkt. Ik ben al 90 maar in mijn tijd moest je nog eens écht hard werken. Dat kunnen ze tegenwoordig niet meer. Ik heb een tijd in Frankrijk gewoond. Ik ben echt een man van de wereld; mij maak je niets wijs. Ik kom al 50 jaar in dit restaurant. Zo lang bestaat het hier al. Maar die jonge gasten weten dat allemaal niet. Interesseert ze niet. Een mens zou zijn zegeningen eens wat meer moeten tellen. Beter moeten beseffen hoe rijk hij eigenlijk is.”

“Waarom bent u dan zo aan het mopperen?” vraag ik hem kritisch. “Ik mopper niet. Ze moeten gewoon opschieten. Ik moet mijn twee jonge jenevertjes voor vandaag nú hebben en daarna wandel ik weer verder. Zo doe ik dat elke dag. Ik heb 25 keer de vierdaagse gelopen, maar nu hou ik het bij mijn dagelijks rondje van 4 km. Ik ben al 90 moet u weten. Mijn vrouw leeft niet meer; ik moet me alleen zien te redden en dat valt niet mee als je 90 bent. Ik kom hier al 50 jaar. Vroeger altijd met mijn vrouw, maar die leeft niet meer. Van haar mocht ik niet drinken, maar nu doe ik het gewoon. Ik heb alle vrijheid. Ik hoef niet meer te werken; dat heb ik lang genoeg gedaan. Altijd in de grafische industrie; dag en nacht. Ik ben een man van de wereld; mij maken ze niets wijs. Ik heb lange tijd in Frankrijk gewoond. Zou u mij 90 jaar geven? En vragend kijkt hij mij aan.

“Absoluut niet!,” stel ik hem gerust. “Volgens mij geniet u wel van het leven, uw dagelijkse wandeling en uw borreltje. Wat wil een mens nog meer?” “90 worden!” zegt hij resoluut, “want dat lukt heus niet iedereen. En dan merk ik dat ik knap genoeg begin te krijgen van dit gesprek. “Ik ga maar weer eens verder, zeg ik en sta op om te betalen. Maar ook deze keer laat de ober lang op zich wachten. Veel te lang als je het mij vraagt!

Engelengeduld.

Lees ook de andere verhalen uit de serie ‘De dingen die voorbij gaan‘: Een goed verhaal
Hangplek voor oude
renAlles onder controleStroopwafelStapelboterhammenKledingadviezen

Uitgelicht

Schaamte

Er zijn van die dingen, die dóe je gewoon niet. Een legging dragen bijvoorbeeld of na je zestigste nog een mouwloos jurkje aantrekken: helemaal fout. Net als een man met witte sokken: kan gewoon niet. En ik zal ik nooit de deur uitgaan, zonder een beetje make up op mijn snoet. Ben je gek: je weet maar nooit wie je tegenkomt.

Zo weet een vriendin van mij dat ze het echt bij één glaasje wijn moet houden. Omdat ze anders achteraf altijd weer spijt heeft van de onzin die ze allemaal uitgekraamd heeft. En ik weet dat ik af en toe best een leugentje mag gebruiken om een verhaal wat op te leuken, maar dat ik ook weer niet té veel bij elkaar moet verzinnen. Ik zou zomaar eens werkelijkheid en fictie met elkaar kunnen gaan verwarren.

Er zijn van die dingen die doe je gewoon niet. omdat ze dom, saai of sullig zijn. Zo zal ik dus nooit, maar dan ook echt nooit een briefje meenemen naar de bouwmarkt als ik samen met de vriend aan het klussen ben en we onverwachts misgrijpen op het een of ander. Nog liever laat ik hem tien keer geduldig uitleggen welk moeilijk apparaat of tangetje hij nou weer zo nodig moet hebben dan dat ik het op een papiertje schrijf. Nee, ik verzin gewoon allerlei ezelsbruggetjes om eenmaal aan de balie de handige jongeman moeiteloos om een torxschroevendraaier of om een schrobzaag te vragen.

Des te meer was ik dan ook onder de indruk – maar dan in het negatieve – van de vrouw met een witte legging, mouwloos jurkje en smeuïg dialect die – toen ze aan de beurt was bij de balie van een uiterst fijne gereedschapswinkel – zonder enige schaamte zei: “Wacht efkes. Effe menne John bellen, dan kan ie vertelle wek mee moe brengen.“ En daar was John aan de lijn én in beeld. En hij vroeg de baliemedewerker zijn vrouw een Bahco mee te geven. “Ik dacht dat ie me naar de kroeg stuurde voor unne bako, maar hij moet dus gereedschap hebbe. Ik hoop dè gu wit wattie bedoelt“, kwam er geheel overbodig achteraan. En de jongeman wist het en pakte zonder blikken of blozen het bedoelde gereedschap en deed het voor de mevrouw in een tasje.

“Waar kan ik u mee helpen?” vraagt hij aan mij nadat de opmerkelijke dame heeft afgerekend en is vertrokken. En je zult het niet geloven, maar door alle consternatie ben ik helemaal vergeten wat ik hier kom halen. En tot mijn grote schaamte kan ik niet anders dan de vriend bellen en hem vragen wat ik ook al weer moet meebrengen. Nog erger dan een briefje.

Sommige dingen dóe je gewoon niet!

Uitgelicht

Kledingadviezen

Als het even kan, loop ik ’s morgens een rondje door het huis. Gewoon de dag fijn beginnen door eerst even alle medewerkers en bewoners te begroeten. “Hallo Petra. Goed geslapen?” “Goede morgen mevrouw Gerrits. Zal ik u naar de ontbijttafel begeleiden?” “Wat fijn om u weer te zien, mevrouw Henen. En wat ziet u er weer mooi uit vandaag!”

Mevrouw Henen is een chique dame die zich graag goed kleedt, mooie sieraden draagt en zich op een ‘goede dag’ zelfs nog mooi op wil laten maken. Maar er zijn ook ‘moeilijke’ dagen. Dan wil mevrouw Henen niet opstaan en moppert ze op alles en iedereen. Dan begrijpt ze niet wie al die mensen zijn die hier in haar huis rondlopen en gaat ze als een marktvrouw tekeer om iedereen zo snel mogelijk weg te jagen.

Maar aan haar kleding, sieraden en make up te zien, is het vandaag een goede dag. Dus op mijn vriendelijke begroeting en welgemeend compliment over haar mooie verschijning verwacht ik een gulle glimlach te krijgen. Maar helaas… het pakt anders uit. “Ik zie er wel mooi uit, maar dat kan ik van jou niet zeggen” snauwt mevrouw Henen. “Heb je thuis niemand die jou een beetje kan adviseren?”

Ik besluit van deze nood een deugd te maken, want inderdaad: meestal is er op doordeweekse dagen niemand in huis die mij kritisch van repliek kan dienen als ik mijn garderobe met een slaaphoofd bij elkaar scharrel. “Zou ú mijn adviseur niet willen worden?, vraag ik haar. En tot mijn verbazing vindt mevrouw dat een leuke taak die zij graag op zich neemt. “Onder voorwaarde dat ik eerlijk mag zijn”, voegt ze er nog snel aan toe. Inwendig moet ik lachen, want ook zonder deze heldere afspraak is mevrouw genadeloos eerlijk. Maar we maken een deal en vanaf die dag ga ik elke morgen even bij haar langs om mijn outfit te laten beoordelen. Ik krijg tips en complimenten, meewarig hoofdschudden en instemmend knikken en af en toe een enthousiast onthaal. Maar bovenal tref ik een mevrouw die ondanks haar dementie toch weer een taak heeft waarin zij zich helemaal kan laten gelden. Ze voelt zich belangrijk en nuttig en dat doet haar ongekend goed. En mijn kleding? Die vaart er wel bij. Ik heb er volgens mevrouw Henen nog nooit zo goed uitgezien. Al blijft kleding natuurlijk altijd wel een kwestie van persoonlijke smaak.

Deze situatie is naar waarheid opgetekend en speelt zich af in een zorgcentrum voor mensen met dementie waar ik op dat moment leidinggevende ben.

Lees ook de andere verhalen uit de serie ‘De dingen die voorbij gaan‘: Een goed verhaal
Hangplek voor oude
renAlles onder controleStroopwafelStapelboterhammenEngelengeduld

Uitgelicht

Illegaal

Vandaag staat er een flinke wandeling bij het Lauwersmeer op de planning. Het weer is goed: bewolkt, af en toe een zonnetje en een straf windje. Maar dat is eigenlijk niets bijzonders: in het weidse Noorden waait het altijd. De eerste kilometers volgen het wad. De typisch Hollandse wolken en oude zeilschepen die de Waddenzee doorkruisen, maken de vergezichten extra mooi.

Na 12 kilometers dirigeert de navigatie ons een bosrijk natuurgebied in. Juist deze afwisseling belooft de wandeling van vandaag zo mooi te maken. Maar al na twee kilometer houdt een hek ons tegen: ‘Natuurgebied gesloten wegens militaire oefening. Streng verboden voorbij het hek te gaan‘, staat er dreigend op een groot bord. Maar wij zijn niet voor één gat te vangen. Een paar kilometer verderop vinden we een pad dat om het militair oefenterrein heen lijkt te gaan. “Je kunt er gewoon door!”, bevestigt een goedlachse Groninger ons als hij ons ziet dralen. En dus vervolgen we het pad, om na 5 kilometer wederom tegen een hek met ‘niet-mis-te-verstane-boodschap‘ te lopen.

Wat nu? Dezelfde weg terug of een illegaaltje en het hek negeren? Een nuchtere Fries geeft de doorslag. “Het is zondag 16.00 uur. Als er vandaag al een oefening zou zijn, dan zitten de jongens en meiden nú toch zeker aan het bier”, concludeert hij met grote stelligheid. En hij draait het hek open, springt weer op zijn fiets en gaat er vandoor, stevig stampend op de pedalen. Durven wij hem na te doen…?

We doen het! Onderweg passeren ons legertrucks met camouflagenetten. Een heuse tank kruist op grote snelheid ons pad en bij het internationale oefendorp Manshuizen is het een drukte van belang. Het is duidelijk: wij mogen hier helemaal niet zijn. Maar het pad is zo mooi: té mooi om het niet te nemen!

Bij een druk punt van kruisende legervoertuigen duiken we weg in de bossages. En bij elke volgende kruising houden we angstvallig halt om eerst te beoordelen of de kust veilig is. Het worden 15 spannende kilometers waarbij het angstzweet af en toe uitbreekt vooral ook door de op hol geslagen fantasie. Wat een avontuur!

Na ruim 8 uur komen we bij het eindpunt van onze wandeling. “Ik denk dat het voor onze veiligheid beter is om de komende tijd een beetje onder de radar blijven”, zeg ik tegen de vriend. En nét al hij mij bevestigend wil antwoorden, komt een militair ons hardlopend tegemoet. “Nooit meer doen hè,” zegt hij in het voorbijgaan. “Ik zag jullie wel al die tijd. Dat bord staat er niet voor niets. Deze burgerlijke ongehoorzaamheid kan echt niet meer op jullie leeftijd.” Betrapt en een beetje beschaamd kijk ik de man aan. “Op zondag oefenen jullie helemaal niet,” werp ik brutaal tegen, “en rond deze tijd zijn jullie gewoon lekker aan het sporten of zit iedereen aan het bier.” “Klopt!” roept de man en weg sprint hij. “Fijne dag nog!”

Uit veiligheidsoverwegingen is dit bericht niet onmiddellijk gepubliceerd en worden en er geen persoonlijke foto’s bij het bericht geplaatst. Je weet maar nooit.

Uitgelicht

Houdoe!

Ik ben geboren en getogen in de ‘saaiste stad van Nederland’. Na 30 jaar verhuisde ik naar het ‘groenste dorp van ons land’. En nu – weer 30 jaar later – sta ik op het punt om in de Gelderse ‘city of life sciences’ te gaan wonen. Mijn eigen vertrouwde Brabant na 60 jaar loslaten, is beslist niet gemakkelijk en ook het prachtige natuurgebied de Maashorst vaarwel zeggen, kost moeite. Ontelbare keren heb ik hier gewandeld en gefietst. Ik ben zelfs een keer geïnterviewd voor een korte film over de Maashorst.

Als een soort afscheidstoertje begin ik vandaag aan een driedaagse wandeltocht door mijn eigen achterland. Dat ik zal genieten van de bossen, de vogels, de mossen en de bloemen, staat voor mij als een paal boven water. Maar tijdens deze tocht ga ik vooral ook op zoek naar de legendes over de Maashorst. En die zijn er genoeg, zo blijkt al snel. In dit verhaal kan ik er maar een paar met je delen.

Mijn tocht start bij het gehucht Zevenbergen. Meteen plopt het verhaal op van de wrede kolenbrander die hier – lang geleden – in een hutje op de hei woonde. Op een avond staat er een gezelschap van acht personen bij de hut. De mannen zijn verdwaald en vragen onderdak. De kolenbrander ontvangt de reizigers gastvrij. Maar één van hen vertrouwt hem niet en sluipt zachtjes weg. Als de zeven mannen later die avond diep in slaap zijn, vermoordt de kolenbrander hen. Hij steelt hun kleding, geld en sieraden en begraaft hen in zijn achtertuin. Maar de achtste reiziger vertelt de buurtbewoners wat er die nacht is gebeurd. De kolenbrander wordt veroordeeld tot de dood door ophanging. Op weg naar de galg bezweert de kolenbrander dat hij onschuldig is: “De doden mogen mij komen halen als ik lieg.” En onmiddellijk beeft de aarde en grijpen zeven gebalde vuisten de kolenbrander bij zijn kladden. Wat rest na dit gruwelijke moment zijn zeven bergen in het landschap.

Al wandelend moet ik even bekomen van deze lugubere vertelling, maar al gauw kom ik bij een volgende plek met een verhaal. Ik sta bij het Vorstengraf: de grootste en oudste grafheuvel van Nederland. Bij de aanleg van een woonwagenkamp werd hier destijds een écht Mindelheim kromzwaard gevonden, versierd met goud. Hier ligt een vorst begraven die honderden jaren vóór Christus heeft geregeerd. Vlakbij dit graf is nog een tweede vorstengraf gevonden. Ook ontdekte men tal van grafheuvels die heel opvallend gemarkeerd werden door lange palen. Ik heb nooit geweten dat de aanduiding van het verkeersknooppunt ‘Paalgraven’ op deze paalgraven slaat. Via een kruip-door-sluip-door weggetje is nog altijd een klein gebied met grafheuvels te bewonderen. Na deze twee verhalen stap ik eens een tijdje flink door om niet te laat bij mijn overnachtingsadres aan te komen.

Op mijn tweede wandeldag doorkruis ik de heidevelden van de Brobbelbries. En nét als ik het verhaal wil beluisteren over Kobus van der Schlosse die in de 17de eeuw hier de boel onveilig maakte, wordt de lucht gitzwart en breekt een hevig onweer los. Een perfect decor voor een gewelddadig verhaal. Kobus moordt en plundert er flink op los, maar toch is er geen mens te vinden die Kobus zal verraden. En dat is niet omdat hij soms ook een echte Robin Hood is, maar vooral door zijn pact met de duivel. Daardoor weet Kobus altijd aan de gendarmes te ontsnappen. Als ze hem te dicht op de hielen zitten, springt Kobus in een ven waarna hij in een bos riet verandert. Door de plons en de transformatie brobbelt het water nog lange tijd na en zo heeft dit gebied de naam ‘Brobbelbies’ gekregen. Het verhaal eindigt met een felle bliksemschicht en harde donderslag gevolgd door een fikse regenbui. Ik haast mij naar mijn overnachting voor de tweede dag en slaap die nacht onrustig in mijn tentje.

De derde dag ga ik extra vroeg op pad. Na de verfrissende regenbui van gisteren is alles op adem gekomen. Terwijl de vogels luidruchtig zingen en de vlinders voor mij uitvliegen, volg ik het pad langs de Peelrandbreuk; een geologische breuklijn waarbij twee aardlagen over elkaar heen schuiven en waarbij het hooggelegen deel (de horst) altijd nat is en het laaggelegen deel (de slenk) altijd droog is. Ik lees nog maar eens over het ijzerrijke, bruine water van de Wijstgronden dat voor mij zo vertrouwd oogt. Vandaag geen spannende verhalen over duivels, rovers en vorsten, maar gewoon de natuur in al haar schoonheid. Ik loop te midden van schapen, exmoor pony’s, taurossen en wisenten die gelukkig nog altijd achter een hek zitten.

Tegen het einde van mijn wandeltocht mijmer ik op een boomstronk nog wat na: “Wat is de Maashorst toch betoverend mooi.” Ik heb het woord ‘betoverend’ nog niet gedacht of daar komt een kabouter aangewandeld. Het blijkt Hans Joppen te zijn; uitermate bekend hier op de Maashorst. Er is zelfs een berg naar hem genoemd. “Ik loop even een stukje met je mee”, zegt Joppen en samen vervolgen we het pad. Tot een zijweg ons pad kruist en Joppen opeens roept: “Zo. ik ben er. Niet vergeten hè: vertrouw op jezelf. Jij vindt de weg wel weer: altijd, overal! Houdoe!” En weg is Hans.

Het verhaal gaat dat iedereen die zoekend over de Maashorst zwerft deze kabouter vroeg of laat tegenkomt. Hans Joppen moedigt reizigers aan om in zoektocht van het leven te vertrouwen op eigen krachten en talenten.

Na de bemoedigende woorden van Hans Joppen weet ik het zeker: ook in Gelderland zal ik mijn weg weer vinden. Overal, altijd!

Uitgelicht

Als een kind zo blij!

De parkeerplaats staat al ramvol als we nog vóór openingstijd bij de Efteling aankomen. “Ik dacht dat het vandaag niet zo druk zou zijn”, zegt mijn oudste zus. “In de Efteling is het élke dag druk”, weet mijn middelste zus te vertellen. Mijn broer kan heel goed een gehandicapte nadoen. Hij wil deze act wel even inzetten om ons sneller langs de kassa te loodsen. “Bewaar je optredens maar voor straks; als we te lang bij de attracties moeten wachten”, roepen drie oudere zussen hem tot de orde.

Vandaag is het ‘broer/zussen-dag’ en als zestigers gaan we onze jeugdherinneringen weer eens helemaal opfrissen. Dus stomen we meteen door naar de Python en naar Joris en zijn draak, want dat vonden we vroeger een ‘makkie’ dus dat kan nu ook nog best. Middelste zus gilt tijdens de rit in alle toonaarden. Oudste zus is verdacht stil en broer lacht ons een beetje uit. “Dat was supereng!”, roept een klein ventje als hij weer buiten staat. En hij zegt wat ik denk: dat was supereng!

Tijd voor wat lieflijks: eerst Droomvlucht en dan de Fata Morgana. Maar oei…in de Fata Morgana komen wel heel veel stereotypes voorbij. Hoe lang zal het nog duren voordat iemand roept: ‘Dat kan écht niet meer: dat vrouwen in harems figureren, mensen uit het Midden-Oosten als bedelaars in lange jurken worden gepresenteerd en dat tijgers als huisdier worden gehouden.’ Wat ooit als het sprookje van Duizend-en-een-nacht iedereen in vervoering bracht, kan na 70 jaar Efteling wel eens haar langste tijd hebben gehad. Ook monsieur Cannibale heeft het veld al moeten ruimen.

Van de Fata Morgana rukken we op naar de Vliegende Hollander: ook behoorlijk heftig als je het mij vraagt. En omdat we nu toch weer in de flow van ‘hard en eng’ zitten, pakken we ook meteen maar even de Vogelrok mee. Maar dan moet middelste zus bijna spugen en wordt het hoogtijd voor het Sprookjesbos. Hier ligt onze jeugd; hier hebben we hele vakanties doorgebracht. Ik kon er geen genoeg van krijgen.

Maar wat is dat nou? Roodkapje, Assepoester, Raponsje, De put van Vrouw Holle… kan dat eigenlijk allemaal nog wel? Zo rolbevestigend, vrouwonvriendelijk en stigmatiserend. Mag je een kind deze verhalen nog wel vertellen of is het tijd voor wat meer genderneutraliteit? En dan dat rare mannetje: Repelsteeltje. Elke avond danst en zingt hij in zijn huisje: “niemand, niemand, niemand weet, dat ik Repelsteeltje heet.” Deze loner zou vandaag de dag heel wat bagger over zich heen krijgen via de socials. Oudste zus doet Repelsteeltje al dansend en zingend na en een groepje kinderen kijkt haar angstig aan.

Door naar het kabouterstadje dan maar, waar het kaboutervrouwtje nog altijd zingend de was doet en de kaboutermannen in het plaatselijke verzorgingshuis zitten te nixen. Ook al niet meer van deze tijd. Het verhaal van Klein Duimpje dan? Veel te luguber: ouders die tot 3 keer toe hun kinderen helemaal alleen achterlaten in het grote, donkere bos. De toeslagenaffaire is er niets bij. Of wat denk je van Hans en Grietje die door de heks als een heuse feeder vetgemest worden? Ik ben bang dat er nog veel meer feeders in de echte wereld zijn, want wat waggelen er veel dikke mensen door het park; om bang van te worden.

We lopen door naar de Vliegende Fakir waar broer zich nog altijd afvraagt ‘hoe die gozer dat toch flikt: vliegen en met een valse fluit de tulpen omhoog blazen. Als ik mijn afval in de gulzige mond van holle, bolle Gijs laat verdwijnen, realiseer ik me direct hoe fout deze handeling is. Maar ondanks al deze bezwarende omstandigheden blijft het Sprookjesbos betoverend mooi. De wereld is hier zo overzichtelijk. Iedereen kent zijn rol. Lange Jan houdt de wacht, de elfjes dansen, de trollen pesten en zaaien tweedracht, de heksen zijn boosaardig, het volkje van Laaf is een achterlijke cultuur en de Toverboom en de Trollenkoning vertederen.

Het is 18.30 uur: we gaan nog één keer racen in de slingerende, voortrazende karretjes van Joris en zijn draak en dan naar huis om op de bank alle vier als een blok in slaap te vallen. ’s Nachts beleef ik het hele avontuur nóg een keer in mijn dromen.

Twee keer de Efteling voor de prijs van één. Als een kind zo blij.

Uitgelicht

Verdronken

Er is een man verdronken in de Rijn. Precies bij het strandje dat ik met regelmaat passeer als ik weer eens door de uiterwaarden struin. De man kon eigenlijk helemaal niet zwemmen, maar tóch was hij het water ingegaan. Andere badgasten hadden gezien hoe hij langzaam steeds verder het water in liep. Tot zijn knieën, zijn middel, zijn borst. En allemaal zagen ze hoe hij tenslotte kopje-onder ging en niet meer bovenkwam.

Raar toch? Wie doet dat nou? Omstanders hebben nog geprobeerd om hem terug te halen, maar hij was nergens meer te vinden. Later zijn er nog wel wat spullen aangespoeld: een schoen en een shirt, maar de man zelf is nooit gevonden. Verdronken en meegenomen door de Rijn.

Laatst ben ik op de fiets naar het Verdronken Land van Saeftinghe geweest. Ik stond in de buurt van dit Verdronken Land op een camping en iemand vertelde dat het een mooie fietstocht zou zijn. Eerst wilde ik niet gaan, want wie maakt er nou een fietstocht naar een verdronken land? Ik ga toch ook geen fietstocht maken naar het strandje van de verdronken man. Maar de mevrouw op de camping bleef maar zeggen hoe mooi het Verdronken Land van Saeftinghe in Zuid-Beveland is. Dus ben ik uiteindelijk toch maar gegaan.

Eerst fietste ik vanuit Kalmthout naar de havens van Antwerpen en daarna zette ik koers richting Yerseke om kort daarna aan te komen bij het Verdronken Land. Bij een informatiebord ging ik op een bankje zitten om eens goed rond te kijken. Twee dames die aan de wandel waren, kwamen er even bij zitten. “Ik zie niks, alleen maar water”, liet een van hen zich ontvallen. En dat is precies wat het is. Hier op deze plek zijn in de loop van heel veel jaren maar liefst 250 dorpen langzaamaan kopje-onder gegaan. Om nooit meer terug te komen. Er zijn nog wel wat spullen gevonden: gebruiksvoorwerpen, munten en bekers, maar feitelijk zijn de dorpen spoorloos verdwenen. Logisch dat hier niets, maar dan ook niets te zien is. De bedrijvigheid van vroeger is ten onder gegaan in het water. En sindsdien is het hier stil, heel erg stil.

Net zo stil als bij het strandje aan de Rijn. Daar komt geen mens meer, want iedereen denkt aan de verdronken man. Op mijn bankje aan het water denk ik aan al die mensen, koeien en schapen die hier verdronken zijn en nooit meer teruggevonden werden. Watervogels hebben hun plaats ingenomen. De vogels van het Verdronken Land van Saeftinghe. Ga zeker een keer kijken. Je vindt er niets anders dan heel veel water.

Uitgelicht

Zo stil in mei!

Het is doodstil in het kleine zaaltje van het Mariapaviljoen in de Bosche binnenstad. Als de laatste klanken van het Taptoe-signaal wegsterven, buigt iedereen deemoedig het hoofd om stil te staan bij de vele slachtoffers van oorlog en geweld. “Nooit meer oorlog,” memoreer ik in gedachten, “en wat gebeurt er? Er is meer oorlog dan ooit tevoren. Mali, Jemen, Syrië, Afghanistan, Oekraïne…” De wereld huilt en tijdens die twee minuten van intense stilte huil ik zachtjes mee.

Vanavond ben ik op een bijzondere plek om naar aangrijpende vertellingen te luisteren. Verhalen over de oorlog. Een oorlog waarin ontelbare mensen alles verliezen: hun huis, hun baan, elkaar, hun waardigheid, hun geloof en vertrouwen. ‘Nooit meer oorlog‘ wordt het mantra na de bevrijding. Maar de gevechten blijven: alsof de mensheid niet zonder oorlogen kan. Iedere keer weer blijken machtswellust en miskenning de perfecte voedingsbodem te zijn, om sluimerende conflicten op te doen laaien.

Als ook ná de twee minuten de stilte nog zwaar in de ruimte hangt, zet de eerste verteller het verhaal in van de oude Günther die op zijn sterfbed nog altijd worstelt met de fouten die hij indertijd als jonge sergeant in het Duitse leger heeft gemaakt. “Had ik maar anders gekozen. Had ik maar anders gedaan! Had ik maar…!”

Terwijl ik ingespannen luister om geen woord van het indrukwekkende verhaal te missen, zwelt in het naastgelegen zaaltje een kabaal aan. Er wordt vrolijk gezongen, geroepen, getoost en gelachen. Iemand is 60 jaar geworden en de vriendenschaar verrast haar met een supriseparty. Het lawaai staat haaks op de stilte die nodig is voor onze vertelavond. “Laten we gewoon even wachten”, oppert iemand. “Zo meteen krijgen ze het veel te warm en gaan ze wel naar buiten. Dan kunnen wij door met onze verhalen.” “Waarom gaan wij niet naar buiten?”, stel ik als wedervraag. “Dan zoeken we ergens een plek onder een boom om de vertellingen voort te zetten.” En dat doen we.

Voorzien van oude dekens en kussens zet de groep zich in beweging om een plekje te zoeken onder de grote boom op het plein. Van onder een dekentje luister ik verder naar het verhaal van ‘De poppenspeler van Warschau’ naar het boek van Eva Weaver. Het verhaal van het 14-jarig, Joods jongetje Mika wiens grootvader op straat wordt doodgeschoten door de Duitsers. Mika krijgt zijn overjas en vindt in de voering een paar handpoppen. Zo wordt Mika poppenspeler. Hij vermaakt de kinderen in het getto van Warschau en geeft hen hoop. Een Duitse officier dwingt hem om ook voor de Duitse troepen op te treden.

De rumoerige omliggende straatjes, de schaarse verlichting op het plein en de oprukkende avondkou geven het verhaal een nog diepere dimensie. Ik voel het verdriet en de eenzaamheid van Mika die alles kwijt raakt. Maar ik word ook geraakt door de fantasie en het doorzettingsvermogen van de kleine jongen die zijn lievelingspop de Prins steeds weer een oplossing laat vinden voor de meest ondraaglijke situaties. En zo overleeft hij de verschrikkingen van de oorlog.

Ik luister naar het verhaal. Het is stil, muisstil. Geen twee minuten, maar meer dan 60 minuten. En als de verteller na de slotzin langzaam buigt, branden de tranen in mijn ogen. Want wat nooit, nooit meer had mogen gebeuren, gebeurt nog altijd. Elke dag.

Het is zo stil in mij, Ik heb nergens woorden voor
Het is zo stil in mij en de wereld draait maar door

Zo stil in mij
Dik Hout


Uitgelicht

Rooie Truus

Het kost wat overredingskracht, maar uiteindelijk lukt het de vriend. Op de laatste dag van ons weekje Vlieland doen we toch nog mee met de excursie ‘Het verborgen bos’. “De gids wacht jullie op bij de vuurtoren”, zegt de mevrouw van de VVV. “Ze is te herkennen aan een groen jasje en vuurrood haar. Net als de vuurtoren zelf.” En ze lacht alvast maar zelf om de flauwe grap die ze natuurlijk al honderdduizend keer heeft gemaakt.

Zowel Truus als de vuurtoren zijn inderdaad niet te missen; al wordt het hoogtijd dat Truus haar uitgroei weer eens in de rode verf zet, wil ze haar bijnaam eer aan blijven doen. We gaan op pad: het verborgen bos in waarbij Truus ons weggetjes belooft die de ‘normale eilandtoerist’ nooit zal kunnen vinden. Dat lijkt mij sterk, want Vlieland is een piepklein eiland met weinig bos waar je in ‘een poep en een zucht’ doorheen bent. Sterker nog: eerder deze week hebben we op een lange wandeling zowat elk bospaadje van het eiland verkend.

Maar goed, Truus belooft ons veel moois. “Ruik je het bos?”, vraagt ze vol verwachting naar ons kijkend. En ja, de dennenbomen ruiken heerlijk op deze vroege ochtend. En ook de vogels jubelen dat het een lieve lust is. “Van vogels weet ik niets”, helpt Truus mij meteen uit mijn droom. “Ik kan nog geen koolmees van een vink onderscheiden”, voegt ze er geheel overbodig aan toe. En ik maar denken dat ik op deze excursie nog wat onbekende vogels ga spotten. Nee hoor, niet zo lang Truus de gids is.

“Er staat hier heel veel mos”, merkt Truus op en ondertussen maakt zij een weids gebaar. Blij spits ik mijn oren, want als ik vandaag het nodige over mossen te weten kom, maakt dat alles weer goed. “Maar ook van mossen heb ik totaal geen verstand”, verzucht Truus. En bijna krijg ik medelijden met haar, ware het niet dat deze vrouw me zwaar begint te irriteren. Zéker als we na 20 minuten slenteren en het aanhoren van saaie verhalen over wat bomen en struiken de vraag krijgen ‘of we koffie of thee willen?’. “Want ja… ik heb de rugzak niet voor niets meegenomen.” Alsof je een excursie doet om thee te gaan drinken!!! Nou ja! Het moet niet gekker worden.

“Ik heb rooibos en kamille”, biedt Truus mij aan als ik na enig aandringen van haar kant toch maar voor een kop thee kies. En terwijl de vogels om ons heen het hoogste lied zingen en de mooiste mossen staan te pronken in het zonlicht, geeft Truus haar mening over van alles en nog wat. Want van vogels en mossen weet ze niets, maar van de toestand in de wereld des te meer. “Ik snap alles wat er gebeurt hoor, ” beweert Truus met de nodige stelligheid, “maar als de hoge heren in Den Haag nou eens beter nadachten dan zou het allemaal heel anders gaan in de Nederland en zeker ook op Vlieland.”

Was ik maar nooit, nooit! meegegaan met rooie Truus.

‘ Rooie Truus‘  is het tweede verhaal uit de serie ‘ Verhalen op Vlieland 2022‘. Lees ook deel 1 uit deze serie: ‘Hhhhoempp’.

Lees ook de serie van vijf verhalen over Schier: ‘Nelson Mandela’, ‘Paal 16′, ‘Yoga aan zee‘, ‘Donker‘ en ‘Puttertje‘.

Uitgelicht

Hhhhhoemppp!

“Wat was dat nou voor een geluid?”, fluistert de vriend en meteen staat hij doodstil. Ook ik verzet geen stap meer en luister met ingehouden adem. ‘Hhhhhoempp, hhhhoempp, hhhhoempp’, klinkt het naast ons in het riet. Ik zie niets bewegen, maar dit diep bassende geluid is onmiskenbaar de roep van een roerdomp. Een uiterst schuwe vogel die je maar zelden ziet, maar die wij – hier op onze wandeling door de Vlielandse duinen – wel mooi te horen krijgen.

“Mijn dag kan niet meer stuk”, roept de vriend met een tevreden grijns op zijn gezicht. “Ik had niet durven dromen dat ik deze rare snuiter ooit nog eens zou tegenkomen. En nu zit hij hier vlak naast ons.” Nog lang blijven we in het riet turen, maar de roerdomp komt niet tevoorschijn. Vandaag blijft het bij het scoren van zijn rare roep: “hhhhoempp, hhhhoempp, hhhhoempp”. Geweldig!

Als we verder wandelen zien we grauwe ganzen met een hele trits kleintjes achter zich aan. Zo kleurloos als de ouders zijn, zo mooi groen en donzig zijn de kuikens. En als we óók nog de kluut, de wulp, de tureluur, de lepelaar, de wintertaling en de pijlstaart ontdekken maken we een vreugdedansje. De groenling speelt duidelijk een spelletje met ons. Overal is zijn raspende roep te horen, maar het duurt tergend lang voor de groene schoonheid zich laat zien.

Op het strand maak ik foto’s van mijn favoriete vogeltje: het drieteenstrandlopertje dat onophoudelijk heen en weer loopt langs de waterlijn. Op een strekdam ontwaar ik tussen een groep rustende vogels een steenlopertje; ook al zo’n mooi beestje. Bijna niet van de basaltstenen te onderscheiden zo goed is hij gecamoufleerd. Hetzelfde geldt voor de tientallen kneutjes die je wel ziet vliegen, maar nauwelijks kunt spotten als ze eenmaal in een boom zitten. Ik zou nog veel meer vogels aan kunnen halen, want op een dag als vandaag zet ik zo’n 40 verschillende vogels op het lijstje. Het is april: misschien wel de beste tijd om als vogelliefhebber Vlieland aan te doen.

Als ik na het avondeten terugloop naar mijn hotelletje hoor ik hoog in de boom een merel uitbundig zingen. Ik blijf staan om te luisteren. “Zie je wat moois?”, vraagt een man mij in het voorbijgaan. “Een merel,” zeg ik, “zo alledaags als wat, maar zijn lied blijft ontroeren. En terwijl de merel vrolijk kwinkeleert, denk ik tevreden terug aan al het moois dat ik vandaag gezien en gehoord heb.

Gezien:
* aalscholver * bergeend * blauwe reiger * brandgans * bruine kiekendief * buizerd * Canadese gans
* drieteenstrandloper * eidereend * fazant * fitis * graspieper * grauwe gans * groenling * huismus
* kanoet * kauw * kievit * kluut * kneu * kokmeeuw * koolmees * kraai * kwikstaartjes * lepelaar
* nijlgans * mantelmeeuw * meerkoet * merel * pijlstaart * roerdomp * roodborsttapuit
* scholekster * steenloper * tjiftjaf * tureluur * vink * wilde eend * wintertaling * wulp * zilvermeeuw

‘ Hhhhoempp‘  is het eerste verhaal uit de serie ‘ Verhalen op Vlieland 2022‘.

Lees ook de serie van vijf verhalen over Schier: ‘Nelson Mandela’, ‘Paal 16′, ‘Yoga aan zee‘, ‘Donker‘ en ‘Puttertje‘.

Uitgelicht

Healthy socks

“Alstublieft”, zegt de Nationale Postcodeloterij tegen de vriend. “Hier hebt u uw duurzame sokken. Deze heerlijk zachte sokken zijn grotendeels gemaakt van visnetten die in de zee zijn achtergelaten.” En dat dát er een hoop zijn, bleek laatst maar weer eens toen ik een documentaire zat te kijken over de alsmaar groeiende ‘soep’ in onze zeeën en oceanen. Plastic ‘drerrie’ die het leven van vissen, dolfijnen, schildpadden en ander wonderbaarlijk zeeleven ernstig in gevaar brengt.

Maar nu zijn daar de ‘healthy socks’ gemaakt van oude visnetten die zijn opgedoken door milieubewuste jongens en meiden van de Stichting Healthy Seas. Van de oude netten wordt opnieuw nylondraad gemaakt waarna het gecombineerd wordt met biologische katoen. Natuurlijk geen gewone katoen! Heb je wel eens gezien hoe katoen gewonnen en bewerkt wordt? Mijn hemel! Heel veel mannen, vrouwen en kinderen in arme landen moeten hun brood verdienen in de textielindustrie. Maar deze industrie is zó vervuilend dat je eigenlijk niet met goed fatsoen in een broek of shirt van katoen kunt lopen. En natuurlijk al helemaal niet als je kledingstuk te koop werd aangeboden in een van die goedkope winkels waarvan ik de namen niet zal noemen. Daar wil je toch niet in gezien worden als je het voortbestaan van onze planeet nog een beetje respecteert!

Wat was ik dan ook blij toen ik laatst een hele mooie tuniek vond volledig gemaakt van gerecycled materiaal. Ook hierin waren grotendeels plastics verwerkt in de hoop de alsmaar groeiende afvalberg te verkleinen. Wist je dat je tegenwoordig hele leuke tassen kunt kopen, gemaakt van afgedankte spullen? En dat heel veel gebruiksartikelen ook in bamboe zijn te verkrijgen? Biologische wijnen doen al lang niet meer onder voor de reguliere wijnen. En plantaardige, ecovriendelijke schoonmaakspullen blijken je huis perfect schoon te kunnen houden. En chocolade en koffie? Die haal ik alleen nog maar bij eerlijke producenten. Want ‘eerlijkheid duurt het langst’ riep mijn moeder al toen wij nog klein waren.

Dus nu loopt de vriend op ‘eerlijke’ sokken. Sokken die de zee weer een beetje schoner maken en hem voorzien van een goed verhaal. Mooi toch? Doe je mee met het verkleinen van je footprint? De vissen en dolfijnen zullen je dankbaar zijn.

Uitgelicht

Eigenwijs

Zoals zo vaak loop ik mijn wandeling vanuit huis naar het buitengebied. Ik heb er flink de pas in als ik voor mij een oudere man in een rolstoel tergend langzaam vooruit zie gaan. Aan zijn rolstoel is een blindenstok bevestigd. En zie ik dat nou goed? Hij trippelt slechts met één been; het andere been ontbreekt. Steeds stopt de man even om met zijn stok te voelen hoe het pad verder gaat. Niet om aan te zien. Hier moet wat hulp geboden worden.

“Wilt u een handje”, vraag ik hem in het voorbijgaan. “Graag”, zegt de oude heer zachtjes. “Ik geloof dat ik op het verkeerde pad zit.” Ferm grijp ik de handvatten van de rolstoel en duw hem vooruit. “Waar moet u heen?”, vraag ik en de man noemt een straat die ik niet ken. “Voorlopig recht vooruit”, zegt hij, “en bij de eerstvolgende kruising zal ik wel even voelen waar ik ben.”

“Wie ben jij eigenlijk?”, vraagt hij, “en wat brengt je hier?” Ik zeg hem mijn naam en vertel hem op hoofdlijnen waarom ik regelmatig een wandeling maak. “En wie bent u?”, vraag ik hem, “en wat brengt u hier?” In een tas aan zijn rolstoel zitten flink wat boodschappen. Hij is dus op eigen gelegenheid helemaal naar de winkel gegaan en dat moet een pittige tocht zijn geweest. Hoe krijgt deze man dat voor elkaar en hoe gaat het verder? “Ik heet Frits”, vertelt hij. “Door die verdomde suikerziekte ben ik geleidelijk aan blind geworden. En drie jaar geleden is mijn linkerbeen geamputeerd. De wonden genazen niet meer en de kans op bloedvergiftiging werd te groot. Ik heb een prothese waar ik prima mee kan lopen hoor! Maar vorige week ben ik gestruikeld en heb ik mijn schouder geblesseerd. Heel vervelend; ik kan nu even niet op mijn stokken leunen. Vandaar die rolstoel. Gaat best, maar wel wat langzaam.”

Terwijl de man vertelt, kijk ik verbaasd naar de boodschappen. In de tas ontwaar ik suikerbrood, koekjes en het nodige snoepgoed. En alsof de man mijn verbazing voelt, zegt hij: “ja jonge dame, ik ben me er eentje. Zo eigenwijs als de nacht. De meisjes van de thuiszorg worden ook steeds boos op mijn gesnoep. ‘Of het nog niet ellendig genoeg is’, vragen ze me dan. Maar ik kan het niet laten hè; het is een verslaving. Die eigenwijsheid bedoel ik.”

En meteen stopt hij, gaat met zijn stok over het pad en bedankt mij voor de lift. “Vanaf hier red ik het wel”, zegt hij resoluut. “Fijne dag nog en tot een volgende keer.” Verbouwereerd laat ik de man gaan. Uiterst langzaam vervolgt hij zijn pad. Trippelend met één been en steeds even voelend met zijn stok. Het is duidelijk: Frits wil niet meer hulp dan strikt noodzakelijk. Na enige aarzeling wandel ik dan toch maar verder. Als ik 2 uur later thuiskom, kan ik alleen maar hopen dat ook Frits weer veilig thuis is.

Lees ook de andere verhalen uit de serie ‘De dingen die voorbij gaan‘:
Hangplek voor ouderenEen goed verhaalAlles onder controle
StroopwafelStapelboterhammen

Uitgelicht

Horen is scoren!

We maken altijd duidelijke afspraken vooraf, de vriend en ik: gaan we wandelen óf vogels spotten? Twee activiteiten die wat mij betreft écht niet samengaan. Wandelen betekent flink de pas er in houden, kilometers maken door mooie natuur om dan moe en voldaan na een paar uur weer thuis te komen. Maar als de verrekijker mee gaat, weet ik al dat we bij elk geluidje of gefladder stilstaan. Dat we minutenlang zullen turen in de hoop dat de vogel zich zal laten zien. En als een van ons tweeën dan iets ontwaart in de toppen van de bomen, het struikgewas of het weiland dan gaat de kijker aan de ogen in de hoop dat het mooie vogeltje zich nader laat bekijken. Nee, vogels spotten is beslist het tegenovergestelde van wandelen. Dan moet je niet op willen schieten, dan blijf je juist stilstaan: om de haverklap. Dus vandaar die heldere afspraak vooraf: gaan we wandelen of vogels spotten?

Vandaag kiezen we voor wandelen. Het wordt een mooie tocht van ruim 18 km over het Duitse lijntje. We moeten flink doorstappen; zeker omdat we pas na tweeën vertrekken en er slecht weer is voorspeld in de namiddag. Maar na twee kilometer gaat het al mis. Terwijl we in ferme tred over de paden gaan, laat opeens de groene specht zijn karakteristieke lach horen.

“Horen is scoren”, merkt de vriend genoegzaam op. Onder echte vogelaars wordt deze spelregel behoorlijk serieus genomen. Eerlijk gezegd vind ik het maar een rare regel; je kunt met gemak vals spelen door gewoon te zeggen dát jij iets hoort; niemand die om nader bewijs vraagt.

Nog zo’n spelregel waar echte vogelaars zich graag aan houden, is het aanleggen van lijstjes met een uiterst nauwkeurige omschrijving van welke vogel, waar en wanneer is gezien. Op zo’n lijstje prijken ook altijd de nodige ‘wensvogels’. Vogels waarvan je droomt om ze een keer te spotten. Nou… lijstjes heb ik niet zo veel, maar ‘wensvogels’ des te meer. Er zijn nog altijd te veel vogels die ik (nog) niet zie of (nog) niet herken.

Maar wat zit ik hier nou te raaskallen over de regels van het vogelspotten? Ik kan mij beter druk maken over onze eigen spelregels. Want gelijktijdig met de opmerking ‘dat we hier de lach van de groene specht horen’, zie ik een verrekijker uit de rugzak komen die rap aan de ogen wordt gezet. Niks 18 km tempo maken. Het wordt een wandeling van stilstaan en wachten. Wachten, wachten, wachten.

Een paar boze woorden later geef ik me maar over aan hetgeen onafwendbaar lijkt. Het wordt vandaag een latertje en we zullen het zonder twijfel koud krijgen. Maar als we net voor het donker thuiskomen, moe en voldaan, hebben we als echte vogelaars een aardig lijstje op weten te stellen. Want horen is scoren, maar zien is nog altijd een tien!

ZienHoren
spreeuwgroene specht
vinkkoekoek
huismusgrote bonte specht
staartmeesgroenling
koolmeeshaan (na 6.00 uur)
boomkleverpauw
buizerd
tjiftjaf
ekster
merel
kraai
kievit
gaai
Uitgelicht

Winterkoning

Hij zit al een hele tijd in mijn tuin te scharrelen. Trippelend door het dikke bladerdek dat nog altijd op het pad ligt. Turend in elk kiertje en gaatje, op zoek naar zaden, wormen en insecten. Je ziet hem nauwelijks tussen het dorre blad. Zijn vaalbruine kleur vormt de perfecte camouflage. Een piepklein bolletje met een olijk opstaand staartje. Zijn grootse naam past totaal niet bij zijn verschijning. Over wie ik het heb? Over de winterkoning natuurlijk.

Van kop tot staart meet de winterkoning amper tien centimeter En op de weegschaal komt hij niet verder dan het gewicht van twee suikerklontjes. Ook zijn verschijning is niet echt koninklijk als je hem vergelijkt met ander grootheden onder de vogels zoals de zeearend, de havik of de pauw. En koning van de Winter? Echt niet; de kleine rakker kan helemaal niet tegen kou. Strenge winters zorgen er voor dat zijn soortgenoten massaal het loodje leggen. Met slechts negen gram gewicht kun je natuurlijk ook nauwelijks vet onder de veren hebben. Hoe komt dit onopvallende vogeltje dan toch in hemelsnaam aan zo’n grootse naam? Ik zal het je vertellen.

Op een dag – lang gelden – kwamen alle vogels bij elkaar op een open plek in het bos. Net als de andere dieren wilden ook zij een echte koning: een koning van de vogels. Maar hoe kies je een koning uit je midden? Moest hij de grootste zijn? De sterkste, de snelste, de mooiste? Na intensief overleg kwamen alle vogels tot de conclusie dat degene die het hoogste kon vliegen de koning van de vogels zou moeten zijn. En zo geschiedde.

Er werd een jury gevormd bestaande uit laagvliegers zoals de korhoen, de kwartel en de meerkoet. En nadat de meerkoet met een schelle kreet het startsein had gegeven, vlogen alle vogels pijlsnel de lucht in, hoger, hoger, alsmaar hoger. Maar daar kwamen de eerste al weer naar beneden en rap volgden er meer. Pffff…het ging hen veel te hoog; dat was niet vol te houden.

Toen alle vogels afgevallen waren en alleen nog de adelaar hoog in de lucht zelfverzekerd zijn cirkels draaide, leek de strijd beslecht te zijn. De adelaar keek eens goed om zich heen en maakte nog een ererondje. En juist op het moment dat hij besloot om met een duikvlucht naar beneden te gaan om zijn overwinning op te eisen, ontsnapte een klein, bruin vogeltje uit zijn verendek. Al die tijd had het kleintje zich schuil gehouden, maar nu liet het luidruchtig van zich horen. Zo’n 10 meter boven de adelaar draaide hij rondjes en jubelde hij: “Kijk: ik vlieg het hoogste van allemaal. Ik ben de koning”. Alle vogels op de grond waren met stomheid geslagen. Wat flikte die kleine nou? Eenmaal op de grond beschimpten en bespuugden ze hem. Maar de adelaar moest hartelijk lachen om deze kleine doerak en hij sprak: “De wedstrijd is niet helemaal eerlijk gegaan, maar de moed en vindingrijkheid van dit vogeltje móeten beloond worden. Ik stel voor dat ik ’s zomers uw koning ben en dat dit vogeltje voortaan uw winterkoning is.” En zo gebeurde het.

Het kleine vogeltje was maar wat blij met deze eervolle benoeming. En om zijn blijdschap te tonen, laat hij – als een van de weinige zangvogels – ook in hartje winter luidruchtig van zich horen. Want tegen de kou kan hij niet, maar zingen kan hij als de beste. Je hoort zijn gejubel al van verre. Het gezegde ‘klein postuur, grote mond’ moet wel voor deze kleine schavuit bedacht zijn. Hou hem in de gaten; hij is een koning.

Deel 3 uit de serie: Kinderverhalen voor volwassenen
(Lees ook eerdere verhalen uit deze serie: ‘Het veulentje dat een panter wilde zijn‘ en ‘Het tegendraadse boompje’


Uitgelicht

Gevaar op ’t klein wc’tje

Kent u dat schaamtevolle gevoel? Dat je – uitgerekend als je op het werk bent – de niet te negeren noodzaak voelt om naar het toilet te gaan, omdat zich een grote boodschap aandient. Je wilt niet! Stel dat je stinkt! Je wilt écht niet! Maar er is geen houwen meer aan: JE MOET! En nu maar hopen dat er niemand voor de deur gaat staan te wachten, terwijl jij op het toilet zit. OMG… Je krijgt het op voorhand al benauwd.

Maar niet onze kleine psychiater op een van mijn vroegere werkplekken. Het heeft heel wat speurwerk gekost om de dader van de dagelijkse stankterreur op te sporen, maar het is gelukt. Het begon allemaal zo.

Samen met een collega werk ik op de vijfde etage van een groot kantoorgebouw. Naast onze tweepersoonsafdeling is op de verdieping ook een vleugel gereserveerd voor de directie, het secretariaat en de medische staf. Op deze drukbevolkte etage delen we met z’n allen één grote toiletgroep. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naar mannen en vrouwen: de toiletten zijn – heel modern – genderneutraal. Direct grenzend aan deze grote toiletruimte is er ook nog een ‘gezellig’ klein wc’tje.

Mijn collega heeft een zwakke blaas en moet met regelmaat de werkplek even verlaten. De eerste keer dat zij terugkomt met de opmerking: “Je bent gewaarschuwd: gevaar op het klein wc’tje”, zorgt voor een vrolijk moment. Maar in de daaropvolgende dagen vergaat ons al gauw het lachen en ontdekken we een patroon. Het ‘gevaar’ is altijd op het klein wc’tje en wordt een terugkerend ongenoegen elke ochtend kort na 9.00 uur. Nou ja, bijna elke ochtend; soms wordt er een dag overgeslagen. En soms twee tot drie weken; meestal in vakantietijd.

Als echte stankrechercheurs gaan we schema’s aanleggen. Wie is op welke dag aanwezig? Hoe laat en hoe lang? En nadat alle bewijsvoering uiteindelijk goed in kaart is gebracht, leidt het spoor onherroepelijk naar onze kleine psychiater (een mannetje van 1.60 meter) die elke morgen, direct na de koffie, linea recta doorgaat naar het klein wc’tje. Hebbes: de eigenaar van de dagelijkse stankoverlast is ontmaskerd.

Tot een veroordeling of een openbare terechtstelling is het nooit gekomen. Eigenlijk praten mijn oud-collega en ik tijdens onze jaarlijkse lunch nog altijd met enige ‘jaloezie’ over de man die ons zo schaamteloos dag in dag uit trakteerde op zijn onprettige geuren, terwijl ons het schaamrood al naar de kaken vliegt bij het gevoel van aandrang van een grote boodschap. Kent u dat schaamtevolle gevoel?

Dit verhaal is naar waarheid opgetekend in speelt zich af in een van mijn vroegere werksituaties.

Uitgelicht

Ruzie maken

Ik kan er vol bewondering naar kijken: mensen die boos worden, tegen elkaar tekeer gaan, het weer goed maken en gewoon verder gaan. ‘Ruziemaken’ is een vaardigheid die je moet leren. Dan is het maar wat fijn als je daar al op jonge leeftijd mee kunt beginnen. En nog fijner is het als je een beetje hulp krijgt bij het leerproces.

Nou heb ik zelf als kind niet geleerd om op een verantwoorde manier ruzie te maken. Inmiddels kan ik het wel een beetje hoor, maar écht handig ben ik er nooit in geworden. Mijn moeder was namelijk een groot voorstander van ‘de lieve vrede’.

Als wij, kinderen, eens een keer flink boos op elkaar waren – omdat de ander zat te vervelen, je spullen kapot had gemaakt of gewoon je hopeloos irritante broer of zus was – wilden wij nog wel eens schelden en een robbertje vechten. We kenden gewoon geen andere manier om de opgekropte gevoelens een uitweg te geven. Maar op zo’n moment greep mijn moeder resoluut in en zette zij ons op een stoel pal tegenover elkaar. Daar moest je dan blijven zitten en elkaar aankijken. En ondertussen nadenken over wat er fout was gegaan. Je mocht van de stoel opstaan en weer verder spelen nádat je elkaar een hand en een kus had gegeven en – elkaar diep in de ogen aankijkend – had gezegd ‘dat je het nooit meer zou doen’. (Wat natuurlijk één grote leugen was!)

Het was zaak om niet te snel toe te geven. Wie als eerste opstond was de zwakkeling die bekende fout te zijn geweest. Dát kon natuurlijk niet. Maar je moest ook weer niet te lang blijven zitten, want als mijn vader van zijn werk thuiskwam… OMG… dan zwaaide er wat.

Onbedoeld werd mijn lieve vader daarmee een beetje de ‘boeman’. Natuurlijk had hij na een lange werkdag geen zin om eens lekker pedagogisch verantwoord met twee kijvende kinderen in gesprek te gaan. Als hij na zessen thuiskwam, wilde hij zo snel mogelijk aan de maaltijd beginnen. Dus deelde hij meestal – kort door de bocht – een ferme tik uit waarna hij ons naar boven stuurde.

Lange tijd heb ik geworsteld met het onvermogen om goed ruzie te maken; liever vermeed ik de confrontaties. Nog altijd vind ik onenigheid niet fijn, maar inmiddels ga ik conflicten niet meer uit de weg. Ook als volwassene kun je alsnog leren wat je als kind niet gegeven is.

“Ging de hele wereld maar om met conflicten zoals jouw moeder dat deed“, zei een goede vriend laatst. “Dan zou ons een hoop leed bespaard blijven.“ Verbaasd keek ik hem aan. Maar toen ik even over zijn woorden nadacht, besefte ik wat hij bedoelde.

Want stel nou eens dat er wereldwijd een wet zou zijn die het oproerkraaiers en tirannen verbiedt om nog langer te schelden en te vechten. En dat je de kemphanen tegenover elkaar op een stoel zou mogen zetten van waaruit ze elkaar aan zouden moeten kijken en goed na zouden moeten denken over wat er fout was gegaan. Dat je ze de opdracht kon geven om het goed te maken met een hand en een kus én met de belofte het nooit meer te zullen doen.

Geen oorlogen en confrontaties meer; alleen nog maar ‘DE LIEVE VREDE’ zoals mijn moeder die indertijd ook al voor zich zag.

Uitgelicht

Koud

Ik neem je even mee terug naar half december vorig jaar. Het is een gure, koude dag. Zo’n dag waarop je helemaal niet buiten wilt zijn, zéker niet als het ook nog begint te regenen. Maar laat ik nou net déze dag uitgekozen hebben om op zoek te gaan naar de bestrating voor mijn nieuwe tuin. Ik ben inmiddels al op drie adressen geweest, maar wil nog heel even naar een bedrijfje dicht bij huis. Ik moet snel zijn, want het wordt al donker.

Op het buitenterrein ontdek ik een gigantisch assortiment aan stenen in zoveel maten en kleuren dat ik al gauw door de bomen het bos niet meer zie. Eens even bij dat grote gebouw kijken of ik nog iemand kan vinden om mij op dit late tijdstip te helpen. Als de deur automatisch openschuift, kijk ik in een grote, donkere loods. “Hallo, is daar iemand?” Geen respons. Ik loop wat verder de loods in; af en toe roepend. En dan hoor ik helemaal achterin geluid; ik ga er op af. En weer gaat er een deur automatisch open. Ik stap een klein kantoortje binnen waar het bloed- en bloedheet is. Een gedrongen man in een rolstoel kijkt mij afwachtend aan. Hij heeft een dikke, gewatteerde jas aan en zijn capuchon is strak aangetrokken.

Enigszins overdonderd door de aanblik van de man, begroet ik hem. “Ik ben op zoek naar bestrating voor mijn nieuwe tuin, ” laat ik hem weten. “Maar er ligt hier zo veel dat ik niet weet waar ik moet beginnen.” “Dan begin ik maar bij het begin”, zegt de man en hij stelt een paar vragen om mijn ideeën en smaak te ontdekken. Om mij vervolgens – met minuscule bewegingen van zijn rechterhand – razendsnel alles op internet voor te toveren. Binnen drie kwartier zijn we er grotendeels uit. Nadat hij een offerte heeft uitgeprint, bedank ik hem voor de hulp en duidelijke uitleg. “Je vindt de weg wel terug hè?”, besluit hij ons gesprek. Ik wil niet flauw doen, maar ik vraag mij af hoe ik ooit weer uit deze loods moet komen; het is inmiddels aardedonker. Gelukkig biedt de zaklamp op mijn telefoon uitkomst.

Maar op weg naar huis laat het beeld van de gehandicapte man in zijn kantoortje mij niet meer los. “Ik heb het ijskoud,” had hij gezegd. “Vandaar dat ik mijn jas aan heb en mijn capuchon heb opgezet.” Die man zat daar moederziel alleen en kon slechts met één hand zijn muis, telefoon en joystick van de rolstoel bedienen. Dat is toch onverantwoord; zo’n werkplek zo achteraf, zo alleen en zo in het donker? Die nacht slaap ik zo slecht dat ik besluit om de volgende dag met een smoesje nog even terug te gaan.

Ik loop over het terrein naar de ingang van de loods. De deur gaat weer automatisch open. Ik loop door de loods naar achteren; nu weet ik de weg. Ook de tweede deur glijdt vanzelf open. En daar zit hij weer: de man in de rolstoel. “Ik zag je al van verre aankomen hoor. Zo’n 20 camera’s houden hier voor mij alles in de gaten. “Ik wilde alleen maar even zeker weten dat het goed met u gaat”, zeg ik zachtjes. “Met mij gaat het prima”, laat de man weten. “Ik kan niet veel, maar ik red mij met weinig. En wat ik zelf niet kan, lost de technologie voor mij op; net zo makkelijk. Alleen die kou gisteren hè. Daar had ik even niet van terug. Die bracht mij zó uit mijn doen. Gelukkig is het vandaag weer helemaal anders. Kopje koffie dan maar, nu je hier toch bent?”

Na een half uurtje neem ik weer afscheid. “Je weet de weg wel terug hè?”, besluit hij wederom ons gesprek. Eenmaal buiten haal ik opgelucht adem. Het is koud, maar lang niet meer zo koud als gisteren.

Uitgelicht

Pantoffelhelden

Het zou een superrustige, misschien zelfs wel saaie, wandeltweedaagse worden. Gewoon urenlang over de paden struinen, foeragerende watervogels kijken en misschien zelfs een bever aan het werk zien. Want naar het eiland Tiengemeten – gelegen in het Haringvliet – ga je beslist niet als je van actie en avontuur houdt. Dit piepkleine eilandje zoek je op als je even geen mens tegen wilt komen en volledig op wilt gaan in een immense stilte. Zou toch moeten lukken in het laagseizoen en met slechts negen eilandbewoners!

Toch pakt mijn bezoek aan het eiland volledig anders uit. Want juist voor de dagen dat ik samen met de vriend een minivakantie op Tiengemeten wil houden, voorspelt het KNMI wind, héél véél wind. En met de zware storm Eunice in aantocht, zal het verre van stil zijn en is geen vogel zo gek om zich te laten zien. Nou ja een paar wilde eenden en de onverschrokken brandganzen daargelaten; die blaas je nergens mee omver. Alle dieren die zich op het eiland voordoen hebben zich in de afgelopen uren flink volgevreten en zitten inmiddels diep weggedoken in een veilige schuilplaats.

De mevrouw van de enige herberg op het eiland belt ons op; net als we bij de vertrekplaats van het pontje aankomen. Zij heeft zojuist een ‘voorwaarschuwing’ gekregen dat ‘geen veerman vanaf het middaguur het nog aandurft om uit te varen’. Dus het kan zijn dat we vast komen te zitten op het toch al uitgestorven eiland Tiengemeten. “Het is maar dat jullie het weten.“

Maar gek genoeg doet juist dit bericht ons besluiten om met het laatste pontje van die dag ‘het Vuile gat’ over te steken. Want ja… rust is voor het eiland Tiengemeten meer dan gesneden koek, maar nú zou het wel eens spannend kunnen worden. En dát wil je toch niet missen? Ik word bevangen door een prettig gevoel van opwinding.

En dus ploeteren we ons – eenmaal aangekomen op het eiland – de rest van de dag door zompige, modderige paden. Worden de voeten nat, de handen koud en blaast de wind ons zowat van de dijk af. Soms moeten we halverwege omkeren, omdat een pad door het opstuwend water met geen mogelijkheid begaanbaar is. Dan zoeken we een andere doorsteek om uiteindelijk na 5,5 uur moe, hongerig en koud bij de herberg aan te komen.

En wat doe je dan? Dan doe je je vieze kleren uit, kom je weer op temperatuur onder een warme douche, trek je wat schoons aan om tenslotte met je sloffen aan (die zijn wel heel erg met voorbedachte rade meegenomen) onder een dekentje weg te kruipen bij de open haard. “Over een uurtje serveer ik de maaltijd“, zegt de mevrouw van de herberg. En pantoffelhelden als we zijn, kijken we haar dankbaar aan. Wat nou spannende acties? Net als de dieren blijven ook wij voorlopig gewoon zitten waar we zitten. Het is hier lekker warm en zo heerlijk stil. En het avontuur? Dat komt wel een andere keer.

Verlang je ook zo naar de stilte? Bezoek dan zeker een keer het eiland Tiengemeten en doe de groeten aan die aardige mevrouw van de herberg.

Eerdere verhalen met het thema ‘wind’ vind je bij Tegenwind, Windvanger en Windwandeling.

Uitgelicht

Stapelboterhammen

Ooit was hij een goed opgeleide man met een behoorlijk hoge functie. Hij ontwierp moeilijke dingen die vaak het begin waren van nieuwe technologieën. Maar nu… nu is hij een man op leeftijd in de laatste fase van een genadeloze dementie. Een man voor wie alle normale, dagelijkse handelingen zijn verworden tot onuitvoerbare hindernissen. Taal bestaat niet meer en begrip al evenmin.

Stil kijkt meneer Rahoul de hele dag voor zich uit, niet wetend wat hij ziet, hoort, voelt of ruikt. Als hij een lekker bordje eten krijgt, kan hij niet beginnen; hij heeft geen flauw benul van wat hij moet doen met hetgeen voor hem staat. Als een verzorger deze kwetsbare man kleine hapjes eten aanreikt, kijkt hij verbaasd naar de lepel voor zijn mond.

Op een avond zit ik naast hem tijdens de maaltijd. Ik smeer een boterham en vraag wat ik er op moet doen, wetend dat ik het antwoord niet zal krijgen. Ik beleg de boterham met kaas. Dochter Marja vertelde vorige week nog dat haar vader kaas altijd erg lekker vond. Ik snijd het brood in kleine blokjes en leg enkele stukjes op zijn bord in de hoop dat hij ze zelf oppakt. Maar er gebeurt niets. Niets anders dan dat meneer Rahoul mij verwachtingsvol aankijkt. Intuïtief leg ik nóg een paar blokjes brood op zijn bord. En dan pakt deze lieve man drie blokjes in zijn hand; niet om ze op te eten maar om er mee te gaan bouwen. Langzaam en met veel gevoel voor precisie worden de broodblokjes gestapeld. Ik smeer snel nog een paar boterhammen om de voorraad aan te vullen en leg de blokjes één voor één op zijn bord. Het bouwen gaat door. En terwijl medebewoners al lang aan de koffie zitten, kijk ik vol spanning toe hoe dit verder gaat.

Als uiteindelijk, tergend langzaam, vier boterhammen zijn gestapeld kijkt meneer Rahoul mij genoegzaam aan… en dan begint hij te eten. Blokje voor blokje wordt alles tot het laatste stukje opgegeten. Ik ben met stomheid geslagen, maar geniet van dit prachtige schouwspel. Door eerst weer ‘aan het werk te gaan’ in zijn oude rol als techneut lukt het deze man uiteindelijk om weer zoiets ‘gewoons’ te doen als een boterham eten.

Na deze avond hebben we nog heel vaak samen boterhammen gestapeld. En met succes; de torens werden steeds hoger en het eten ging steeds beter.

Deze situatie is naar waarheid opgetekend en speelt zich af in zorgcentrum voor mensen met dementie waar ik op dat moment leidinggevende ben.

Lees ook de andere verhalen uit de serie ‘De dingen die voorbij gaan‘:
Hangplek voor ouderenEen goed verhaalAlles onder controle
Stroopwafel KledingadviezenEngelengeduld

Uitgelicht

Tagliatelle met paddenstoelenmix

De laatste tijd heb ik niet veel recepten meer met je gedeeld. Dat wil niet zeggen dat er niets lekkers was om te delen. Bijna elke dag geniet ik van een kleurrijke, gezonde en gevarieerde maaltijd met steeds minder vlees. Gewoon omdat ik iedere keer weer alternatieven ontdek die de moeite waard zijn. Vorige week had ik ook weer zo’n heerlijk maaltje. Ongelooflijk simpel, maar oooo zo lekker. Het recept zal ik hier even met je delen, maar het leuke aan dit maaltje is dat je het gewoon aanvult met ingrediënten die je in huis hebt. Dus maak vooral je eigen variatie op het onderstaande basisrecept.

Ingrediënten voor 2 personen:

  • Tagliatelle
  • 200 gram babyspinazie
  • bakje gemengde paddenstoelen en 200 gram kastanjechampignons
  • paar zongedroogde tomaatjes en verse gember of gember uit een potje
  • knoflook, theelepeltje koriander, (verse) tijm en (verse) peterselie
  • klein bakje crème fraîche
  • pijnboompitten
  • stukke harde parmezaanse kaas
  • truffelolie en natuurlijk peper en zout

Kook de tagliatelle volgens het recept op de verpakking. Scheur de paddenstoelen en snijd de kastanjechampignons in schijfjes. Snijd de zongedroogde tomaatjes in kleinere stukjes. Snijd de knoflook.

Verhit wat olie in de pan. Bak de knoflook en vervolgens de paddenstoelen en champignons. Voeg de kruiden naar smaak toe. Voeg de zongedroogde tomaatjes en de gember toe. Roer de crème fraîche door het geheel. Voeg als laatste de bladspinazie toe en laat deze enigszins slinken.

Rooster de pijnboompitten in een hete pan zonder vet of olie

Schep de tagliatelle op het bord. Drapeer de garnering er mooi overheen en maak af met geraspte kaas en pijnboompitjes.

En natuurlijk drink je hier een goed glas Italiaanse wijn bij.

Geniet ervan!

Wil je ook een ander recept met paddenstoelen uitproberen? Bekijk dan het recept van het broodje Shoarma-ha-ha.

Uitgelicht

Wondere wereld

Het is heel gek, maar sinds enige tijd ben ik meer op de grond te vinden dan dat ik mij rechtop voortbeweeg. Het gebeurde zomaar; van de ene op de andere dag: op het moment dat ik van de vriend een loepje kreeg. “Kun je eindelijk eens als een echte onderzoeker de wondere wereld van de mossen góed verkennen“, zei hij er nog bij.

Nou… ik denk dat de vriend met dit alleraardigst – en ogenschijnlijk volkomen onschuldige – cadeautje beslist niet weet wat hij over zich afgeroepen heeft. Want sinds ik het loepje in mijn bezit heb, ben ik nergens meer voor te porren. Wat nou werken, sporten, huishouden, eten koken? Geen tijd voor: ik moet op zoek naar al die mysterieuze mossen en aanverwant klein grut. Er is een compleet nieuwe wereld voor mij open gegaan.

Ik ben altijd al een mossenfreak geweest, maar ik heb nooit geweten dat deze plantjes zó gedetailleerd in elkaar zitten. Alsof ik via het loepje in een ouderwetse kijkdoos kijk waarin al die piepkleine mini-plantjes zich van hun beste kant willen laten zien. Zó mooi die tere blaadjes, bloempjes, gemmen, haren en sporendoosjes.

Maar ook spinnetjes en torretjes zijn de moeite waard om eens heel precies via mijn loepje bestudeerd te worden. Wat kun je een hoop aan zo’n minuscuul beestje ontdekken! Gisteren zag ik tussen het mos een spinnetje – dat ik met het blote oog niet kon zien – in een vernuftig geweven webje zitten. Om zijn lijfje 8 bolletjes waarvan ik nog steeds niet weet wat het zijn. Dus als iemand het mij kan vertellen…

Ondertussen heb ik ook al de verborgen binnenkantjes van menig schermbloem bekeken. Zo indrukwekkend om te zien dat al die kleine bloemetjes ook weer alle onderdelen van een grotere bloem bevatten. Ik ontdek nu: hoe kleiner, hoe fijner.

Wij vragen ons wel eens af of er in het grote heelal wellicht nog buitenaards leven zal zijn. Nou… ik weet inmiddels dat er in de aardbodem nog een hele binnenaardse wereld verstopt zit. Een wereld die je écht eens moet bekijken. Doe mij gewoon na: pak een loepje en ga met je snuffert op de grond liggen. Ik zweer het je: je bent verkocht!

Sinds kort mag ik een keer per maand met de mossenwerkgroep van de KNNV afdeling Wageningen op excursie. En nu kijk ik niet alleen naar al die prachtige mossen, maar leer ik er ook van alles over.

Uitgelicht

Wittebroodsweken

Bijna 6 weken geleden trouwde ik met mijn lief. Wat een grootse dag had moeten worden, veranderde in een piepklein eventje. Het uitbundige feest werd ingeruild voor een diner. Het diner wisselde weer om naar een lunch en toen ook deze uiteindelijk afgezegd moest worden, was er weinig feestelijks meer aan. Vlak voor kerst ging Nederland opnieuw in een lockdown en zou dat wekenlang blijven.

Ook de visagiste en nagelstyliste mochten hun werk niet meer doen; dat was jammer. Maar toen de kapper mij belde met de mededeling dat ik toch echt zélf mijn haren in een acceptabel modelletje moest zien te krijgen, zakte de moed mij in de elegante schoenen. Ik had op die 28ste december zo graag de mooiste bruid willen zijn. Weliswaar niet meer in het wit, maar wel lekker uitgedost en opgesmukt zoals het een echte bruid betaamt. Het ging allemaal niet door. De trouwdag werd een koude, regenachtige dag met slechts een ceremonieel moment van 45 minuten onder het toeziend oog van de trouwambtenaar. En daar moest ik het mee doen.

Maar wat blijkt…? Als zo’n belangrijke dag van alle poespas wordt ontdaan, toont zich onverwachts het échte moois in al haar glorie. Want wat hing er een vrolijke sfeer rondom de ceremonie en wat was de muziek goed gekozen. Wat waren de tien gasten blij en mooi en de voordrachten ontroerend, eerlijk, plagerig en vooral teer. Wat waren de woorden die mijn lief en ik tegen elkaar uitspraken vol liefde, dankbaarheid en eerlijke beloftes. En wat klonk het ja-woord helder en werden de handtekeningen gretig gezet. Het zijn indrukwekkende herinneringen die overblijven na deze dag. En gelukkig ook een prachtig fotoboek; in de korte tijd schoot de fotograaf zo’n 400 foto’s.

De Wittebroodsweken zijn bijna voorbij. Zes weken na onze trouwdag gaan we alsnog genieten van het diner dat op de dag zelf niet door kon gaan. En elke 28ste van de maand vieren we voortaan met een gezellig etentje en een goed glas wijn dat we op een wel héél memorabele dag met elkaar getrouwd zijn. Omdat je niet vaak genoeg kunt zeggen hoe mooi en bijzonder dat was.

Op naar een lang en gelukkig leven!

Uitgelicht

Opruimen

Voor de zoveelste keer in de afgelopen maanden open ik wéér alle kasten in mijn woonkamer en keuken voor een opruimronde. Ik verzamel de oude kopjes en glazen die nu eindelijk eens naar de kringloop mogen. Kookboeken waar ik toch nooit in kijk, gaan naar iemand die nog graag vanuit het boek kokkerelt. Ik zoek mijn recepten wel op internet. Romans die genoegzaam zijn gelezen, zet ik apart voor het boekenkastje dat binnenkort in mijn voortuin prijkt. En het roomstelletje van oma dat lange tijd aan mijn opruimwoede wist te ontkomen, moet er deze keer wél aan geloven. Suikerpotjes zijn uit de gratie gevallen; ik gebruik al jaren geen suiker meer in mijn koffie en thee. En het oude melkkannetje is zo craquelé geworden, dat ook dit kleinood niet meer met goed fatsoen op tafel gezet kan worden.

En dan stuit ik daar – helemaal achterin een keukenkastje – opeens op een bruin serviesje; gekocht van mijn eerste salaris. Net aan de slag gegaan als psychiatrisch verpleegkundige; amper 18 jaar en nog zo blue als wat. ‘Lekker thuis blijven wonen’, was door de onregelmatige diensten van meet af aan geen optie. Geen bus of trein die mij veilig kon halen en brengen. Dus moest ik – niet geheel vrijwillig – meteen op kamers. Wat deed ik een hoop moeite om mijn kleine kamertje gezellig te maken en om het leven als ‘student in de grote stad’ een beetje dragelijk te laten zijn. En wat heb ik vaak met dit serviesje koffie of thee gezet of een ontbijtje gemaakt voor mijn studiegenoten na een nacht flink doorhalen.

Ik heb de neiging om het kleinood dat zo herinnert aan mijn studententijd weer behoedzaam terug te zetten: het is nog zo onbeschadigd en compleet. Maar ja… het staat inmiddels ook al 40 jaar onaangeroerd in de kast! Dus neem ik rigoureus het besluit om het op marktplaats te zetten.

Aan het einde van de dag zijn mijn kasten een stuk leger, maar zit mijn hoofd vol herinneringen. Ik sluit de dag af met een flinke wandeling, want inmiddels weet ik uit ervaring dat ook de planken van het hoofd met regelmaat een grondige opruimbeurt nodig hebben. Of zoals mijn lieve vader altijd zei: “Hou het hoofd in top, maar het getob uit het hoofd.“

Het theeserviesje is inmiddels verkocht aan een lieve mevrouw uit het Noorden van het land. Als haar pleegkinderen ’s middags uit school komen, wacht zij hen op met aandacht, een kopje thee en iets lekkers. En zo worden er weer kostbare, nieuwe herinneringen gemaakt.

Uitgelicht

Stroopwafel

Meedraaien in de nachtdienst; dát moest ik als locatiemanager maar eens een keer doen. Zo zou ik sfeer kunnen proeven en tegelijkertijd meer beeld krijgen bij de werkzaamheden in de nacht. De ingeplande medewerker is een jonge verzorgende die voor het eerst van haar leven een nachtdienst draait; ik een oude rot in het vak die sinds haar 23ste geen nachten meer heeft gewerkt. Voor allebei dus even wennen, maar dat schept een band.

Terwijl de avonddienst ons de bijzonderheden van de dag vertelt, hoor ik zacht geschuifel op de gang. Het is meneer Tonny die nu twee weken bij ons woont. Ik loop hem tegemoet. In de stille gangen geven de nachtlampjes een aangenaam licht. “Bent u op zoek naar uw kamer?”, vraag ik hem zachtjes. In zijn hand een pakje met nog vier heerlijke stroopwafels. “Nee,” zegt meneer Tonny, “ik ben op zoek naar iemand die een lekker kopje thee kan zetten, zodat ik deze stroopwafels nog even op kan eten. Ik ben een echte snoeperd,” voegt hij er verontschuldigend aan toe.

Ik loop met hem naar de gezamenlijke huiskamer. De schemerlampjes zijn nog aan en uit de radio klinkt zacht klassieke muziek. “Welk smaakje past het beste bij uw stroopwafels?” Hij kiest voor Rooibos. “Doe je gezellig met mij mee?”, vraagt hij vriendelijk.

En even later zitten we samen in de gemakkelijke stoelen met een kopje thee en een stroopwafel en praten we over de dag die naar zijn zeggen behoorlijk druk was. Hij heeft vandaag wel 30 gehaktballen gedraaid aan de grote tafel in de keuken. En vanavond heeft hij met zijn familie belangrijke zaken besproken.

Genietend van zijn tweede stroopwafel horen we de kerkklok 12 uur slaan. “Tijd om naar bed te gaan”, zegt meneer Tonny. “Ik slaap hier als een roos en dat is fijn; zeker omdat ik voor de rest nog erg moet wennen.” Ik begeleid hem naar zijn kamer en wens hem een goede nacht. Uitnodigend kijkt hij mij aan: “Ga je nog even mee naar binnen voor een afzakkertje?” “Laat ik dat maar niet doen; ik ben aan het werk.” ”Wil je dan nog een stroopwafel?”, vraagt hij zacht.

Deze situatie speelt zich af in een kleinschalige woonvorm voor mensen met dementie waar ik op dat moment werk als locatiemanager.

Lees ook de andere verhalen uit de serie ‘De dingen die voorbij gaan‘:
Hangplek voor ouderenEen goed verhaalAlles onder controle
StapelboterhammenKledingadviezenEngelengeduld

Uitgelicht

Stinkende best

Daar stonden ze dan: de 20 nieuwe ministers van Rutte IV. Of nee… op het bordes waren het er 19, want Sigrid Kaag moest thuisblijven. Maar het plezier in de nieuwe ploeg was er niet minder om. Zelden heb ik een team zich – later die avond in een speciaal programma – zó consistent zien presenteren. De ministers en staatssecretarissen, en natuurlijk ook Rutte zélf, hadden er zin in. Dat het moment suprême zo lang op zich had laten wachten, was een beetje gênant, vroeg nog wel om nader onderzoek, maar moest verder vooral weer snel vergeten worden.

Ik zat die maandagavond 10 januari voor de tv en kreeg het gevoel naar een klucht te kijken; zó mechanisch acteerde de kersverse ministersploeg. Want ondanks het historisch laag vertrouwen in de politiek vonden ze het allemaal – echt niemand uitgezonderd – een hele eer dat ze voor de ministerspost gevraagd waren. Natuurlijk was het ook een grote verantwoordelijkheid die ze aangingen en waar ze met het thuisfront dan ook even stevig over hadden moeten discussiëren. Maar allemaal hadden ze een volmondig ‘go‘ gekregen van de partner en kinderen; ondanks de zekerheid dat het twitteraccount vanaf dag 1 zou ontploffen met haatberichten en bedreigingen tot het dagelijks leven van de betreffende gezinnen zou gaan behoren.

Ze vonden het stuk voor stuk een héle eer om zo’n belangrijke taak voor het land op zich te mogen nemen. En ieder van hen zou zijn stinkende best doen en er keihard voor knokken om de opdracht tot een goed resultaat te brengen. Er moesten natuurlijk eerst nog wel de nodige schouders onder de uiterst complexe problematiek gezet worden, want zo’n zware taak kon nooit het werk zijn van één minister of staatssecretaris. En – zoals we in goed polderend Nederland gewend zijn – zou er naar de nodige samenwerking gezocht moeten worden: met elkaar, met gemeentes en met maatschappelijke organisaties. Want dit konden ze alleen samen voor elkaar krijgen. Nee… ze konden het écht niet alleen.

De problemen waar dit kabinet voor staat, zijn zó groot dat ze nu al wel konden vertellen dat eventuele oplossingen pas ver, héél ver, voorbij de ingekorte regeerperiode van zo’n 3 jaar merkbaar zullen worden voor de burgers in het land. Woningnood, klimaatproblemen, leegloop bij de politie, achterstanden in het onderwijs, stikstofreductie, pandemieën, het uitgemergelde zorgsysteem… het zijn allemaal hoofdpijndossiers die om een hele lange adem vragen. Maar ze hebben er zin in en ze zijn er klaar voor! En niet onbelangrijk: ‘Zo waarlijk helpe hen God Almachtig!’

Maar zoals een bekend Bijbelfiguur (de ongelovige Thomas) memoreert: ‘Ik moet het éérst zien en zal het dan pas geloven!’

Uitgelicht

Wasstraat

Ik durf het bijna niet te zeggen, maar tot voor kort was ik nog nóóit in een autowasstraat geweest. Was gewoon niet nodig, omdat ik het veel makkelijker vind – én beter voor het milieu – om mijn vieze auto te lijf te gaan met een emmertje sop en de tuinslang.

Maar nu was er een bijzondere gebeurtenis in aantocht en bovendien was het pokkenweer. Emmertje en tuinslang waren dus éven geen optie; maar de auto moest blinken; hoe dan ook! “Dan maar een keer naar de wasstraat“, zei ik tegen de vriend. Een beetje beschaamd vroeg ik er meteen achteraan of hij dan wel even met mij mee wilde gaan. Want: “hoe werkt dat nou helemaal, zo’n wasstraat?“

Omdat het mijn eerste keer wordt, kies ik voor de meest luxueuze, de meest uitgebreide en daardoor ook de duurste wasstraat van het hele dorp. “Vooruit doe eens gek; je trouwt maar een keer! Toch?“

Bij de ingang van de wasstraat vraagt een aardige jongen van amper 16 jaar of ik hier bekend ben. En als ik naar waarheid deze vraag met ‘nee’ moet beantwoorden, legt hij mij geduldig uit wat er allemaal gaat gebeuren. “Eerst spoelt mijn collega de auto grondig af met de hoge drukspuit. Dan rijdt u door naar de band en haalt u uw voet van het gaspedaal. Zeker niet remmen! Het stuur loslaten, motor laten lopen en verder hélemaal niets doen.“

En daar gaan we; het spookhuis in. Voor een trip die 5 minuten gaat duren. Er klinkt aangename muziek. Talloze sproeiers en reuzenborstels doen hun werk: dan weer regent het links, rechts, voor, achter, overal. Geruisloos glijdt de auto voort alsof het de Fata Morgana van de Efteling is. Ondertussen komt er een complete batterij aan discolichten voorbij.

“Dit is het leukste uitje dat ik in tijden heb gehad“, zegt de vriend diep onder de indruk van zo veel wasstraattechnologie. En ook ik ben vol lof: “Waarom heb ik al die jaren niet van het bestaan van zo’n vrolijke wasbeurt geweten? Deze ‘Tour de pluie‘ maakt het autowassen tot een waar festijn!“

Exact 5 minuten later houden alle sproeiers er abrupt mee op. Het grote licht gaat aan: eindpunt bereikt. Behendig rijd ik de auto van de band, maar net als ik rechtsaf moet gaan om de wasstraat te verlaten, gooi ik het stuur naar links en roep tegen het aardige jongetje: “Ik weet hoe het werkt. Ik pak hem gewoon nog een keer.“ Want ja… de Python in de Efteling pak je ook gerust 5 keer achter elkaar, omdat je er maar géén genoeg van kunt krijgen.

Ik denk dat het verstandig is om mij in deze wasstraat voorlopig niet meer te vertonen.

Uitgelicht

Vrienden

Negentien waren ze; hun haren lang en de brilletjes rond. Dromend van ‘love and peace‘. Beladen met zware rugzakken trokken ze liftend door Europa. De wijde wereld verkennend tussen de middelbare school en een nog eindeloze toekomst. Eeuwige studenten die zonder schroom voor élk universiteitsjaar minstens twee jaar nodig meenden te hebben.

Ze hielden van de muziek uit die memorabele jaren zeventig: Rolling Stones, Emerson Lake and Palmer, Joe Jackson, Traffic en natuurlijk het onmiskenbare geluid van Supersister. Op aftandse fietsen bezochten ze het ene na het andere concert waar ze – af en toe met een stevige joint – helemaal los gingen. Om pas diep in de nacht de vraag op te werpen: “Waar slapen we deze nacht?“ Twee bierdrinkende slungels; nog niet verloren in de liefde en met de vaste baan nog heel ver weg.

Nu, bijna 50 jaar later, treffen de mannen elkaar op het station van Utrecht om weer eens ouderwets op stap te gaan. En natuurlijk hebben ze kaartjes voor een concert: nog één keer het dak eraf als Robert Jan Stips van hún Supersister de toetsen ouderwets beroert.

“Biertje?“, vraagt de een. “Doe maar een nulletje“, zegt de ander. De indrukwekkende hoeveelheden drank van toen zijn reeds lang geleden geminimaliseerd; de alcohol geeft geen gevoel meer van genot.

“Hoe gaat het op je werk?“ vraagt de een. “De zwaarste tijd is achter de rug“, vertelt de ander. Na de universiteit was hij noodgedwongen in het bedrijf van zijn vader gaan werken; met zijn opleiding was toendertijd geen baan te vinden. Van ‘manusje van alles‘ had hij zich opgewerkt tot dé rechterhand van zijn vader. Toen zijn pa tien jaar later ziek werd, nam hij het bedrijf dan ook moeiteloos over. Natuurlijk had hij flink geïnvesteerd. Het ging hem voor de wind: precies 5 jaar. Want toen kwam er de klad in; zeker omdat hij de afslag naar digitaal had gemist. Lang verhaal kort: hij was failliet gegaan. “Ik heb lang thuis gezeten, maar nu ben ik buschauffeur. En jij? Hoe is het jou vergaan?“

“Goed,“ zegt de een, “al heb ik mijn portie wel gehad na twee huwelijken en dito scheidingen.“ Ook hij werd direct na zijn studie ‘vrienden met de WW‘. Dus liet hij zich uiteindelijk maar omscholen om vervolgens 30 jaar als ambtenaar in saaiheid rond te wentelen. Maar nu was hij met pensioen en lachte het leven hem weer toe. “Drukker dan ooit te voren“, laat hij weten om vol trots te vervolgen: “Er is een nieuwe liefde en jawel: ik ben weer getrouwd. Deze keer is het écht.“

“Hoe gaat het met jouw vrouw?“, vraagt de een. “Het wordt alleen maar erger“, zegt de ander triest. “Ze slaapt voortaan beneden.“ “En jij?“ “Ik slaap nog altijd boven. Er is weinig genegenheid meer.“ En hij zucht hoorbaar. “Toen we 17 waren sjouwden we met een zware rugzak, maar toen was het leven nog zinderend van alle verwachtingen. Nu sjouw ik elke dag een last die zwaarder is dan ooit tevoren. Zwaar van alle teleurstellingen, moeizame relaties en verloren vriendschappen.“

“Kom“, zegt de een. “We pakken er nog eentje. Of nee… we pakken er een paar! Maar dan wel échte. En we drinken net als vroeger. En straks – diep in de nacht – vraag ik aan jou waar we vannacht slapen. Het leven moet toch mooi zijn?“ “Okay!“ zegt de ander, “dan hangen we nú de slingers op.“ En meteen slaat hij het eerste biertje achterover om er nog talloze te laten volgen.

Die nacht brengt een taxi de vrienden naar een luxueus hotel waar ze de volgende morgen met een fikse kater pas laat in de ochtend wakker worden. “Het was weer ouderwets gezellig!“, zegt de een. “Moeten we vaker doen“, zegt de ander.

Uitgelicht

Devotie

Geheel onbedoeld zit ik inmiddels met wel vijf Mariabeeldjes opgescheept. Ik heb ze – mooi bij elkaar gerangschikt – ergens op een plank hoog in de boekenkast op mijn werkkamer gezet, omdat ik als de dood ben dat mensen denken dat ik Mariabeeldjes spaar. Dat is beslist niet het geval!

Het eerste Mariabeeldje kreeg ik toen ik als goed katholiek mijn Eerste Communie deed. Het was een fragiel beeldje van Maria in een lange jurk en met een doek om het hoofd gedrapeerd. Als 7-jarige hoopte ik vurig ooit nog eens zo’n mooie vrouw als deze Madonna te worden, want zij had het wel gemaakt in de wereld als er zomaar beeldjes van haar cadeau werden gegeven bij belangrijke momenten.

Bij ons thuis stond een koperen Mariabeeldje precies in het midden van het grote dressoir. Elke week werd het grondig gepoetst, zodat Maria stond te stralen; zeker als het zonlicht op haar koperen kleedje scheen. Voor het slapengaan knielden wij kinderen op onze knietjes voor de heilige Maagd; onze ouders op de stoel achter ons. En met de handjes strak gevouwen en het hoofdje diep gebogen, baden wij onze weesgegroetjes en het Onze Vader. Om steevast te eindigen met het gebedje: “Ons lief Heertje, ons lief Vrouwtje, alle engeltjes zoet die vannacht papa, mama, zusjes, broertje en mijzelf bewaren moet.“ Ik begreep overigens nooit waarom in dit gebed alles in verkleinwoordjes gezegd moest worden. Kleine engeltjes, dat snapte ik nog wel, maar zouden dat Heertje en Vrouwtje soms niet van het formaat van mijn ouders zijn? Ik heb het nooit kunnen achterhalen.

Overigens was dat devoot en langdurig knielen beslist geen pretje. Want vele jaren lag er bij ons thuis van dat harde sisaltapijt op de vloer zodat je binnen een mum van tijd diepe voren in je knieën had staan. “Is goed voor de vergiffenis van alle zonden“, werd er dan gezegd en ook dát heb ik nooit begrepen. Want wat deed je als kind nou helemaal fout; anders dan af en toe wat liegen, iets lekkers jatten of wat ruzie maken?

Sinds het overlijden van mijn ouders zijn alle Mariabeeldjes en kruisbeelden naar mijn woning verhuisd. Ik weet écht niet wat ik er mee moet, maar zomaar weggooien durf ik ook weer niet. Stel dat die beeldjes stille krachten blijken te hebben; waar ik niet in geloof, maar je weet maar nooit. Mijn moeder zei bij belangrijke gebeurtenissen altijd: “dat ze Onze Lieve Heer van het kruis ging bidden“ en als zij dat al kon dan was het – puur hypothetisch hoor – ook niet onmogelijk dat zo’n beeldje op eigen kracht het een en ander voor elkaar zou kunnen krijgen. Maria had al eerder blijk gegeven van bovennatuurlijke krachten toen ze de smeekbeden van mijn moeder verhoorde en mijn broertje kort na zijn geboorte voor de dood behoedde (lees het eerdere verhaal Blauw van de kou).

Nee, al die Mariabeeldjes laat ik maar mooi in een devote opstelling stilletjes in mijn boekenkast staan. En plechtig zeg ik hen elke avond voor het slapen gaan: “Wees gegroet dames… en morgen gezond weer op.“

Ik wens u fijne feestdagen en een beter 2022

Uitgelicht

21-12-2021

Hij is alweer voorbij: de kortste dag van het jaar. Vorig jaar zaten we rond de 21ste ook in een lockdown. En ook toen keken we tegen een karige kerst aan. Maar die eerste keer dachten we nog: “Dit kunnen we; hier komen we samen doorheen. Dit is één keer en dan nóóit meer.“ Hoe surrealistisch moet voor iedereen de boodschap uit de laatste persconferentie geklonken hebben? Mijn gemoed werd somber: “Wat moet ik nu weer verzinnen om er iets van te maken? Ik kan het niet meer!“

Ook vorig jaar was ik somber. Toen beschreef ik die 21ste december als een dag waarop ik nauwelijks mijn bed uit kon komen, omdat de dag zo akelig donker, guur, grauw en nat was; alsof de wereld in diepe rouw was. Gelukkig doet de natuur het dit jaar 180 graden anders. De zon komt weliswaar later op dan op alle voorgaande dagen, maar eenmaal boven de horizon blijft de gouden bal uitbundig schijnen. En dat levert prachtige plaatjes op; zeker ook omdat een aangename vrieskou alles heeft bekleed met een dun laagje rijp.

Dit jaar kost het opstaan mij geen enkele moeite. Ik spring mijn bed uit, trek mijn mooiste kleren aan en trap stevig op de pedalen voor een bezoek aan de notaris. Hier ga ik wat prettige levenszaken regelen zoals mijn aanstaande trouwerij. Van de notaris fietst ik door naar de beste bakker om mijn lief te trakteren op een lunch waar geen restaurant aan kan tippen. En het feestelijk gevoel blijft de hele dag; gewoon omdat ik mijzelf vertel dat de zon speciaal voor mij schijnt. “Wat nou beperkingen? Ik verzin wel een alternatief!“

“In 2022 tel ik alleen nog maar mijn zegeningen“, vertrouwt iemand mij haar goede voornemens toe. En ik vind dit zo’n mooie samenvatting van deze dag, dat ik spontaan besluit om met haar mee te doen. Van nu af aan tel ik alleen nog maar mijn zegeningen!

Ik wens iedereen heel veel licht, geluk en gezondheid toe. En vergeet vooral niet om met ons mee te tellen.

Lees ook het verhaal van vorig jaar over 21 december.

Uitgelicht

Praatpaal

Het was mijn bedoeling om er nooit, maar dan ook echt nóóit over te beginnen. Omdat ik mij in mijn verhaaltjes het liefst onthou van de vele ergernissen die op een mens afkomen. Maar nu wil het even niet meer lukken; ik kan het gewoon niet meer stilhouden. Het lijkt immers wel een ziekte, een plaag, een virus. Als we niet uitkijken wordt het straks nog een pandemie!

Waar ik het over heb? Over die mensen die alleen maar kunnen zenden, zenden en nog eens zenden. Mensen die nooit op het idee komen – ook niet nadat je ze al een aantal openingszinnen, verdiepingsvragen, instemmende knikjes en bemoedigende hummetjes hebt gegeven – om zélf eens een keer een geïnteresseerde vraag te stellen. Of je ze nou een mooi voorzetje geeft of niet; het maakt niet uit. Ze blijven maar raaskallen over hun eigen prestaties, activiteiten, bijzonderheden en ongenoegens en hebben er geen flauw benul van dat communicatie toch écht een stuk leuker is als het tweerichtingsverkeer mag zijn.

De zoon van een vriendin zei eens: “Ik luister liever naar het verhaal van een ander, want mijn eigen verhaal ken ik al.” Maar dit soort communicatietalenten lijkt wel tot een uitstervend soort te behoren.

Echt… ik voel me soms net een ouderwetse ANWB-praatpaal die – na het indrukken van de knop – als vanzelf de vragen stelt. Maar bij zo’n ANWB-paal was het logisch dat je nooit een wedervraag hoefde te stellen. De vriendelijke stem was er immers op getraind om jou alle aandacht te geven. De meneer of mevrouw achter de stem zal op er op dat moment ook geen behoefte aan hebben gehad om door jou gehoord of gezien te worden. Dat kwam ’s avonds wel weer als man- (of vrouw-)lief na een drukke werkdag bij de soep en de aardappels oprecht geïnteresseerd zou vragen of er nog iets bijzonders was gebeurd die dag.

Maar de ANWB-praatpalen zijn al weer jaren geleden afgeschaft. Hadden we gelijktijdig met het ontmantelen van deze praatpalen ook niet de notoire zenders onder ons in de opslag moeten zetten? Zou een stuk beter zijn geweest voor de kwaliteit van onze gesprekken. Zo…. dat is er uit en dat lucht op.

Had u nog een mooie vraag voor mij? Stel hem gerust via de mail op mijn contactpagina.

Uitgelicht

Kaarsvet en engelenhaar

Veel eerder dan andere jaren heb ik mijn kerstboom van de zolder gehaald. Voor mij al jarenlang geen echte kerstboom meer, al is er niets mooiers dan zo’n fiere, geurende boom in je huis. Maar ik hoef de naalden maar aan te raken en ik zit al vol jeukende uitslag. Noodgedwongen staat er dus een kunstkerstboom. Niet van écht te onderscheiden hoor: zo mooi!

Het optuigen blijkt elk jaar weer een flinke klus te zijn. Ik had vorig jaar die 600 lampjes toch netjes op een balkje gerold? Waarom zit alles dan nu weer volkomen in de war? Maar eigenlijk moet ik niet zeuren, want die kleine ledlampjes van tegenwoordig zijn ‘heilig‘ bij de snoeren van vroeger. Was er toen één lampje kapot dan deed prompt het hele snoer niets meer. En ook als een vervelende puber – meestal mijn broertje – stiekem een lampje had losgedraaid, bleef alles donker. En vader maar zoeken; voorwaar geen sinecure! Kerst is eigenlijk het feest van gezelligheid en ongemak in één.

Op kerstavond dekte mijn moeder de tafel extra mooi. Dan kwam het strakgestreken, damasten kleed uit de kast en werd het opgesierd met kruislings aangebrachte rode linten; onopvallend vastgezet met een knopspeld (waar ik me dan weer lelijk aan prikte). Maar vroeg of laat bleef er ook altijd wel een glas met rode wijn achter het lint hangen. Zo zonde van het witte kleed!

Ook kaarsen op tafel was vragen om moeilijkheden. Ondanks alle waarschuwingen zat er altijd wel een kind (meestal weer hetzelfde broertje) in het kaarsvet te peuteren. Net zo lang totdat de zorgvuldig met zilverpapier vastgezette kaars omdonderde en het tafelkleed vol kaarsvet zat. Waarna mijn moeder uren met een heet strijkijzer en wc-papier in de weer moest om het kleed weer schoon te krijgen. En dat terwijl ze al de hele dag in de keuken had gestaan om een bleke, kale kip tot iets lekkers te maken door van alles in zijn kont te proppen alvorens hem te braden. Ik heb nooit begrepen waarom wij uitgerekend met kerst dit afschuwelijke gerecht voorgeschoteld kregen. Ik ‘haat‘ het om kip te eten zolang ik nog zie dat het een kip is; laat staan dat ik hem wil eten met allerlei rariteiten in zijn buik.

“Ondankbare kinderen, “ verzuchtte mijn moeder meer dan eens op deze dagen van verplichte gezelligheid. “Is dit is mijn beloning voor het vele werk?“ En dan zette mijn vader maar een kerstplaat op die ook al niemand kon bekoren.

Nou lijkt het net alsof Kerstmis vroeger bij ons thuis ellendige dagen waren vol ‘ruzie en actie‘. Maar niets is minder waar. Kerstmis was de tijd van: uit een diepe slaap gehaald worden voor de nachtmis. Van op de maat van de klokken naar de kerk wandelen. Van heerlijke worstenbroodjes bij thuiskomst met een overdaad aan warmte, gezelligheid, duizenden lichtjes en zoetgevooisde muziek. En ja, óók de tijd van jeukende handen als je tóch weer aan het engelenhaar in de boom had gezeten; maar het glinsterde ook zo mooi. Van het kindje Jezus dat steeds uit de kerststal verdween, omdat mijn zus het niet kon aanzien dat dit baby’tje in zijn blootje lag. Op de gekste plekken werd het kindje terug gevonden: onder het tafelkleed, tussen de handdoeken, in haar bed. En het was de tijd dat je je ernstig zorgen maakte over de Drie Koningen. Zouden ze wel op tijd bij de stal aankomen? Want ‘met Kerstmis stonden ze nog altijd ver weg op de vensterbank‘.

Wie wil al dit vermakelijk klein ongemak nou missen? Dus tuig ik mijn boom weer op in al haar glorie en wacht ik vol spanning af hoe kerst dit jaar zal verlopen.

Lees zeker ook het kerstverhaal van 2020 over de Drie Koningen die elk jaar weer spannende reis door mijn huis maken.

Uitgelicht

Alles onder controle

“Heeft u alle zaken wel onder controle?“, vraagt hij mij op barse toon. Want hij heeft net op zijn ronde door het huis nogal wat problemen gesignaleerd. En daar moet hij het écht even met mij over hebben. Ik begrijp de ernst van de situatie en vraag hem mij te volgen naar mijn kantoor. “Daar kunnen we even vertrouwelijk praten“, laat ik hem weten. En ik voeg er nog aan toe dat ik zijn zienswijze bijzonder op prijs stel.

“Weet ik wel dat hier mensen in huis lastiggevallen worden?”, monstert hij mij met een donkere blik. “Ehh, nee, dat wist ik niet. Kunt u mij wat meer over deze heikele kwestie vertellen?”, vraag ik hem, benieuwd naar wat er komen gaat. “Er worden hier kwetsbare mensen mishandeld. Zojuist heb ik nog een aanval kunnen voorkomen door tussenbeide te springen. Ik weet dat u de leidinggevende hier in dit huis bent en ik vind het mijn plicht om u dit voorval te melden voordat het volledig uit de hand loopt.“

Ik ben onder de indruk van zijn bezorgdheid en weet dat deze man met vergevorderde dementie, regelmatig terugvalt in zijn vroegere rol van politieman. Hem nu tegenspreken of de boel proberen te sussen heeft geen zin; het zal hem alleen maar verharden in zijn rol en de verantwoordelijkheid die hij meent te hebben.

Ik besluit om hem belangrijk te maken en bedank hem voor het uitstekende recherchewerk. “Ik merk dat u een man bent met veel ervaring en kennis van zaken”, laat ik hem weten. “Dank voor uw discretie en uitgebreide rapportage. Vindt u het goed dat ik de zaak hier van u overneem en u aan het einde van de week weer even bijpraat? Dat vindt hij goed. “Wat verwacht u in de tussentijd van mij?”, vraagt hij nog. “Dat u stilzwijgend observeert, zonder uw positie bekend te maken.” Hij bevestigt de afspraak met een ferme handdruk en wenst mij een rustige dienst.

Einde van die week spreken we elkaar weer. Ik zeg hem alles onder controle te hebben en vermeld dat ik mijn superieuren van de zaak op de hoogte heb gebracht. De nodige acties zullen van hogerhand ingezet worden. Tot die tijd wordt van ons verwacht dat we rustig op de achtergrond blijven. “Case closed”, concludeert hij en begint onopvallend aan zijn dagelijkse ronde door het huis. Voorlopig is alles onder controle.

Deze situatie speelt zich af in een kleinschalige woonvorm voor mensen met dementie waar ik op dat moment de manager ben.

Lees ook de andere verhalen uit de serie ‘De dingen die voorbij gaan‘:
Hangplek voor ouderenEen goed verhaalStroopwafelStapelboterhammenKledingadviezen
Engelengeduld

Uitgelicht

Het tegendraadse boompje

Ik heb daar toch behoorlijk wat moeite mee. Dat varkens vetgemest worden om ons van kiloknallers te voorzien. Dat ganzen het eten door de strot geduwd krijgen, zodat wij later lekkere ganzenlever kunnen nuttigen. En dat kippen, als ze twee weken langer mogen leven al het keurmerk ‘Beter Leven‘ krijgen toebedeeld. Er zijn nog meer arme dieren op te voeren, maar je begrijpt de strekking van mijn ongenoegen vast wel.

Toch is er nog één voorbeeld – niet over een dier maar over een boompje – dat ik aan de opsomming moet toevoegen. Omdat het té gek is voor woorden. Hoe bedenk je het?

Op een van mijn fietstochten kwam ik langs een teler van allerlei bomen. Ik bewonderde de lange rijen en dacht: Hier moet ik binnenkort eens gaan kijken voor de inrichting van mijn nieuwe tuin. Totdat ik een bomenrij passeerde die er wel heel erg gek uitzag. Tussen de stam en de takken waren talloze houtjes gespannen. Nieuwsgierig naar de reden van deze houtkunst, sprak ik een man aan die druk aan het werk was om alle takken van een klein boompje van houtjes te voorzien.

“Deze rotzak wil niet meewerken“, zei de man geïrriteerd toen ik van mijn fiets afstapte en zijn werk aandachtig bekeek. “Dit is nou al de tiende keer dat ik de houtjes stevig vastmaak, maar elke morgen liggen ze allemaal weer op de grond en staat het boompje met haar rommelige takken vrolijk te pronken in de ochtendzon.“

“Waarom doet u dat met die houtjes?“, vroeg ik de man oprecht geïnteresseerd. “De mensen willen nette boompjes die keurig de kant opgroeien die ik bepaal“, legde de teler geduldig uit. “Ze willen geen rommelige boompjes in hun tuin. Het boompje moet strak en recht zijn anders krijg ik het niet verkocht.“ “Ik denk dat we hier dan te maken hebben met een tegendraads boompje dat zélf wil bepalen hoe zij er uit ziet en zich niet door een kweker willen laten ringeloren“, was mijn conclusie.

“Zou ik dit weerbarstige boompje van u mogen kopen?“, vroeg ik de man hoopvol, want ik was op slag verliefd geworden op dit eigenwijze boompje. Ik kon niet wachten om het in mijn tuin te zetten waar het van mij alle kanten op zou mogen groeien die het maar wilde. “Je mag het zo meenemen“, zei de teler boos. “Ik kan er niets mee beginnen en ik ben het beu om elke morgen weer opnieuw de spalken aan te brengen.“

Hij haalde het boompje met een flinke kluit uit de grond, stopte het in een zak en duwde het in mijn handen. Gelukkig wilde hij mij ook nog wel van een touw voorzien. Behoedzaam fietste ik met het boompje als een kleinood op mijn rug huiswaarts om de kleine rakker meteen weer lekker in de volle grond te zetten waar hij nu heerlijk eigenwijs alle kanten op groeit.

Moraal van het verhaal: geef de natuur gewoon de ruimte die zij nodig heeft, want dan is zij op haar mooist!

Deel 2.0 uit de serie: Kinderverhalen voor volwassenen
(lees ook het eerdere verhaal uit deze serie over het veulentje dat een panter wilde zijn)

Uitgelicht

Goed zicht!

Niets zo fijn als een ‘handig mannetje‘. Zo’n jonge knaap (of een iets oudere man, dat mag ook) die voor een appel en een ei je hele huis schildert, je tuin snoeit of even je auto repareert. Vandaag mag ik ‘er gauw even tussen’ bij mijn garagemannetje. De lampen van mijn auto moeten nodig afgesteld worden. Tijdens nachtelijke ritten krijg ik steeds vaker een seintje van mijn tegenliggers dat ik hen verblind. En zelf heb ik ook geen al te best zicht meer op de pikdonkere wegen.

Terwijl Freek mijn koplampen afstelt, neem ik even plaats in de kantine van de garage. Ik zet mij op de harde stoel, bewonder de schaars geklede kalenderdame en ‘geniet’ van de smakeloze koffie. Al gauw raak ik in gesprek met Sjors die ook wacht.

Sjors heeft recent zijn zaak moeten verkopen. “Er kwam geen rooie rotcent meer binnen“, verzucht Sjors. Zijn hele leven heeft hij in oude auto’s gehandeld, maar nu kan hij er geen droog brood meer mee verdienen. “Het is stil geworden“, verzucht Sjors. “Heel erg stil.“ Want kort na de overdracht van de zaak is hij ook nog eens gescheiden. Groot verdriet. Had hij niet aan zien komen. “Jaren ben ik de grote afwezige geweest in mijn gezin“, bekent Sjors. “Altijd, áltijd was ik aan het werk en nu heeft mijn vrouw er een punt achter gezet.“ “Het is op. Over! Uit!“, had ze naar hem geroepen. “En nu ze er niet meer is, voel ik pas hoe erg ik haar mis.“

Hij is maar als vrachtwagenchauffeur begonnen om toch het nodige geld te verdienen en de eenzaamheid te ontlopen. Al voelt hij de eenzaamheid des te harder als hij thuiskomt na een lange rit. Zijn kinderen ziet hij nauwelijks meer. Zijn ex-vrouw wil geen co-ouderschap. “Onder géén beding“, had ze gezegd. “Had je maar eerder je verantwoordelijkheid als vader moeten nemen.“ Sjors gaat het gevecht niet aan. “Ik wil het beste voor mijn kinderen,“ zegt hij verdrietig, “terwijl ik waarschijnlijk nooit het beste voor hen heb gedaan. Ik had er gewoon vaker moeten zijn. Nou kan ik alleen maar hopen dat het goed met hen blijft gaan.“ Ik voel mee met het verdriet van deze man. Geen goed zicht meer gehad op de situatie en alles verloren.

Op dat moment komt Freek binnen. Mijn lampen zijn weer perfect afgesteld, maar voor een beter zicht op de weg adviseert hij mij om toch over te gaan op led-lampen. “Drie keer zoveel lichtopbrengst“, meldt hij als een rasverkoper, “en vooral fijn voor wie slecht ziet in het donker.“ Hij heeft ze ook al bij zijn moeder, tante en buurvrouw geïnstalleerd. “Allemaal mensen van jouw leeftijd“, vermeldt hij nog beleefd. “Niks zo fijn als goed zicht, besluit Freek zijn verkooppraatje.“ Ik sta op en geef Sjors een schouderklop. “Geef de moed niet op Sjors. Ook jij krijgt weer goed zicht. Zeker weten!“

“Een man weet niet wat hij mist,
maar als ze er niet is, als ze er niet is
weet een man pas wat hij mist!“

Huub van der Lubbe, De Dijk

Uitgelicht

De krant

Afgelopen zaterdag was het zo ver: Voor de laatste, écht de allerlaatste keer viel de krant om 6.00 uur op mijn deurmat. Zo’n 40 jaar hoorde ik 6 dagen per week rond de klok van zes rappe voetstappen op mijn oprit; gevolgd door de welbekende plof op de mat.

Soms waren de stappen lichtvoetig. Dan fantaseerde ik dat mijn krantenbezorger een jonge meid was die straks gewoon naar school zou gaan. Een andere keer slofte de voetzolen hoorbaar. Dan dacht ik aan een puber die maar al te graag wat zakgeld bij wilde verdienen, maar iedere ochtend met veel chagrijn uit zijn bed rolde. Dan weer was de tred stevig en zwaar. Misschien een volwassen man; werkeloos geworden van zijn reguliere baan en genoodzaakt om elke klusje aan te pakken. Soms was de gang een beetje moeizaam. Wel snel, altijd snel, maar toch… de moeite waarmee de stap werd ingezet, gaf mij de indruk dat mijn trouwe krantenbezorger een man op leeftijd was.

Het laatste jaar fungeerde mijn krantenbezorger meteen ook als mijn dagelijkse wekker. Want drukpratend kwam een vrouw van rond de veertig in de vroege ochtend mijn oprit opgestoven om al even luidkwebbelend mijn krant in de brievenbus te mikken en zonder ook maar één kleine pauze rebbelend weer in de wachtende auto met draaiende motor te stappen. Op weg naar het volgende adres. Vast niet in de buurt, want het aantal abonnees loopt al jaren terug. In mijn buurt was ik zo’n beetje de laatste die de krant nog dagelijks in de bus kreeg. Tot afgelopen zaterdag dan.

Tegenwoordig mag ik iets later opstaan dan 6.00 uur. Dat ik dus ’s morgens niet meer in alle vroegte door de krantenbezorger gewekt word, is een hele prettige bijkomstigheid. Maar de papieren krant ga ik als icoon van het dagelijks nieuws zeker missen. Voortaan lees ik mijn krantje digitaal. Best prettig eigenlijk; al kijk ik met een gevoel van lichte weemoed naar alle vertrouwde dingen die langzaamaan verdwijnen.

Maar ja zoals de filosofische gedachte ‘Phanta Rei‘ al aangeeft: alles stroomt. Dus niets blijft.

Uitgelicht

De vriend

Verbaasd kijk ik haar aan. Zojuist heeft een vriendin enigszins cynisch gevraagd of ‘de vriend‘ in mijn verhaaltjes geen naam heeft. “Natuurlijk heeft hij een naam“, pareer ik haar vraag. “Alleen is het mijn keuze om deze verhaaltjes te publiceren; de vriend blijft liever anoniem. Soms wordt hij opgevoerd, als dat nodig is voor een goed begrip van de situatie of omdat hij een opmerking maakt die voor het verhaal van belang is. Maar of hij nou Frank, Peter of Rob heet… Onbelangrijk! In mijn verhaaltjes heet hij gewoon  ‘de vriend‘. En dat blijft zo: tot ik een huwelijksaanzoek krijg.“

Niet het gehoopte huwelijksaanzoek maar de anonieme duiding van een personage doet mij denken aan een werksituatie van jaren terug. Ik runde samen met een compagnon een communicatiebureau. Een van onze klanten was een groot metaalbedrijf. We hadden al veel werk voor dit bedrijf mogen maken. De laatste tijd waren er problemen in het personeelsbestand. Hoog tijd om eens flink uit te pakken met een wervingscampagne. Samen met het team zette ik een presentatie in elkaar met mooie beelden, pakkende teksten en verrassende ideeën.

Van oudsher was dit metaalbedrijf een klant van mijn compagnon. Het zou dus logisch zijn als hij de presentatie zou doen. Maar ik was zó enthousiast met de voorbereidingen bezig geweest dat ik ook de presentatie graag voor mijn rekening wilde nemen.

De presentatie verliep perfect. De klant was enthousiast over de voorstellen. Zó enthousiast dat ik het aandurfde om in het sluitstuk van mijn voordracht nog wat kritische opmerkingen te maken. Want voor het slagen van de campagne was het nodig dat niet alleen de medewerkers in actie zouden komen, maar ook de directie zélf. Onmiddellijk betrok het gezicht van de CEO. Hij bedankte mij voor het vele werk en richtte zich vervolgens tot mijn compagnon met de opmerking: “Deze juffrouw kun je voortaan wel thuislaten.“ Verbaasd keek ik hem aan: ik had bij de kennismaking toch heel duidelijk mijn naam gezegd? “Mijn naam deed er niet toe,“ sneerde hij. Ik had mooi werk geleverd, maar van een ‘juffrouw met zo veel haar op de tanden‘ was hij niet gediend.

Ik heb de man een hand gegeven en heb hem bedankt – letterlijk en figuurlijk. Want als hij niet de moeite wilde nemen om mij bij mijn naam te noemen, dan wilde ik niet langer voor hem werken. Kijk… in deze situatie vond ik het gebruik van een naam cruciaal.

Terug naar ‘de vriend‘: om alsnog recht aan hem te doen, plaats ik dit verhaal in de categorie ‘sportief‘, omdat ik het wel zo fair vind om te zeggen dat ‘de vriend‘ mij heel vaak inspireert tot het schrijven van een verhaal en tevens mijn grootste criticaster is.

Overigens heb ik recent het gehoopte huwelijksaanzoek gekregen.

Uitgelicht

De suppoost

Het is een druilerige zondagmiddag. Hét ideale moment om weer eens naar een museum te gaan. De keuze valt op het Noordbrabants museum. De laatste keer dat ik hier was, bezocht ik de tentoonstelling ‘Asjemenou‘ met een presentatie van maar liefst 100 Nederlandse karakteristieken. Van alles kwam voorbij. Van het oer-Hollandse Dafje tot de eerste poster van de Pacifistisch Socialistische Partij met de naakte dame, de koe en de slogan ‘Ontwapenend‘. En natuurlijk mochten ook de flippo’s, de wuppies, het drumstel van Ceasar Zuiderwijk, het cassettebandje en de cd-speler niet ontbreken. En Loekie was er; het leeuwtje dat al vanaf de jaren ’70 irritante reclames op moet leuken en dat sinds de Olympische Spelen wéér mag doen.

Maar vandaag ga ik weer eens échte kunst snuiven. Ik stort mij op de werken van Salvador Dali en Pablo Picasso; twee mastodonten in de kunstwereld. Na dik twee uur slenteren langs de erotische schetsen en zelfgemaakte advertenties van Dali – een kant die ik helemaal niet van hem kende – en de vele etsen van Picasso heb ik nog even tijd om de vaste collectie van het museum te bekijken over mijn Brabant uit lang vervlogen tijden. De expositie kan mij helaas niet echt bekoren; sterker nog: ik ga mij zelfs vervelen. Tijd voor een spelletje, want het museum is toch vooral een plek om te ‘ontdekken en te verwonderen’.

Dus sleep ik de vriend mee naar een vitrine met oude potten en pannen en stel ik hem de vraag: “Je moet straks iets mee naar huis nemen. Wat kies je?” De vriend, ook niet erg onder de indruk van al die oude zooi, weigert eerst om het spel mee te spelen, Maar na lang aandringen van mijn kant, kiest hij uiteindelijk voor een gevaarlijk uitziende hakbijl. En dan krijgt ook hij de smaak van het spel te pakken.

Hij troont mij mee naar een schilderij vol lelijke mannen met vrome gezichten. “Kies maar”, zegt hij. “Je móet iemand op dit schilderij kussen.” Ik gruwel bij de gedachte, maar ja, je moet kiezen, zo is het spel. Dus wijs ik naar de man met baard en enigszins stoer gezicht en fantaseer de rest er ter geruststelling bij. Enigszins wraakzuchtig sleep ik de vriend mee naar een Rubensachtig schilderij vol naakten. Maar nog vóórdat ik mijn prangende vraag kan stellen, bast een norse bewaker plotseling uit het niets: “Wát zijn we hier aan het doen?”

Tja… wat doe je dan? Hard weglopen of ook de man een leuke dag bezorgen? Ik kies voor het laatste en stel hem de vraag: “U moet kiezen: welke dame op dit schilderij gaat straks na sluitingstijd met u mee naar huis?

De suppoost kleurt vuurrood. Wat is dat nou? Zo oneerbaar kan de vraag toch niet zijn? Het is maar een spel! “Elke dag dat ik hier sta, bedenk ik dat ik deze schoonheid op een dag mee naar huis zal nemen”, bekent de suppoost met het schaamrood nog nagloeiend op de kaken, “en nu kent u mijn geheim. Ik droom al jaren van haar”, voegt hij er nog – enigszins overbodig – aan toe. Ik geef de suppoost een vette knipoog. “Geeft niets hoor. Keep on dreaming: dat maakt een dag een stuk leuker.” En dan klinkt de gong door de museumzalen en verzoekt een vriendelijke stem ons om richting de uitgang te gaan.

De mooie dame hangt nog altijd in het museum en de suppoost waakt bij haar. Elke dag.

Uitgelicht

Walk of Wisdom

Het is het weekend van 2 en 3 oktober. De weerberichten voorspellen wat ik beslist niet wil horen voor een wandelweekend: wind en regen, heel veel regen. Zóveel dat de weerman heel Nederland adviseert “om op zondag vooral lekker lang uit te slapen en pas tegen het einde van de middag naar buiten te gaan.“

Maar ik luister niet naar de weerman. Als ik op zaterdagmorgen naar buiten kijk, is het droog en samen met mijn zus begin ik aan onze wandeltocht: 2 etappes van de Walk of Wisdom die zij eerder al helemaal in haar eentje heeft gelopen.

We laten ons afzetten in de uiterwaarden van de Ooijpolder om al slobberend over spekgladde kleipaden verder te gaan naar de Heerlijkheid Beek. Van daaruit wandelen we over de Elyzeese velden via de Duivelsberg naar het schilderachtige dorpje Beek-Ubbergen. Als we zo’n 21 km later bij onze overnachting in Groesbeek aankomen, begint het eindelijk te regenen: keihard. Maar dat maakt nu niets meer uit: binnen is binnen.

Geheel in tegenstelling tot het verzoek van de weerman sta ik die zondag extra vroeg op. Het regent nog altijd onophoudelijk, maar ik laat me niet kisten. Wij gaan gewoon op pad. Ingepakt in regencape en gewapend met een extra grote paraplu. De lucht zwaar en grijs; het zicht niet verder dan de capuchon. Klauterend over heuvels en dalen en schuifelend over modderpaden ploeteren we voort door het majestueuze, donkere Reichswald om na een paar uur verder te gaan door het intense groen van de Sint Jansberg. Na wederom 21 km eindigt onze tocht in Plasmolen. En vanaf dat moment is het droog en breekt zelfs het zonnetje door. We zijn moe en nat, maar ik had de prachtige gesprekken onderweg voor geen goud willen missen. En de schoonheid van de natuur op deze natte dag al evenmin.

De Walk of Wisdom lopen – of delen daarvan – is een pad volgen dat bezaaid is met verhalen en herinneringen. Het is een bedevaart om terug te komen bij jezelf, krachten te herwinnen, blijdschap te ervaren en verdriet te verzachten. Het pad staat vol gedenkplekjes en is geplaveid met emoties van de vele wandelaars die ons voorgingen.

Wat een prachtige route en wat geweldig dat de beste wijsheid nog altijd je eigen wijsheid is. Want áls ik naar de weerman had geluisterd dan was ik niet op pad gegaan. Maar nu ben ik een indrukwekkende ervaring rijker.

Een pelgrimage van 134 km. Begin- en eindpunt is de Stevenskerk in Nijmegen. De route loopt door twee landen, drie provincies en elf gemeenten.

Uitgelicht

Een goed verhaal

Mijn broer heeft onlangs een nieuwe fiets gekocht. En nu toert hij regelmatig rond op zijn aanwinst. Niets bijzonders tot zover, maar afgelopen zondag belde hij mij op: Wat ik nu toch mee heb gemaakt. Ik moet het je vertellen. Die morgen was hij op pad gegaan om een mooi fietstochtje te maken vanuit de Achterhoek richting Arnhem. “Prachtige fietspaden waar ik nog niet eerder was geweest“, zo vertelt hij mij enthousiast.

Als hij na ruim 40 km trek krijgt in een broodje en wat wil drinken, gaat hij op zoek naar een bankje. Maar het bankje dat hij passeert op de ideale plek is al in gebruik genomen door een ouder echtpaar. “Mag ik erbij komen zitten“, vraagt mijn broer allervriendelijkst. Het echtpaar vindt het goed. “Maar onder één voorwaarde“, zegt de oude heer, “u moet een goed verhaal vertellen.“

Het gesprek begint met een babbeltje over het gemak van een elektrische fiets, de mooie omgeving: ‘zó groen, zo veel vogels en vlinders. En heerlijk die koeien in de wei‘. Dan vraagt de man met veel interesse naar het werk van mijn broer. “Ik werk met moeilijk opvoedbare jongeren“, vertelt hij. “Ik begeleid hen bij alle dagelijkse dingen. De jongeren hebben al veel meegemaakt in hun leven waardoor ze vaak een behoorlijke ‘rugzak‘ met zich meezeulen. Dat maakt de begeleiding soms complex, maar het werk geeft mij veel voldoening“, eindigt mijn broer zijn verhaal niet zonder enige trots.

“Mooi werk“, zegt de oude heer, “ik vind het knap dat je dit met zoveel overgave doet.“ Zelf heeft hij ruim 40 jaar in de bouw gewerkt. “Vooral zwaar werk“, bromt de man, “maar op mijn 57ste ben ik gelukkig vervroegd met pensioen kunnen gaan.“ En nu geniet hij samen met zijn vrouw van de mooie natuur, de vogels en de vlinders. En de koeien om niet te vergeten. “Ik vind het altijd zo heerlijk als ze in de wei staan“, zegt de man om er meteen achteraan te vragen: “Wat doet u voor werk?“ En de broer vertelt opnieuw, maar nu iets minder uitgebreid dat hij jongeren begeleidt die een behoorlijke ‘rugzak‘ hebben. “Mooi werk“, zegt de man, “knap dat je dat met zo veel overgave doet.“ Om meteen verder te gaan met: “Ik heb ruim 40 jaar in de bouw gezeten, maar gelukkig kon ik op mijn 57ste met vervroegd pensioen. Daarom kan ik nu samen met mijn vrouw genieten van de natuur.“ Vooral de koeien die zo lekker in de wei lopen, vindt hij prachtig. “Wat doet u voor werk?“, vraagt de man met dezelfde oprechte interesse alsof de vraag nog niet eerder is gesteld.

De vrouw kijkt mijn broer licht wanhopig aan. “Mijn man is een beetje vergeetachtig“, zegt ze verontschuldigend. “Misschien had u dat al wel gemerkt?“ Maar mijn broer, niet te flauw, vertelt het verhaal van zijn werk nog eens en nog eens. “Wat maakt het uit?“ laat hij mij in ons telefoongesprek weten, “het was goed toeven daar op dat bankje in de zon en die twee oude mensen waren zo aardig.“

Maar als het verhaal over het begeleiden van jongeren met een rugzak, wat écht mooi werk is, voor de zevende keer uitgebreid is verteld, besluit mijn broer om weer eens verder te gaan. “Was dit wat u betreft een goed verhaal?“, vraagt mijn broer aan de man als hij opstaat en zijn fiets pakt. “Want dát was de voorwaarde om op uw bankje plaats te mogen nemen.“ Er breekt een lach door op het gezicht van de oude man:

“Nou heb ik ruim een half uur gezellig met u zitten praten over van alles en nog wat, maar de belangrijkste vraag heb ik u nog niet gesteld: Wat doet u voor werk? Zelf heb ik ruim 40 jaar in de bouw gezeten en ben ik op mijn 57ste vervroegd met pensioen gegaan. En u, wat hebt u gedaan?“ Verwachtingsvol kijkt hij mijn broer aan. Die aarzelt heel even, maar dan zegt hij de oude heer toe dat hij een volgende keer uitgebreid over zijn werk zal vertellen. “Dat verhaal houdt u van mij nog tegoed. Beloofd!“ Dankbaar voor zo veel geduld zwaait de mevrouw mijn broer lang na totdat hij helemaal uit het zicht is verdwenen.

Dag lieve man, geniet van de vogels, de vlinders en vergeet de koeien niet.

Lees ook de andere verhalen uit de serie ‘De dingen die voorbij gaan‘:
Hangplek voor oude
renAlles onder controleStroopwafelStapelboterhammenKledingadviezenEngelengeduld

Uitgelicht

Puttertje

Vandaag ben ik maar weer eens aangesloten bij een vogelexcursie. Want om vogels te herkennen moet je oefenen, oefenen en nog eens oefenen. Gewapend met verrekijker en fototoestel gaan we op pad. We zijn nog geen 20 meter verder of de gids van vandaag zet de kijker al aan de ogen om vol enthousiasme uit te roepen: “Een zwerm puttertjes; zo mooi!“ Verbaasd kijk ik naar het zelfverzekerde gezicht van deze jonge knul. Want waar ik met moeite door mijn kijker een zwerm zwarte puntjes kan ontdekken, determineert hij met het grootste gemak dat het puttertjes zijn.

“Dat zie je aan de gele streepjes op de zijkant en het felrode kopje. Al is dat in het najaar een stuk minder rood“, legt hij mij geduldig uit. “Maar je ziet het óók aan de vorm en het gedrag“, voegt hij er geruststellend aan toe. De jongeman moet gezegend zijn met bionische ogen, want ik kom echt niet verder dan wat zwart gefladder in de verte.

We vervolgen de route om bij de Westerplas een groot aantal lepelaars, aalscholvers, kleine zilverreigers en een heel regiment aan eendensoorten te ontdekken. Nou was dat niet zo moeilijk, want we wandelen aan het einde van de dag en dan verzamelen al deze vogels zich hier om een slaapplaats op te zoeken. Zelfs als slechtziende kun je hier nog van de vogels genieten. Makkelijk zat.

Dan nog even naar het Wad waar we al snel de tapuit ontdekken. Die ken ik ondertussen dus ik herken hem al van verre. Maar ook de steenlopertjes, de kievit, goudplevier, scholekster en de tureluur zijn hier op het Wad snel gevonden. Ondertussen vliegen watersnippen mooi in formatie over. Die ken ik nog van de briefjes van 100 gulden; dus dat is een makkie.

“Een kneu“, roept de jonge gids en na veel aanwijzingen en speuren tussen het bruingele gras kan ook ik hem uiteindelijk vinden. Als traktatie trekt een hele zwerm kneutjes over. “Die zoeken óók een plek voor de nacht“, legt de gids uit en tot slot belooft hij mij nogmaals het puttertje te laten zien; nu van dichtbij. Als echte vogelaars posten we ons bij een grasveldje vol bloemen. En na lang wachten – want dat hoort nou eenmaal bij vogels spotten – gebeurt het onverwachte. Tientallen puttertjes vliegen in één keer op vanuit het veld om ook weer spoorslags in het hoge gras te verdwijnen. Maar ik heb ze gehoord én gezien! En dus ook ik kan na deze indrukwekkende tocht een plek voor de nacht gaan zoeken.

Dag mensen, dag vogels…. slaap zacht allemaal.

‘ Puttertje‘  is het vijfde verhaal uit de serie ‘ Verhalen op Schier 2021‘ 

Uitgelicht

Donker

Niks zo leuk als wandelen in het pikkedonker. Vanavond doe ik dat met een klein groepje onder leiding van een gids. We gaan op zoek naar nachtbloemen en nachtdieren. Als eerste ontdekken we de Teunisbloem die haar prachtige, gele kelken opent zodra de schemer invalt. De kelken hebben aan de binnenkant blauwe strepen die mensen niet kunnen zien. Het zijn een soort landingsbanen die de nachtvlinders naar het hart van de bloem lokken. Mooi toch!

Vanuit het enige dorpje op Schiermonnikoog lopen we direct het bos in. Als gauw zie ik geen hand meer voor ogen. Maar wat ga je veel zien als je ogen eenmaal aan het donker gewend zijn. Geen kleuren, maar wel heel duidelijk de contouren van alles waardoor het pad in het donkere bos uiteindelijk prima begaanbaar wordt.

Tijdens deze nachtwandeling over Schier vertelt de gids vooral wat er niet te vinden is op het eiland. Geen vossen en al helemaal geen wolven of wilde zwijnen. Geen reeën of herten en ook nauwelijks nog konijnen. Allemaal uitgestorven door twee nare ziektes en geen zin meer om terug te komen nu het eiland steeds meer bebost raakt. Ook geen vleermuizen. Wel nestkastjes om te onderzoeken waarom de vleermuis hier niet op het eiland wil zijn. Nou, dat kan ik je wel vertellen: een vleermuis heeft obstakels nodig om de sonar te kunnen laten weerkaatsen. Zo vindt hij zijn weg. En op Schier is niets om tegenaan te kaatsen. Geen hoge bomen, geen hoge gebouwen. Gewoon niets. Dus logisch: geen vleermuizen. Schapen, koeien of paarden dan? Die zijn er genoeg maar allemaal per schip van het vaste land gehaald om hier de oprukkende berkenbomen, struiken en grassen weg te grazen. En verwilderde katten; dat dan weer wel. Zo veel dat je van een plaag kunt spreken. En vogels natuurlijk; heel veel vogels waarvan de meeste ’s nachts gewoon slapen. Dus geen wonder dat we ze niet horen of zien.

Omdat er op dit tijdstip bij nader inzien toch wel érg weinig planten en dieren op Schier zijn te bewonderen, nodigt de gids ons uit om de blik naar de hemel te richten. En dat is prachtig want bij de wassende maan ontdek ik al gauw Saturnus en Jupiter. En natuurlijk ook het steelpannetje en zelfs de Melkweg. En dan… dan opeens zie ik een vallende ster; zomaar uit het niets.

Hier in de nacht op Schiermonnikoog doe ik een wens. Dat het leven voor iedereen zo mooi en vredig mag zijn als ik het nu op dit kleine eiland ervaar.

‘ Donker‘  is het vierde verhaal uit de serie ‘ Verhalen op Schier 2021‘ 

Uitgelicht

Yoga aan zee

Het is nog vroeg in de ochtend als ik naar het strand fiets voor een lesje Yoga aan Zee. De lucht is grauw, het is behoorlijk fris en de wind waait op kracht 6 tot 7. Op het strand ontmoet ik 6 vrouwen. Waarom ontbreken bij dit soort activiteiten toch altijd de mannen? Ligt het aan het weerbericht dat precies voor mijn yoga-uurtje een flinke regenbui heeft voorspeld?

De schoenen blijven achter onder de vlonders van een strandpaviljoen en blootsvoets ga ik richting het water. “Het wordt een windyoga“, begroet de yogajuf het groepje. “Vandaag gaan we spelen met de wind.“

Langs de waterlijn, in het zand dat als een razende voort stuift, doen we eerst de Zonnegroet als eerbetoon aan alle elementen: het water, de aarde, de wind en de zon die voorlopig nog ontbreekt. Dan volgen de ademhalingsoefeningen om op zoek te gaan naar het stiltepunt in jezelf. “Want ook al raast alles om je heen en stormt het letterlijk of figuurlijk: je kunt altijd terugkeren naar je innerlijk stiltepunt. Dit rustpunt is er altijd voor jou“, bezweert de yogajuf.

En terwijl ik daar rustig inademend en uitblazend sta, laat het volgende natuurelement ongenadig haar krachten gelden: een fikse regenbui. In een mum van tijd ben ik door en door nat. Maar ach, wat geeft het? Ik heb net mijn innerlijk rustpunt hervonden en laat mij door niets of niemand uit het veld slaan. Ik adem gewoon door en zet mijn lijf moeiteloos in de stand van de krijger die danst en vecht met de wind. Mijn voeten zakken zo ver weg dat ik steviger sta dan ooit tevoren. Wat zeg ik: bijna niet meer los kom uit het brakke zand.

En omdat het zeewater best lekker van temperatuur is, lopen we gewoon de zee in om daar een heuse zeester na te doen die moeiteloos transformeert naar een albatros. Mijn kleding is doorweekt en overal kleeft zand, maar dat weerhoudt mij niet om samen met de andere deelnemers te rennen langs de vloedlijn en te dansen in de wind. Hoe gek kun je zijn?

Dik een uur later fiets ik doorweekt en blootvoets terug naar mijn appartement. De vriend schrikt als hij voor mij opendoet: als een verzopen kat sta ik voor de deur. “Was het leuk“, vraagt hij voorzichtig. “Het was geweldig“, stel ik hem gerust. Yoga aan Zee: ik heb mij volledig overgegeven aan wind, regen, zand en zee.

Namaste!

‘ Yoga aan Zee‘  is het derde verhaal uit de serie ‘ Verhalen op Schier 2021‘ 

Uitgelicht

Paal 16

Vandaag brengt een grote tractor mij naar het uiterste puntje van Schiermonnikoog; vér voorbij paal 16. Wist je dat in de afgelopen eeuw het eiland door aanwas van zand hier ruim 4 km is aangegroeid? “Schiermonnikoog wandelt richting Duitsland“, zeggen de eilanders en daarom wandel ik vandaag 4 km extra.

Het uiterste puntje van Schier heet De Balg. Geen idee waar deze naam vandaan komt, maar dat doet er ook niet zo veel toe, want op De Balg is niets anders te zien dan zee en zand. Met héél in de verte wat kleine duintjes. Het strand is hier het breedste strand van heel Europa en dat ontdek ik deze dag als geen ander. Want om van het meest Oostelijke puntje terug te komen in de bewoonde wereld moet ik meer dan 20 km door het zand ploeteren.

Het is heiig op deze vroege ochtend; precies zoals de weerman gisterenavond had voorspeld en dat maakt dat ik met moeite een kilometer ver kan zien. Hoe ik dat zo precies weet? Nou op elk strand staan palen met een nummer en de afstand tussen twee palen is precies één kilometer. Met de verrekijker lukt het mij ternauwernood om iedere keer weer de volgende paal te ontdekken.

Zo wandelend door dit weidse, lege, nevelige landschap meen ik van alles te zien. Ligt daar nou een zeehond? O God, het zal toch geen drenkeling zijn die hier op dit verlate stuk is aangespoeld! Nee, het is een jas; gelukkig. Lopen daar nou mensen? Hoe kunnen hier nou mensen zijn? Samen met de vriend ben ik als enige op dit uiterste puntje achtergelaten, dus buiten ons kán hier niemand zijn. Maar ik zie toch écht iets groots bewegen daar aan de waterlijn. Het blijkt een aalscholver te zijn die met veel vertoon zijn vleugels zit te drogen in de wind om vervolgens met een scherpe duikvlucht weer een visje uit de golven op te kunnen duiken.

Het strand is bezaaid met ontelbare scheermesjes, een keur aan schelpjes en mooie zeeappels. En ook opvallend veel dode krabbetjes die in dit stadium beter niet meer gegeten kunnen worden. In het ondiepe water vind ik een rode poon. Als ik hem teruggooi in de zee spoelt hij net zo snel weer aan. Niet meer te redden.

Na vijf uren lopen wordt het weer wat drukker op het strand. Hier maken mensen een kuiertje, spelen kinderen in ondiepe geulen, trekken surfers hun zeil omhoog en maken jongeren de ene na de andere selfie. Tocht volbracht. Vanuit het niemandsland achter paal 16 komen we weer bij de gezelligheid van paal 1.

Zo’n urenlange ‘leegte-wandeling‘; ik kan het je aanraden!

‘ Paal 16‘  is het tweede verhaal uit de serie ‘ Verhalen op Schier 2021‘  

Uitgelicht

Coquilles

Het is al weer een tijdje geleden dat ik een lekker recept met je deelde. Ondertussen eet ik heerlijk en gezond, maar niet alles komt door de ballotagecommissie die bepaalt wat wel en niet gepubliceerd mag worden. Maar nu heb ik toch weer iets lekkers dat je écht een keer moet proberen: gemarineerde coquilles op een bedje van babyspinazie en parelcouscous, omkleed met een warm prutje. Komtie!

Ingrediënten voor 2 personen:

  • 4 coquilles per persoon
  • 2 eetlepels sojasaus
  • 4 eetlepels zoete chilisaus
  • parelcouscous
  • 1 grote ui en 2-3 tenen knoflook
  • 6 zongedroogde tomaten en 2 verse tomaten
  • 2-4 geroosterde paprikarepen uit een pot
  • klein blikje bonenmix of blikje mais
  • sesamzaadjes
  • handje geweekte rozijnen
  • 100 gram babyspinazie

Meng de sojasaus en zoete chilisaus en marineer de coquilles hierin. Laat dit even staan terwijl je de andere onderdelen bereidt. Kook de parelcouscous volgens de instructie op het pak. Voeg de geweekte rozijnen toe aan de couscous en verwarm ze even mee. Snipper de ui en fruit deze aan, snijd of pers de knoflook en voeg deze toe. Snij de tomaten en voeg deze toe. Bak even alles goed door. Snij de zongedroogde tomaten en geroosterde paprikarepen klein en voeg toe. Voeg de bonenmix toe. Maak het prutje op smaak met wat (cayenne)peper en/of zout en/of kruiden naar eigen smaak. Verhit de pan. Bak de coquilles in de eigen marinade 2 minuten aan elke kant. Rooster de sesamzaadjes in een droge pan.

Maak het bord mooi op:
Spreid de babyspinazie op elk bord. Doe de parelcouscous in een klein kommetje en stort de couscous in het midden van het bord. Schep het warm prutje hierom heen. Leg de coquilles op de parelcouscous. Schep het restant van de marinade over de coquilles en garneer het geheel met de geroosterde sesamzaadjes.

Smakelijk eten!