Uitgelicht

Grad van Gerda van de Munsteeg

Ik heb me aangemeld voor een vertelavond in Olland. Een dorp niet groter dan één straat, maar wel met een uit de kluiten gewassen gemeenschapshuis. En daar word ik begroet door een man die in stevig Ollands dialect aankondigt dat hij er in geslaagd is om voor deze avond maar liefst drie vertellers te boeken. En wij mogen daar voor de luttele vergoeding van € 5,- meer dan twee uur van gaan genieten.

Ik zoek een plaatsje op de tweede rij, want bij een vertelvoorstelling is het aan te raden om lekker vooraan te gaan zitten. Dezelfde gedachte moet de oude man hebben gehad die zich met zijn rollator tussen de stoelen doorwurmt. Hij gebaart naar mij dat hij op de stoel naast mij wil gaan zitten. Ik schuif enkele stoelen in de rij naar achteren en begeleid hem naar zijn plaats. Iemand anders zet de rollator aan de kant. Dat is het leuke van een gemeenschapshuis; dan doe je dat gewoon voor elkaar. De oude heer zakt met een plof in de stoel naast mij.

“Wie bent u”? , vraagt hij zodra hij zit. Ik krijg nauwelijks de kans om mijn naam te zeggen, want de man vertelt in één moeite door dat hij Grad heet en 99 jaar is. ‘Ik ben de enige echte verteller hier in het dorp,” laat hij mij weten. “Bij alle trouwtjes en rouwtjes van mijn dorpsgenoten en bij alle geboortes, verjaardagen, communie- en doopfeesten heb ik een verhaal verteld”, vervolgt Grad met de nodige trots. “Waarom staat u vanavond dan niet op het podium?”, vraag ik hem oprecht verbaasd. En eerlijk gezegd weet Grad dat ook niet. Want wat zouden die drie vertellers nou beter kunnen dan hij? “Ze zeggen dat mijn geheugen niet goed meer is”, zegt Grad met de nodige verontwaardiging. “Maar dat is echt onzin. Mijn geheugen is nog nooit goed geweest en dat hindert me bij het vertellen heus niet. Wat ik niet meer weet, verzin ik er gewoon bij. Geen mens die weet hoe het werkelijk zit; al helemaal niet als ik over vroeger vertel. Bovendien kunnen ze toch niet controleren hoe het werkelijk zit. Ik ben de oudste in het dorp. Dus ik weet het altijd nog het beste.”

En met deze ‘waarheid als een koe’ begint de eerste verteller haar verhaal. Het is een sprookje uit het hoge Noorden. Het verhaal is mooi en wordt prachtig verteld, maar nog mooier is het commentaar dat Grad voortdurend geeft in zijn onvervalst Ollands dialect. Ook bij de tweede en derde verteller laat hij zich niet onbetuigd. “Er klopt niets van hun verhaal”, merkt Grad schamper op als de vertellers hun applaus in ontvangst nemen. “De volgende keer moeten ze mij maar weer vragen, want hier in Olland is maar een échte verteller en dat ben ik!”

Grad van Gerda van de Munsteeg; onthou die naam.

Uitgelicht

Verhuizen (3)

Al weken ben ik aan het inpakken. Alles wikkel ik zorgvuldig in papier om het te laten verdwijnen in dozen: talloze dozen. Ik ben al wel vijf keer naar de kringloopwinkel gereden, want ik moet kritisch zijn op wat wel of niet mee mag in de verhuizing. En even zo vaak heb ik de milieustraat bezocht. De kringloopwinkel neemt tegenwoordig ook niet meer alles klakkeloos aan.

De laatste dagen voor de verhuizing is het inpakken bijna een dagtaak geworden. Wat sleept een mens toch een hoop spullen met zich mee! En wat zitten er veel herinneringen aan dingen waar je eigenlijk helemaal niets meer mee doet. Spullen, spullen, spullen.

Maar vandaag is het dan zo ver: vandaag ga ik verhuizen. In alle vroegte arriveren de vier sterke mannen van het verhuisbedrijf. De oudste van het viertal is een norse kerel die als geen ander weet hoe je spullen op moet pakken en moet verplaatsen. Op de millimeter nauwkeurig schat hij in of een kast wel of niet door de deur kan zonder het kozijn te beschadigen. Met harde stem commandeert hij zijn kompanen en ze moeten doen wat hij zegt, dat is wel duidelijk. Maar hij bedoelt het goed en voelt zich verantwoordelijk om mijn huisraad heelhuids over te brengen. En dat stelt gerust.

De tweede verhuizer is een rustige, vriendelijke man die uiterst behoedzaam de breekbare, grote spullen inpakt in dekens en boxen. Als hij mijn schilderij van de Russische kunstenaar Jaan Elken aanschouwt, maken we een praatje over de toestand in de wereld. Dat zo’n kunstenaar er ook allemaal niets aan kan doen en of mijn schilderij in deze barre tijd nou aan waarde wint of verliest. Het schilderij heeft als titel ‘ A Whiter Shade of Pale, volume I’. Het is mij onbekend of dit daadwerkelijk een verwijzing is naar de het album van de psychedelische rockband Procol Harum, maar praten over muziek vind ik een stuk makkelijker dan praten over die verdomde Russen met hun oorlog.

De derde verhuizer is een échte machoman. De aap op de rots. Een krachtpatser vol tatoeages die aan MMA doet zo blijkt later op ochtend als hij vlak voor mijn neus even een vechthouding aanneemt en zijn spierballen laat rollen. En de vierde is een jongen met mogelijkheden, zoals mensen met een beperking tegenwoordig liefkozend worden genoemd. De jongen werkt nog maar twee weken bij het verhuisbedrijf en moet nog veel leren. De andere mannen laten hem alle zware dozen sjouwen, maar de dappere jongen geeft geen krimp als hij voor de zoveelste keer mijn trappen op en af loopt. Al vertrouwt hij mij wel toe, dat hij straks behoorlijk moe zal zijn en vroeg naar bed wil gaan.

Binnen 4 uur is mijn huis compleet leeggehaald en is de grote vrachtwagen afgeladen vol. We gaan op weg naar mijn nieuwe huis in Gelderland waar de vier mannen alles weer uit de vrachtwagen zullen laden en in de kamers zullen zetten die ik op de stickers genoteerd heb. Vanaf morgen mag ik alles weer uitpakken en ga ik met mijn spullen weer een nieuw thuis maken. Verhuizen… indrukwekkend en vooral vermoeiend. Voorlopig blijf ik zitten waar ik zit.

Lees in het kader van mijn a.s. verhuizing ook het verhaal: ‘Houdoe’ , ‘Je ziet het pas als je het door hebt’ , Verhuizen (1), Vakwerk‘, ‘Verhuizen (2)’ en ‘Dramaqueen‘.

Uitgelicht

Dramaqueen

Met nog één week te gaan in mijn vertrouwde dorp had ik voor vandaag een afscheidstoertje ingepland. Kriskras ben ik door de straten gefietst op zoek naar al mijn favoriete adresjes van de afgelopen 30 jaar.

Zo had ik een korte afspraak bij mijn huisarts. We kennen elkaar al 30 jaar en dan weet je best veel van elkaar. Al weet hij meer van mij dan ik van hem. Ik heb hem bedankt voor alle goede zorgen. Nou was ik beslist geen frequent bezoeker van zijn praktijk, maar de enkele keer dat ik hem nodig had, was hij er toch maar. Een fijne huisarts is goud waard. Vervolgens ben ik naar de bieb gegaan; gewoon een half uurtje lezen aan de grote tafel. En toen nog even langs alle kasten. Met mijn vinger langs de rijen boeken; zoveel gelezen en zoveel ook nog niet. Ik wipte binnen bij mijn vertrouwde boetiekje waar ik schandalig veel kleding heb weggehaald. Maar vandaag kon ik niets vinden; zal de weemoed wel zijn.

Om 13.00 uur had ik een afspraak bij mijn kapper. Van deze krullenknijper hoef ik helemaal geen afscheid te nemen, want ook na de verhuizing blijft hij mij knippen. Nog even naar mijn stamkroegje voor een cappuccino en een worstenbroodje: een delicatesse waar ik als rasechte Brabander helemaal blij van word. Gelukkig was er nog voldoende tijd om bij mijn vrienden langs te gaan; even gedag zeggen. En zelfs een bliksembezoekje aan de grote kerk paste in het programma. Ik kwam hier zelden tot nooit, maar in het kader van ´afscheid nemen´, moest ik er toch even naar toe. Adieu! Door naar de fietsenmaker waar ik maar liefst twee fietsen heb gekocht. En natuurlijk moest ik naar mijn schoenenwinkel; al was het maar omdat ze hier schoenen verkopen die je helemaal niet nodig hebt. De juwelier kon ik wel links laten liggen. Sinds mijn vertrouwde mannetje is ingewisseld voor een kakker die zich nog uitsluitend op het ´hoogste segment´ richt, kan ik het hier toch niet meer vinden.

Als laatste ben ik naar de omliggende bossen gekoerst. Ik wilde ook de vogels, de bomen en de bloemen gedag zeggen. En toen vond ik het wel genoeg. Een toertje vol weemoed over het naderend afscheid van mijn eigen vertrouwde dorp. Maar eigenlijk… Eigenlijk is het gespeelde weemoed, want ik heb hartstikke veel zin om op de nieuwe plek gewoon weer verder te gaan.

Dramaqueen!

Uitgelicht

Wauw!

Ik heb mijn tentje opgezet op het hoogste punt van de Ardennen. Vlak bij het circuit van Francorchamps, al zal ik daar weinig aandacht voor hebben. Veel liever ga ik de prachtige omgeving verkennen. De naaldbomen zijn hier majestueus hoog. De bossen donker en uitgestrekt en de vergezichten adembenemend. Bovendien is de kans hier groot dat ik roofvogels zie.

Het ultieme genot van élke vogelaar is om een vogel van zijn of haar wensenlijstje aan te kunnen vinken. Nou is mijn wensenlijst nog best lang, maar hier, in de hoge venen van de Ardennen, maak ik serieus kans om de rode wouw te spotten. De rode wouw… als dat toch eens waar kon zijn.

Ik plan een flinke wandeling naar het jaaggebied van deze roofvogels. En na een paar uur lopen, is hij daar opeens. Hoog in de lucht draait hij zijn rondjes. Met mijn kijker heb ik hem perfect in beeld. De vleugels maximaal gespreid. De grijze kop diep naar beneden gebogen. Speurend naar een prooi op de grond. En kijk nou: ik zie er niet één; ik tel er wel zes. Tegen de strak blauwe lucht voeren ze een prachtige show op, dansend op de thermiek. Met af en toe een duikvlucht om weer pijlsnel naar boven te vliegen.

De onderkant van deze aaseter is roodbruin. De vleugels zijn gehoekt met zwarte punten die een beetje fladderen in de wind. Ook de staart is roodbruin en diep gevorkt. Wat een indrukwekkende jager. Maar krijg nou wat! Zie ik daar ook nog een zwarte wouw? Dat kan toch bijna niet! De vriend ontkent het dan ook stellig, maar ik weet het zeker: dat was een zwarte wouw. Maar liefst twee vogels van mijn wensenlijstje. Als ik later op de middag dan ook nog de gierzwaluwen voor mij uit zie vliegen en ook de buizerd en het torenvalkje nog even voorbij komen, kan mijn dag echt niet meer stuk.

Dit gebied is met één woord te beschrijven. Wauw!

Uitgelicht

Waterbed

Al meer dan 30 jaar slaap ik op een waterbed. Heerlijk! Wat mij betreft zou iedereen op een waterbed moeten slapen. Zo lekker zacht. En altijd precies op de juiste temperatuur: nooit te koud en niet te warm. Elke avond vind ik het een feest om mijn bed in te kruipen. Ik schommel mezelf zachtjes in slaap om pas de volgende ochtend met moeite weer aan land te komen.

De charmes van het waterbed ontdekte ik toen ik door Amerika reisde. In de betere hotels werd je steevast getrakteerd op zo’n zalige waterzak. Altijd in kingsize of queensize formaat: HUGE dus. En vanaf dat moment wist ik het: dit wil ik thuis ook. Ik heb altijd op een ongestabiliseerd bed geslapen: gewoon één grote zak gevuld met 900 liter water. En ja dat deint behoorlijk, maar dat is nou juist zo lekker. Het is rustgevend; alsof je door een zachte, koesterende hand in slaap wordt gewiegd. Al gaat het ook wel eens fout. Mijn bedpartner draaide zich een keer zo woest om dat ik als het ware gelanceerd werd en midden in de nacht plotseling naast mijn bed lag.

Na ruim 30 jaar fantastisch geslapen te hebben op een waterbed was het vannacht dan toch écht de laatste keer. Zo’n grote watermassa op temperatuur houden vraagt met de huidige energieprijzen om diepe zakken. En bovendien past het niet meer bij mijn duurzaamheidsambitie en de wens om zuinig om te gaan met onze energiebronnen. Dus heb ik de waterzak ingeruild voor een boxspring waar iedereen altijd zo lyrisch over doet.

Ik nam mij voor om deze laatste nacht écht heel erg te gaan genieten. Dus toen ik om 23.00 uur in mijn holletje kroop, hoopte ik dan ook dat ik nog lang wakker zou liggen. “Wat lig ik hier lekker!” dacht ik bij elke minuut die voorbij ging, vechtend tegen mijn dichtvallende ogen om vervolgens weg te zakken in een diepe slaap.

Vanmorgen werd ik om 9.00 uur wakker; voor deze bijzondere gelegenheid had ik geen wekker gezet. Onmiddellijk voelde ik een diepe teleurstelling, want van mijn laatste nachtje op het waterbed had ik helaas niets, maar dan ook écht helemaal niets meegekregen.

Bye, bye waterbed.

Lees in het kader van mijn a.s. verhuizing ook het verhaal: ‘Houdoe’ , ‘Je ziet het pas als je het door hebt’ , ‘verhuizen (1)‘ ,Vakwerk‘ en ‘Verhuizen (2)’

Uitgelicht

Verhuizen (2)

Natuurlijk is het een luxeprobleem, dat weet ik ook wel. Maar toch… ook een luxeprobleem kan heus wel een probleem zijn. Neem nou bijvoorbeeld mijn situatie: ik bezit op dit moment twee huizen. ‘Niet slecht’, hoor ik je denken. ‘Heel wat beter dan géén huis hebben’. Maar het probleem is dat ik het helemaal niet fijn vind om twee huizen te hebben. Het is gewoon zo onhandig.

Het nieuwe huis is nog lang niet klaar. Inmiddels staat er een bed maar dat is dan ook zo’n beetje het enige meubelstuk. Een oud aftands tafeltje met twee krukjes daargelaten. Ik ben best veel in dit nieuwe, lege huis. Er moet nog volop geklust worden en er komen allerlei mensen langs om te herstellen wat tijdens de bouw fout is gegaan. Het oude huis was een gezellig thuis waar ik blindelings de weg kon vinden en alle spulletjes zo’n beetje hun vaste plek hadden. Daar hou ik van. Maar nu er steeds meer wordt ingepakt of alvast wordt versleept van de ene naar de andere plek, ben ik elke dag, écht elke dag, wel iets kwijt. Om je een paar voorbeelden te geven:

Het gereedschap: ligt dat nou hier of daar? Het ligt altijd daar en nooit hier. Ik had toch nieuwe schroefjes gekocht om dat lampje op te hangen? Oeps, in het andere huis laten liggen. Waar is de schaar gebleven; die lag altijd hier in de keukenla? Ligt al in het nieuwe huis. Nee, niet in de keukenla, want de keuken moet nog helemaal ingericht worden. Waar ligt hij dan? In de berging natuurlijk. Hoezo natuurlijk? Nou gewoon omdat ik dat eventjes handig vond. Ik wil alvast wat adreswijzigingen gaan sturen. Ik kan hier even niet vooruit. Verdorie staat mijn laptop nog in het andere huis. Een leverancier meldt zich om 7.30 uur in het nieuwe huis. Hoe moet dat nou? Ik sta nog in de dagelijkse file op de A50. Ik haal boodschappen om een lekker maaltje te maken na een dag flink klussen. Ben ik helemaal vergeten dat de kookplaat nog niet is geleverd. Ik had toch nog een half brood in de vriezer? Andere huis! Het weer is nog zo mooi; ik wil mijn witte bloesje aantrekken. Gaat niet, zit al in een verhuisdoos en ik weet écht niet welke. Rondje fietsen dan? Kan niet, want ook de fietskleding is al ingepakt met het idee dat het er voorlopig toch niet meer van gaat komen om op de pedalen te gaan staan.

En zo gaat het maar door. “Hoe lang duurt het eigenlijk voordat je op een nieuwe plek weer een beetje gesetteld bent?”, vraag ik een vriendin met de nodige verhuiservaring. “Als je in het nieuwe huis álles weer een keer in je handen hebt gehad en ieder ding zijn definitieve plek hebt gegeven. Pas dan is je huis weer een thuis. Ben je waarschijnlijk wel een jaartje verder”, zegt ze met een zelfverzekerde blik. “Maar alles wat je in dat jaar niet hebt vastgepakt, had je ook niet hoeven te verhuizen. Dus misschien moet je nog wat voorwerk doen.” Met dit welgemeende advies in gedachten ga ik in het oude huis maar weer eens wat ingepakte dozen saneren, want waarschijnlijk kan er nog best het een en ander opgeruimd worden. Wat een proces: verhuizen.

Lees in het kader van mijn a.s. verhuizing ook het verhaal: ‘Houdoe’ , ‘Je ziet het pas als je het door hebt’ , verhuizen (1) en Vakwerk

Uitgelicht

Vakwerk

Het is helemaal niet de bedoeling dat ik hier ben. Niet op deze dag en niet op dit tijdstip. Maikel en zijn collega’s worden zenuwachtig van mijn aanwezigheid in het huis. Mijn huis, dat dan weer wel. Mijn huis dat nog maar net is opgeleverd en waar ik nog een beetje verwonderd en vervreemd naar kijk. Wordt dit écht mijn nieuwe thuis?

Zonder twijfel, maar voorlopig is er nog even geen plek voor mij om rond te kijken en te wennen. De komende dagen is het huis van Maikel en zijn mannen, want zij gaan – van van de begane grond tot de nok van de zolder – alles behangen en sausen. Maar dan moet ik niet in de weg lopen: wegwezen dus!

Maar vandaag wordt het werkritme van de drie mannen ingrijpend verstoord. Ik móet hier wel zijn, want er komen allerlei mensen langs om van alles te repareren. In de bouw gaat nou eenmaal veel fout; dat bleek maar weer eens toen een bouwkundig inspecteur het huis bij de oplevering grondig controleerde. Maar als rond het middaguur voor de zoveelste keer de bel gaat en er drie mannen strak in het pak voor de deur staan om ‘de warmtepomp weer met de omvormer en de zonnepanelen te laten communiceren’, worden de drie behangers écht onrustig.

Met gebogen hoofd lopen ze zenuwachtig door de woning. De kwasten en rollers blijven werkeloos op de emmers liggen. Naar binnen en weer naar buiten. Nog maar eens een sigaretje en nog een en nóg een. En dan komt het hoge woord er uit: “Zó kunnen we niet werken. Iedereen moet weg. Wég!” En dus vraag ik de technische heren hoe lang hun werkzaamheden nog gaan duren. Krijg ik een antwoord waar ik niets van begrijp en een tijdsindicatie van 20 minuten. Ik laat het Maikel weten: “Over 20 minuten is iedereen weg.”

Zelf zoek ik een plekje in de zon op het nieuwe terras en nodig Maikel uit om ook een kleine pauze te nemen. “Ik heb geen tijd”, zegt Maikel. “Het werk moet vandaag af en we moeten nog veel doen. Ik ben hier de baas”, voegt hij er geheel overbodig aan toe. Ik beloof hem dat over een klein half uurtje iedereen weg is en dat zelfs ik het huis daarna niet meer zal betreden totdat Maikel en zijn mannen klaar zijn met hun prachtige werk. En dat stelt hem gerust. Hij drukt zijn sigaret uit op mijn mooie nieuwe terras, pakt de rollers weer ter hand en commandeert zijn kompanen om aan het werk te gaan.

Vijf uur later roept hij mij. ‘Of de mevrouw even het werk wil komen controleren, want alles is klaar.’ En vol bewondering loop ik met hem door het huis. We beginnen op zolder waar een ware metamorfose heeft plaatsgevonden. Wat een prachtige ruimte is dit geworden. We zakken af naar de 1e verdieping en de begane grond. Ik geef de drie het ene na het andere compliment. Voor mij is het inmiddels zo duidelijk als wat: als je ze niet stoort, leveren deze mannen prachtig werk. En in één keer alles goed; daar kunnen ze in de bouw nog wat van leren.

Vakwerk!

Lees in het kader van mijn a.s. verhuizing ook het verhaal: ‘Houdoe’ en ‘Je ziet het pas als je het door hebt’ en verhuizen (1)

Uitgelicht

Verhuizen (1)

Na 30 jaar gewoond te hebben in de ‘saaiste stad van Nederland’ (jawel dat was in de jaren ’90 toch écht Oss en niet al die andere steden die jullie in gedachten hebben) en nog eens 30 jaar in het dorpje dat ooit bekend stond als ‘de groenste parel van Nederland’, verhuis ik over niet al te lange tijd naar Wageningen. Vooruitlopend op dit grote moment ben ik hier alvast maar gaan werken. Bij een kennisinstituut natuurlijk, want Wageningen pretendeert de ‘City of Science’ te zijn. Mijn collega’s weten echt álles over bossen en ik heel weinig. Maar dat geeft niet; drie dagen per week ga ik fluitend naar mijn werk.

Het lijkt niet logisch om op je 62ste nog naar een andere stad te verhuizen. Goed gewortelde bomen moet je niet verplaatsen. Dat weet iedereen. Maar ik ga toch! Want mijn lief is verknocht aan zijn Wageningen waar hij ooit als jonge student begon. Na een teleurstellend uitstapje naar een suffig Hanzestadje heeft hij zichzelf beloofd nooit, maar dan ook echt nóóit meer uit Wageningen weg te gaan.

Nou ben ik zelf een rasechte Brabantse en wel heel erg gehecht aan het gezellige Uden. Dat is toch vragen om problemen! Want als ieder van ons voet bij stuk houdt en blijft zitten waar hij/zij zit, kun je tot in lengte van dagen blijven latten. En daar heb ik écht geen zin in! ‘Schepen zijn niet gemaakt om in de haven te blijven liggen’, merkte mijn nichtje scherpzinnig op toen ik haar mijn dilemma voorlegde. En meteen voelde ik dat ze gelijk had. Dit schip moest maar weer eens het ruime sop kiezen; eens kijken waar het haar brengt.

En dus zijn de vriend en ik op zoek gegaan naar een huis in Wageningen. Een op en top duurzaam huis, dat dan weer wel, want een mens mag groots dromen. Maar óók een groot huis, want we gunnen elkaar letterlijk en figuurlijk wat ruimte. Het ‘droomhuis’ is gevonden; er wordt inmiddels volop geklust en gestyled. Nog een paar weken… dan verhuis ik naar Wageningen. Stel dat ik daar nou óók weer zo’n 30 jaar woon… zou toch mooi zijn. Het avontuur mag beginnen.

Lees in het kader van mijn a.s. verhuizing ook het verhaal: ‘Houdoe’ en ‘Je ziet het pas als je het door hebt’.

Uitgelicht

Turks Fruit

“Hier voor jou!,” zegt de vriend, “omdat je zo’n lieve mevrouw bent.” En meteen gooit hij vijf plastic zakjes met onduidelijke inhoud op tafel. “Wat is dat?”, vraag ik, niet begrijpend waar dit allemaal op slaat. Maar als ik de zakjes grondig bestudeer, ontwaar ik gedroogde appeltjes, vijgen, noten, grote rozijnen en Turks Fruit. “Is dat écht Turks Fruit?” vraag ik wederom verbaasd. “Hoe kom je daar nou aan?”

En dan vertelt de vriend hoe eerder deze middag de bel ging. Twee keer hard en lang. Het duurde even voordat hij helemaal van de zolder bij de voordeur was. Maar toen hij de deur opendeed, zag hij een grote man weglopen. Hij had de man nageroepen en die was blijven staan met de opmerking: “Ik weet niet of dit het juiste adres is. Misschien was het aan de overkant of hiernaast. Maar ik ben op zoek naar die aardige mevrouw die mij een paar weken geleden een campingkoelbox heeft verkocht. We waren aan het onderhandelen over de prijs. Dertig euro was misschien niets te veel, maar ik vroeg haar of de koelbox ook kon vriezen, maar dat kon hij niet zei ze: een koelbox kan alleen maar koelen. Het is dan ook een koelbox zei mijn vrouw nog en geen vrieskist.

Ik stond die dag op het punt om naar Turkije te vertrekken voor een vakantie met mijn vrouw en kinderen in het land van mijn ouders. Ik wilde veel eten en drinken meenemen voor onderweg. Ik vroeg mij af of de koelbox wel goed genoeg zou zijn voor deze lange reis. En toen zei ze dat ze dat niet wist, maar dat ik hem voor niets mee mocht nemen onder voorwaarde dat ik niet boos op haar zou worden als zou blijken dat de koelbox niet voldeed. Nou en nu kom ik haar vertellen dat ik zeker niet boos ben, maar juist heel blij. De koelbox heeft het de hele reis goed gedaan. Alles is lekker koel gebleven. En daarom heb ik in Turkije in de tuin van mijn ouders van alles verzameld: noten, rozijnen, appeltjes en vijgen. Ik heb het gedroogd en bewerkt en nu wil ik die aardige mevrouw graag bedanken.”

“Die aardige mevrouw is mijn vrouw”, zegt de vriend met enige trots. “Maar ze is nog een paar uur op haar werk.” “Wilt u dit aan haar geven en zeggen dat ik blij ben?”, vraagt de man met een grote glimlach op zijn gezicht. Geroerd door zo’n mooi gebaar neemt de vriend het lekkers in ontvangst. En de ‘aardige mevrouw’… die heeft vol verbazing genoten van zoveel aardigheid en heerlijkheid.

Waar een handeltje op Marktplaats al niet toe kan leiden. Ik heb nog van alles te koop staan.

Uitgelicht

Dronkenlap

Wat zal die leuke, blonde krullenbol spijt hebben gehad dat ze met haar vriend naar camping Le Perron in de Belgische Ardennen was gegaan. Het had zo’n mooi weekend kunnen worden. De kleine camping lag vlak bij het circuit van Francorchamps waar dat weekend de formule 1 werd verreden. Op zaterdag stonden alleen trainingen gepland, maar zij had kaarten weten te bemachtigen voor het echte werk op de zondag. Al lang van tevoren waren alle hotels in de verre omtrek volgeboekt, maar deze gezellige natuurcamping op fietsafstand van het circuit was de perfecte uitvalbasis voor een heerlijk weekend. Maar zoals het allemaal bedoeld was, is het niet gegaan.

Op zaterdagmiddag ging haar vriend al vroeg aan het bier. In korte tijd sloeg hij 15 pilsjes achterover afgewisseld met de nodige speciaalbiertjes. En tijdens de feestavond in het clubhuis van de camping stapte hij over op pure Whisky. En of het nou aan de slechte muziek lag van de plaatselijke accordeonist of aan zijn verborgen alcoholisme… haar vriend dronk veel: veel te veel. Met moeite zeulde ze hem rond middernacht naar hun tentje. Maar ook daar wist hij nog altijd niet van ophouden; vol overgave stortte hij zich op de koelbox die vol zat met bier, wijn en jenever.

“Waarom heb ik zo veel drank meegenomen?”, vroeg ze zich die nacht vol afschuw af. “Zoveel drank voor twee dagen kamperen. Dat had de alarmbellen toch moeten doen rinkelen?” Maar ze wilde het niet zien; niet nu. Niet nu het net weer een beetje leuk leek te gaan in haar leven. Ze moest toegeven: tijdens eerdere vakanties was ze ook al geschrokken van zijn drankgebruik. Maar toen had ze zijn overmatig drinken toegeschreven aan de gezelligheid van de vakantie en het gezelschap. Ze wilde toen niet zeuren; ze kende hem immers nog maar net.

Maar ook nu – hier in het kleine tentje – bleef hij maar drinken. En tot overmaat van ramp kotste en piste hij in de tent en schold hij haar luidkeels uit. Iedereen kon het horen. “Was dit nu haar nieuwe vriend? Deze man die haar voor van alles uitmaakte?”, vroeg ze zich met toenemende walging af. Tegen de ochtend kon hij nauwelijks meer een woord uitbrengen en lallend en vallend ging hij door de tent. Het uitje naar het racecircuit waar ze zich zo op had verheugd, verdween als sneeuw voor de zon.

Even liep ze te dralen. Ze ging de tent uit en weer in en keek nog eens goed naar de man, waarvan ze gehoopt had dat hij haar grote liefde zou worden. Om met pijn in haar hart te moeten constateren dat hij niets meer was dan een loser; een zielige dronkenlap wiens leven zij niet ging verbeteren. En dus nam ze een moedig besluit. Ze pakte snel wat spullen in haar tas, griste te autosleutels uit zijn besmeurde broek en racete als een heuse Verstappen linea recta terug naar Nederland.

Van de vermeende vriend heeft ze nooit meer wat gehoord, anders dan dat er die zondag een naakte man was opgepakt die luid scheldend liep te zwalken op de snelweg nabij het circuit van Francorchamps.

Dronkenlap!

Uitgelicht

What you see

Ik zit met 5 vrouwen en één man in een bedompt cursuslokaaltje. Er wordt flink gemopperd: op de lift die ontbreekt, op de haperende techniek waardoor de docent haar presentatie niet kan doen, op het gebrek aan frisse lucht én op de tocht die ontstaat als ik een raam openzet. Ik heb nu al spijt dat ik mij voor deze cursus heb aangemeld: wat een ouwe zeurpieten tref ik hier. En die moeten straks dan op een ‘speelse manier’ Nederlandse les gaan geven aan statushouders. Lukt ze nooit met deze instelling!

Ik ga het groepje nog eens langs. Daar op de hoek zit een vrouw met een dikke laag make up en zwaar getoupeerd kapsel. Naast haar een oude man die wazig voor zich uit staart. Dan een spichtige vrouw met priemende oogjes achter strenge brillenglazen die eigenlijk alles al weet. Naast haar de stadsdichter van een nabijgelegen dorp die vooral creatief met haar toekomstige leerlingen aan de slag wil gaan. Daarnaast een gepensioneerde vrouw die vandaag niets kan zeggen, omdat ze een beugel heeft gekregen die haar ernstig hindert. De docent is een Roemeense. Ze woont al 15 jaar in Nederland, maar heeft nog altijd moeite met onze lid- en voegwoorden. “Maar dat schept een band als ik buitenlanders die taal leer,” zegt ze, “want Nederlands is gewoon moeilijke taal en zo onlogisch als wat.”

Na een hoop geharrewar met koffie en thee begint dan eindelijk het voorstelrondje. En tot mijn verbazing moet ik de hiervoor gegeven typeringen onmiddellijk weer bijstellen. Want onder de dikke laag make up van de ordinair ogende Natasja zit een vrouw die al 15 jaar schippert op de Binnendieze van den Bosch. Ze spreekt vloeiend vijf talen waardoor ze elke toerist uitgebreid kan vertellen over al het moois in haar stad. Door diabetes is ze slecht ter been geraakt en moet ze het gidsen laten schieten. Maar nu gaat ze statushouders onderwijzen, want ook dát brengt het nodige plezier.

En dan John, altijd planoloog geweest, maar na zijn pensionering omgeschoold tot hondencoach. Tijdens een training leerde hij een vrouw uit Ethiopië kennen die niet alleen haar hond, maar ook de Nederlandse taal onder controle wilde krijgen. Dus ging John naar de bibliotheek op zoek naar lesmateriaal en raadpleegde hij zijn netwerk. Hij heeft haar goed kunnen helpen, maar nu wil hij leren hoe het écht moet.

De snibbige dame met de priemende oogjes blijkt 40 jaar met doven en slechthorenden gewerkt te hebben. De gebarentaal kent ze als de beste. Maar ze praat zo graag; dus even geen dove mensen meer. De stadsdichter is net terug van een vakantieweekend met 8 statushouders. Ze hebben al etend, pratend, wandelend en dansend geproefd van elkaars cultuur en ondertussen geoefend met de Nederlandse taal. De vrouw met de beugel laat haar beurt voorbij gaan – het praten kost haar immers moeite – maar de volgende keer zal ze vertellen over een Syrische jongen die haar nederig heeft gemaakt. En dan ben ik aan de beurt. Ik vertel dat ik tegenwoordig voorlees aan kindjes met een taalachterstand; opgelopen omdat er thuis geen Nederlands wordt gesproken of omdat praten met je kind en voorlezen niet voor elke ouder vanzelfsprekend is.

Ik kijk de groep nog eens rond en zeg dat ik de komende weken heel graag van ieder van hen wil leren. Leren hoe we onze taal over kunnen brengen op mensen die hier – na een traumatische periode – een plek zoeken en vooral hoe ik naar mensen kan kijken zonder oordeel. Het belooft een bijzondere cursus te worden. Dit was nog maar les 1.

What you see, is not always what you get!

Uitgelicht

Tot de dood ons scheidt

“Gaat u iemand blij maken”, vraag ik de oude heer als we allebei voor het stoplicht moeten wachten. Als antwoord op mijn vraag kijkt hij meteen naar de grote, rode envelop in zijn linkerhand waarop in sierlijke letters zorgvuldig de naam van de ontvanger is geschreven. Linksboven ontwaar ik zelfs een glinsterend hartje. Zijn blik blijft liefkozend op het poststuk hangen: “Het is een kaart met een gedicht voor mijn meisje”, antwoord hij zacht met schorre stem. “Ik ben zó blij dat ik haar na al die jaren weer gevonden heb. Binnenkort verhuis ik naar mijn geboortedorp en dan wonen we weer vlak bij elkaar en zal ik haar nóóit meer uit het oog verliezen”.

“Hebt u tijd voor een kleine pauze, daar op het bankje bij de brievenbus?”, vraag ik de man. Na 50 km op mijn racefiets kan ik wel een een rustmomentje gebruiken, maar nog belangrijker: ik vermoed een mooi verhaal dat nodig verteld moet worden. Meneer vindt het goed en als het verkeerslicht op groen springt, haast hij zich met zijn magere, kromme benen in de veel te grote korte broek naar de brievenbus om als eerste neer te ploffen op het bankje. En dan vertelt hij.

Hoe ze als buurkinderen dag en nacht samen speelden. Toen gewoon als vriendjes die elkaar eeuwige trouw hadden gezworen. Hoe hij haar had gered toen ze op de sloot naast hun huis door het ijs zakte. Hij was zo bang geweest dat hij haar nooit meer terug zou zien, dat hij haar maar meteen om verkering vroeg zodra hij haar uit het koude water had getrokken. Tien waren ze en vast voornemens om voor altijd bij elkaar te blijven. Maar in 1947 verhuisden zijn ouders naar Canada en natuurlijk moest hij mee. Hij zag of hoorde haar nooit meer, maar altijd bleef hij aan haar denken.

Zeven jaar geleden was hij met zijn kinderen naar Nederland gekomen voor een groot feest. Daar raakte hij in gesprek met een jonge vrouw die de kleindochter van zijn vroegere buurmeisje bleek te zijn. “Oma heeft zo vaak verteld over de buurjongen die naar Canada verhuisde en waar ze zeker mee getrouwd zou zijn als hij in Nederland was gebleven.” Na dat feest kwam van het een het ander. Ze zijn gaan schrijven; ellenlange brieven over hun levens, hun verlangens en vooral ook over dat ene, grote gemis. Een half jaar geleden nam hij rigoureus het besluit om voorgoed terug te gaan naar Nederland. En nu woont hij tijdelijk bij zijn broer. “Maar binnenkort kan ik dus naar mijn eigen huisje. Ik laat haar nooit, nooit meer gaan. Meer dan 75 jaar heb ik op haar moeten wachten, maar nu blijf ik de jaren die mij nog resten dicht bij haar. Ze is nog altijd even mooi. En zo lief!”, laat hij mij met een twinkeling in zijn ogen weten. “Ik heb nog nooit zo veel van iemand gehouden. Ze was en is mijn meisje en dat blijft ze tot de dood ons scheidt”.

Ik bedank de oude heer voor dit prachtige verhaal en wens hem veel geluk en vooral nog heel veel gezonde jaren.

Uitgelicht

Dominokoken©

“Wat ga je doen?”, vraagt de vriend vol verbazing. Ik heb hem zojuist verteld dat ik een leuke ontdekking heb gedaan op het gebied van ‘duurzaam koken’. En ik heb maar meteen een naam bedacht voor het fenomeen dat ik nu de wereld in slinger onder de naam: ‘Dominokoken’. Het ontstond deze week per toeval toen ik een halve koolrabi overhad van de maaltijd van de vorige dag. “Wat zal ik hier nou eens mee gaan doen?”, was de simpele gedachte.

  • Het werd een lekker maaltje met risotto, venkel, koolrabi en babyspinazie.
  • Maar toen had ik weer spinazie over. En dus maakte ik de volgende dag een curry van zoete aardappel met kikkererwten en spinazie.
  • Het restant van de kikkererwten gebruikte ik voor een lekkere poke bowl.
  • Maar toen had ik van alle groenten weer een beetje over. Ideaal om alles de volgende dag te gebruiken voor een heerlijke pasta met vegetarisch gehakt.
  • Het restant van het gehakt mengde ik de volgende dag met verschillende soorten paddenstoelen, uien en zongedroogde tomaatjes en daarmee vulde ik van die leuke bolcourgettes die je in de oven laat garen.

En zo gebeurde het dat ik maar bleef ‘doorkoken’; steeds weer voortgaand op de overblijvende ingrediënten van de dag ervoor. Het is niet alleen een uitdaging om steeds weer een leuke, volwaardige, gezonde en kleurrijke maaltijd op tafel te zetten, maar het is vooral ook een verrassing; élke dag weer. En een leuk spel. Want zodra je ziet dat er restjes op het aanrecht blijven staan, ga je meteen een leuk gerecht voor de volgende dag bedenken. Na een dag of zeven ‘Dominokoken’ zorg ik er voor dat écht alles opgaat; zodat ik weer met een schone lei kan beginnen.

Het patent voor deze leuke manier van koken heb ik alvast op mijn naam gezet: Dominokoken© Kijk voor lekkere recepten bij de rubriek gezond op mijn blogsite.

Uitgelicht

Je ziet het pas als je het door hebt!

Wat is dat toch: dat je jarenlang ergens langs kunt lopen zónder te zien wat je moet zien? Zo grenst mijn tuin aan een groot park. Echt een mooi park; dat heb ik altijd wel gezien. Maar een bijzonder park… nooit geweten; totdat ik laatst met een gids op pad ging. Tijdens een excursie vertelde hij over het ontstaan van ‘mijn’ park en over de zeldzame in- en uitheemse bomen die hier zijn te vinden. Blijkt het dus een heus arboretum te zijn waar boom- en plantendeskundigen van heinde en ver graag voor afreizen.

Het begon allemaal ruim 50 jaar geleden. Een ontwikkelingsmaatschappij wilde een grote nieuwbouwwijk uit de grond stampen, maar werd gehinderd door een opmerkelijk natuurverschijnsel: ‘de Peelrandbreuk’. Op deze breuklijn schuiven aardlagen over elkaar. De bovenste aardlaag wordt de ‘Horst’ genoemd, de onderste de ‘Slenk’. Op de breuklijn is de aarde altijd in beweging; niet schoksgewijs, maar als een langzame ononderbroken verplaatsing.

Tegen de zijkant van de hooggelegen aardkorst heeft zich door de eeuwen heen klei afgezet. Hierdoor is een ondoordringbare wand ontstaan die de horizontale waterstromen blokkeert. Het water wordt hier omhoog gedrukt. Eenmaal aan de bovenkant van de Horst loopt het water over naar de laaggelegen Slenk waar het weer snel wegzakt. Door het opdrukkende water is de hooggelegen Horst altijd veel natter dan de laaggelegen Slenk. Rondom de Peelrandbreuk beregenen boeren op de Slenk hun akkers dan ook veel eerder dan op de Horst. En op het hoge deel groeien zegge en riet, terwijl deze planten normaal juist op lage gronden voorkomen.

Ik wil nóg een opmerkelijk natuurverschijnsel met je delen: in de omgeving van de Peelrandbreuk is het water altijd bruin. Het water dat omhooggedrukt wordt (kwelwater), gaat door ijzerrijke grondlagen. Zodra er zuurstof komt bij de meegevoerde ijzerdeeltjes gaan deze roesten. En zo ontstaat de bruine kleur van het water. Vies is het water zeker niet, al denken mensen van elders dat altijd, maar wél voedselarm. Waterplanten en vissen zul je hier niet te vinden. En zwanen en eendjes moeten het vooral hebben van de toegeworpen broodkorsten. Zo… nou heb ik in een poep en een zucht een uiterst complex natuurverschijnsel uitgelegd dat elke dag is te bewonderen in het park achter mijn huis. “Je ziet het pas als je het door hebt!”, zal ik maar zeggen.

Toen de aannemer in de jaren 70 hier begon te bouwen, kwam hij al gauw van een koude kermis thuis. De hooggelegen grond was veel te nat en de sloopkogels sloegen stuk op de ijzerklompen in de grond. Alleen door de aanleg van een groot park konden de waterstromen alsnog in goede banen worden geleid en lukte het om hier toch nog een beperkt aantal huizen te bouwen. In het park vind je meta sequoia’s zoals de watercypres en de moerascypres, maar ook zwarte berken, wilgenbomen, pseudoacacia’s, haagbeuken en krentenbomen, de hazelaar en de esdoorn en nog veel meer. Ik ontdek in het park een Turkse eik van wel 20 meter hoog en een uit de kluiten gewassen Christusdoorn omgeven door manshoge ijzeroerkluiten die bij de aanleg van het park uit de bodem zijn gekomen.

Nou woon ik hier al meer dan 30 jaar en ik zie het nu pas: mijn achtertuin is indrukwekkend mooi en heel bijzonder!

Uitgelicht

De trein

Ik reis nooit met de trein; echt helemaal nooit. Maar vandaag gaat het er dan toch een keer van komen. Zonder de rein zijn onze plannen gewoon niet rond te krijgen. Vanmiddag ga ik met de vriend naar een feestje in Zwolle. Vanavond wil hij met een jeugdvriend een hapje eten in de stad en een concert bezoeken van een band uit lang vervlogen tijden. En ik wil naar een vriendin in Zutphen. “Als ik jou dan afzet op het station in Zwolle en jou ergens in de nacht weer ophaal in Zutphen, moet het allemaal lukken”, concludeert de vriend. En dus doen we het zo.

Om 19.00 uur sta ik een beetje wereldvreemd op het station van Zwolle op zoek naar een loket met een meneer of mevrouw om mijn kaartje te kopen. Maar ‘loketten met echte mensen’ zijn hier al lang verleden tijd, zo blijkt al gauw. “Je moet op zoek naar een automaat”, vertelt een haastige voorbijganger. Gelukkig is die snel gevonden en ook het kaartje is in een poep en een zucht gekocht. Best makkelijk eigenlijk. Nu nog het juiste spoor zien te vinden. Verdorie: had ik nou maar even op de een of andere handige site gekeken. Maar ook hier biedt een vriendelijke voorbijganger hulp. En nog geen 10 minuten later plof ik neer in de juiste trein. Naast mij zitten vier kinderen van een jaar of tien. Zo te zien is het ‘reizen per spoor’ voor hen de gewoonste zaak van de wereld. De trein zet zich in beweging en zoeft richting Zutphen. So far, so good.

Maar als we een stop in Deventer maken, laat de machinist via de intercom weten dat ‘deze trein vanavond niet meer verder rijdt’. En om zijn woorden kracht bij te zetten, worden de lichten in de coupé gedoofd. Al snel wordt de oorzaak duidelijk: er is een ongeluk gebeurd op een spoorwegovergang. “De situatie is dusdanig ernstig dat het heel erg lang gaat duren”, laat de machinist wederom via de intercom weten. En nogmaals sommeert hij alle passagiers ‘om de trein onmiddellijk te verlaten waarbij hij ons vriendelijk verzoekt om er op toe te zien dat er geen persoonlijke eigendommen achterblijven.’

“Echt weer de NS,’ moppert de man tegenover mij, “altijd die eeuwige vertraging! Ze leren het ook nooit!” Stomverbaasd staar ik de man aan. Zou hij écht niet beseffen wat er zojuist is gebeurd? Hij komt later of wellicht té laat thuis, maar ergens komt iemand nooit meer thuis! Een niet te bevatten leed; ik voel het omhoogkruipen in mijn maag.

“Wat nu?”, vraag ik me hardop af als ik uit de trein stap en zoekend rondkijk op het perron. “U kunt met de trein naar Apeldoorn en van daaruit naar Zutphen”, oppert een behulpzame NS-mevrouw. Ik kijk naar de vier kinderen die zich nu met grote ogen ook afvragen hoe ze thuis moeten komen. Hier op het kille perron van een voor hen onbekende stad zijn ze opeens een stuk minder zelfverzekerd. “Waar moeten jullie naar toe?”, vraag ik hen. “Naar Zutphen”, is het antwoord. “Kom maar mee dan reizen we samen met een omweg via Apeldoorn”. “Fijn dat u dat weet”, verzucht een van de meisjes, rillend van de oprukkende avondkou.

Dik twee uur later dan gepland, kom ik bij mijn vriendin aan. En hét gespreksonderwerp van die avond is natuurlijk niet ‘de trein’, maar de grote ellende die daar onbedoeld uit voortkomt.

Lees ook het eerder gepubliceerde verhaal: ‘twee vrienden

Uitgelicht

Huilenbalkje

“Hoe kun jij zó hard fietsen op een fiets zonder versnellingen, terwijl ik er 21 heb en bijna niet vooruit kom?”, roept een vrouw verontwaardigd als ik haar voorbijstuif op een leenfiets van de garage. Ik heb zojuist mijn auto achter moeten laten voor een reparatie die veel meer tijd bleek te vragen dan vooraf was gepland. “Ik heb geen leenauto,” zei de monteur, “alleen een oude fiets die je mee kunt nemen.” Ik baal, want de tocht naar huis is een flink eind fietsen en het is vandaag bloedheet. Maar wat kan ik anders? De auto heeft het af laten weten. Dus fiets ik de 20 km huiswaarts en stamp ik flink op de pedalen van de zware fiets.

“Ik fiets normaal gesproken op een racefiets,” zeg ik tegen de vrouw, “dus ik heb wel wat fietsconditie opgebouwd. Maar misschien zijn je banden niet hard genoeg, lopen je remmen aan, moet je ketting gesmeerd worden of is je derailleur vervuild.” ‘Opschepper’ denk ik bij mezelf, al kan ik niet ontkennen dat dit best relevante en deskundigen suggesties zijn.

“Ik weet het niet”, jammert de vrouw. “Ik fiets eigenlijk nooit, maar mijn auto staat in de garage. Ik heb mijn man al gevraagd of hij naar de fiets wil kijken, maar daar heeft hij geen zin in en geen tijd voor zegt hij. Zelf heb ik er helemaal geen verstand van en ik wil eigenlijk ook helemaal niet fietsen”, gaat haar klaagzang onverminderd door. En waarachtig… daar komen zelfs de tranen. Krijg nou wat: ze jankt. Wat een ‘verschutting’.

Als ik weer eens een keer moet huilen ( wat met het ouder worden steeds vaker en vooral ook steeds ongenuanceerder gebeurt) weet mijn zus mij altijd genadeloos op mijn plek te zetten met de opmerking: “Huilenbalkje, nou is het genoeg.” En meteen kan ik de boel dan weer relativeren en de knop omzetten. Wat bij mij werkt, zou natuurlijk bij deze vrouw ook kunnen werken…

En daar gaatie al: “Huilenbalk nou is het genoeg”, laat ik haar op een vriendelijke maar besliste toon weten. “Je gaat naar huis, begint met het oppompen van je banden en rijdt linea recta door naar een fietsenmaker in de buurt met het verzoek of hij je fiets eens goed na wil kijken. En trouwens: fiets ook eens wat vaker! Je zult zien dat het dan een stuk makkelijker gaat.”

Zo, dat is gezegd; en weg ben ik. Stevig stampend op de pedalen van mijn leenfiets die ik weliswaar vervloek, maar die mij toch maar weer mooi thuis heeft gebracht.

Uitgelicht

Het verhaal van de luit

Het is een gewone zondagmiddag als ik mij aansluit bij een voorstelling van drie vertellers. Nu ik zelf een vertelcursus heb gevolgd, ga ik graag naar professionele vertelvoorstellingen. Kan ik alvast een beetje fantaseren over hetgeen ik straks zélf op het podium denk te gaan doen zodra ook ik de vertelkunst beheers. En zodra ik natuurlijk genoeg lef heb om op een podium te gaan staan.

Bij een vertelvoorstelling is het publiek over het algemeen wat ouder. Of juist heel jong, als de voorstelling voor kinderen is bedoeld. Maar tussen de kinderleeftijd en de grijze golf is weinig luisterend publiek te vinden. Het lijkt wel alsof kinderen het luisteren naar verhalen op een gegeven moment afleren om het pas op latere leeftijd weer opnieuw te ontdekken.

Dus ook deze zondagmiddagvoorstelling géén jeugdigheid in het publiek behalve dan één opmerkelijke jongeman. Met zijn lange, bruine, sluike haren, bleke gezicht en uitzonderlijk lange vingers is hij een vreemdeling in het verder uniforme gezelschap. Zijn broek is groen als het mos van een bospad en zijn shirt is lichtbruin. Alles is zacht, bleek en kleurloos aan deze jongen die me eerder aan een elf doet denken dan aan jongeman van deze tijd. Wie is hij en wat brengt hem hier?

En dan staat hij opeens op en betreedt met lichte tred het podium. Uiterst behoedzaam gaat hij zitten op een kaarsrechte stoel. De knieën tegen elkaar gedrukt; de onderbenen iets schuin onder zich weggedraaid. Met een vrome, zachte blik kijkt hij even de zaal in waarna hij zijn instrument – een luit – oppakt en zijn lange vingers in positie zet. Het is doodstil in de zaal en om de spanning nog wat op te voeren, laat hij de stilte nog even voortduren.

En dan – uit het niets – klinkt er een geluid: zo fragiel dat het regelrecht uit de hemel lijkt te komen. De jongen bespeelt de luit met een onvoorstelbaar gemak. Zijn vingers dansen lichtvoetig over de snaren en wat ik hoor is van een ongekende schoonheid. Het kan niet anders: hier speelt een échte elf op een luit en hij tovert de mooiste muziek uit zijn instrument en ik kan alleen maar ademloos luisteren.

De jongen speelt en speelt. Het ene lied naar het andere af en toe onderbroken door een kort verhaal van een van de vertellers. Maar het is de zonderlinge jongen die vandaag het allermooiste verhaal vertelt. Het verhaal van de luit.

Uitgelicht

Pricilla

Van verre zie ik haar al aankomen. Een vriendin van vroeger die ik in geen 25 jaar meer heb gezien. Pricilla: een superknappe meid; toentertijd dan. Ruim tien jaar jonger dan ik en dat moest ze vroeger dan ook irritant vaak zeggen. Met haar opvallende verschijning trok ze alle aandacht naar zich toe. De mannen dweepten met haar en de vrouwen waren zonder uitzondering stinkend jaloers.

Pricilla was 1.79 meter lang, superslank en had golvende, blonde haren en van die donkerbruine ogen die je, volkomen onschuldig, net iets te lang bleven aankijken. Ze was altijd goed gekleed in veel te dure, trendy kleding. Alles, maar dan ook écht alles was perfect aan Pricilla. Hoe is het mogelijk dat ik ooit met haar bevriend raakte? Nou ja, ze was eigenlijk ook best grappig. Vooral als ze met haar knappe smoeltje in zwaar Brabants dialect begon te praten. Deed ze in principe nooit; alleen op mijn verzoek.

Maar nu komt ze daar aangelopen en het ziet er naar uit dat ze me heeft herkend. Ik kan mij niet langer verschuilen achter mijn grote zonnebril en al helemaal niet meer ongemerkt langs haar heen glippen. Nee, ze komt recht op me af. En daar klinkt het al: “Hé hallo, dat is lang geleden. Hoe is het met jou? Ik dacht dat je al verhuisd was. Heb ik ook maar van horen zeggen hoor.”

Nou… waar moet je beginnen als je elkaar 25 jaar niets meer te zeggen hebt gehad? Pricilla zelf is volkomen veranderd. Het lijkt wel of ze een flink stuk is gekrompen. Haar heupen en bovenbenen hebben een indrukwekkend volume bereikt en haar lange blonde haren zijn ingeruild voor een duf, kort kapsel. Haar gezicht is pafferig en ze oogt vermoeid. Ook van de stijlvolle kleding is niet veel meer over. Ze sjokt in een joggingpak. Nee… met het verstrijken van de jaren is de schoonheid van Pricilla genadeloos verloren gegaan.

Maar behalve haar uiterlijk is alles hetzelfde gebleven: ze woont nog altijd in hetzelfde huis, bij dezelfde man, heeft dezelfde hobby’s en dezelfde clubjes en natuurlijk ook nog altijd dezelfde baan. Zelfs de hond is ongewijzigd, constateer ik, al moet dit – gezien de verstreken jaren – ondertussen wel het derde exemplaar zijn. Sinds we elkaar uit het oog zijn verloren, lijkt het alsof de wereld van Pricilla volledig heeft stilgestaan.

Dus waar Pricilla eigenlijk helemaal niets heeft te vertellen over de voorbije jaren, zou ik niet weten waar ik moet beginnen. “Ik loop maar weer eens verder”, zeg ik om mij te ontworstelen aan deze ongemakkelijke ontmoeting. Ze kijkt me aan; met van die grote, donkerbruine ogen; net iets te lang. En dan opeens zie ik het: Pricilla verbergt een groot verdriet. “Heb je tijd voor een bakkie?”, vraag ik haar. En dankbaar neemt ze mijn uitnodiging aan. Die middag praten we een paar uur met een grote koffiepot op tafel en luister ik naar haar verhaal.

En ik schaam mij voor mijn eerdere gedachten, want die middag zie ik dat Pricilla nog net zo mooi is als ze eerder was; alleen moet je nu wat beter zoeken.

Uitgelicht

Meneer Mandje

Kent u hem nog? De antiquair die aan de interviewer van Omroep Maxim moet uitleggen wat ‘antiek’ is? Als voorbeeld pakt de vriendelijke man een porseleinen mandje gemaakt door de firma Tiggelaar. In enkele zinnen legt hij klip en klaar uit waar het mandje vandaan komt, wie het gemaakt heeft en waar het voor bedoeld is. Waarop de interviewer zegt: “Veel te lang; dat moet korter!” In één kernachtige zin vat de antiquair zijn voordracht samen. Heel knap zou ik zeggen, maar de interviewer vindt het nog altijd veel te lang. “Korter”, is de opdracht. De antiquair doet nog een poging: “Mandje van Tiggelaar.”  Maar de interviewer keurt de beschrijving wederom resoluut af waarna de antiquair fel uitroept: “Mand”. Korter dan dit ene woordje kan zijn uitleg echt niet worden. Dit filmpje is indertijd meteen viral gegaan en de krasse knar gaat de wereld over als meneer ‘Mandje’.

Inmiddels staat een ‘meneer Mandje’ ook te boek als een efficiënte vergadertechniek waarbij je moet proberen om je voordrachten van alle ballast en fratsen te ontdoen. Als het de deelnemers lukt om alleen dát te zeggen wat relevant is, blijkt de vergadertijd met zo’n 60% teruggedrongen te kunnen worden. Fijn voor de werksituatie waarover de meesten van ons steen en been klagen, omdat het altijd veel en veel te druk is.

Maar ik kan je vertellen dat het ook een verademing is om juist op dit klagen de ‘meneer Mandje-methodiek’ toe te passen. Goh, wat blijft er dan opeens een hoop tijd over om gewoon te werken of om juist wat ruimte te laten voor échte aandacht en social talk.

Sinds kort pas ik de ‘meneer Mandje-methodiek’ thuis ook toe; maar dan op mezelf. Als ik in de mineur zak, omdat het allemaal even niet gaat zoals ik wil of als ik zit te klagen en te zagen, spreek ik mezelf kordaat toe: “korter!” En als een echte meneer Mandje weet ik dan binnen een mum van tijd alle ellende tot één woord te reduceren: “shit”. Zo. Klaar. Korter kan het niet.

Voor alle jonge lezers die meneer Mandje niet kennen...hierbij een link
naar het geweldige filmpje.

Uitgelicht

Herinneringspad

Het is zo’n mooie, zwoele zomeravond. Met zes Nederlanders en vier Italianen zitten we aan een lange tafel te genieten van een heerlijke maaltijd en van de ondergaande zon. We zijn allemaal te gast op een camping ergens ver weggestopt in de prachtige natuur van West-Italië. Elke avond komen we hier samen aan de grote tafel. We vertellen elkaar verhalen. Over waar we vandaan komen en waar we naartoe gaan. Over wat we normaal gesproken doen en wat ons hier brengt. Vanavond is een jonge vrouw aangeschoven. In de late namiddag arriveerde zij om voor een paar weken met haar tentje neer te strijken op deze afgelegen camping.

Ik vraag haar wat haar hier brengt. Zij antwoordt: “Mijn moeder.” Na de begrafenis van haar moeder vond ze bij het opruimen van het huis een dagboek. Dat boekje met de zachtleren kaft en het minutieuze slotje dat nauwelijks open te krijgen was, heeft ze inmiddels gelezen. En keer op keer herlezen. “De band met mijn moeder is nooit goed geweest”, vertelt ze met gedempte stem. Als kind heeft ze nooit begrepen dat haar moeder er voor koos om weg te gaan bij het gezin toen zij nog maar amper 10 jaar oud was. Ze had het daarna zeker niet slecht hoor bij haar vader en haar zusje. Maar toch… welke moeder doet dit nou? Nooit heeft ze haar begrepen, laat staan dat ze haar heeft kunnen vergeven. Woedend werd ze toen ze hoorde dat haar moeder samenwoonde met een vrouw, zich ingeschreven had voor de kunstacademie of weer eens voor een paar weken was vertrokken naar een camping in Italië.

Maar nu is daar het dagboek en leest ze eindelijk het verhaal van haar moeder. Nu ze 35 jaar oud is en zelf moeder is van twee kinderen.

Ze leest het verhaal van een meisje dat zich altijd al ongelukkig en onbegrepen heeft gevoeld, omdat ze al heel jong ontdekt dat ze anders is dan de andere meisjes in haar omgeving. Een puber die al snel het vermoeden heeft dat ze van vrouwen houdt; veel meer dan van mannen. Maar als ze daar voorzichtig mee gaat experimenteren, komt ze zwaar in conflict met haar ouders die er een streng en kortzichtig geloof op nahouden. Ze wordt uit de gemeenschap verstoten en mag van haar ouders en de hele geloofsgemeenschap pas terugkomen als ze van haar ‘ziekte’ is genezen. De 17-jarige die daardoor zonder geld of goed op straat komt te staan en regelrecht in de armen loopt van de eerste de beste man die voor haar wil zorgen. De moeder die de kinderen krijgt die zij eigenlijk helemaal niet wil krijgen. Want ze heeft haar eigen pad nog niet eens gevonden dus hoe kan ze dan het pad van haar kinderen volgen? De moeder die vermoedt dat er ondanks haar ellende iets groots in haar verscholen ligt en die dat voorzichtig naar buiten laat komen in haar beeldhouwwerken en installaties die gaandeweg steeds meer gewaardeerd en bejubeld worden. De jonge vrouw die, op die kleine camping daar ver weg in Italië, wekenlang in een tentje bivakkeert en eindelijk het gevoel heeft dat zij mag zijn wie ze is. Niet bekeken. Niet veroordeeld.

In haar dagboek beschrijft ze de plaatsjes en pleintjes waar ze zat met haar koffie en haar boek. Ze beschrijft de mensen die ze sprak en die haar zo zonder terughoudendheid lieten zijn wie ze was. En ze beschrijft de lange tafel op de camping waar de gasten ’s avonds bijeenkomen om te genieten van de ondergaande zon, de maaltijd en de goede gesprekken met elkaar.

En nu zit zij hier; op de plek van haar moeder. Jarno en John, de eigenaren van de camping hebben geen vragen gesteld, maar haar alleen de vertrouwde plek van haar moeder gegeven waar ook zij haar tentje voor een paar weken op mag slaan. Ze vertelt en vertelt die avond met haar zachte, hese stem; ze vertelt het verhaal van haar moeder. Hoe ze nu via het dagboek haar pad volgt, haar opnieuw leert kennen en haar eindelijk na al die jaren leert begrijpen en kan vergeven.

Het is een mooie, zwoele zomeravond. Zo’n avond waarop je voelt dat er iets gaat gebeuren. Vanavond komt na 25 jaar een dochter thuis bij haar moeder en ik kijk ernaar.

Uitgelicht

Engelengeduld

Eigenlijk heb ik er meteen een beetje spijt van: dat ik tijdens de lunch op een gezellig terras aan het water op de oude heer heb gereageerd. De man zit alleen aan een tafeltje en roept frequent en dwingend om de ober, die maar niet wil komen. Ik heb hem zojuist gezegd: “dat hij een beetje geduld moet hebben.” Op een bordje dat goed zichtbaar op het terras is geplaatst, staat immers duidelijk vermeld dat het team kampt met een groot personeelstekort. De restauranthouder verontschuldigt zich alvast voor de wachttijden die langer kunnen zijn dan normaal.

Maar na mijn opmerking reageert de man nog bozer: “Geduld? Ik heb genoeg geduld! Engelengeduld heb ik zelfs. Maar tegenwoordig weet de jeugd niet meer wat werken is. Je zou het niet zeggen, maar ik ben al 90. Vanaf mijn 15de heb ik altijd keihard gewerkt. Nooit ziek geweest! En áls je ziek was, dan werkte je gewoon door. In mijn tijd, mevrouw, bestond er geen ziektegeld. En al helemaal geen bijstand. Weet u dat ik al 90 ben? Ik ben een geboren Rotterdammer, dat hoort u natuurlijk nog wel. Toen de moffen in de Tweede Wereldoorlog de stad helemaal kapot bombardeerden, kwam de hongerwinter. Dat waren nog eens tijden; ik heb het allemaal meegemaakt. Ze hebben me toen naar Friesland gestuurd om aan te sterken en ik ben er 15 jaar gebleven. Ik ben al 90 al zou je dat niet zeggen.”

“Wat voor werk hebt u altijd gedaan?”, vraag ik hem om het gesprek toch maar een andere wending te geven. “Ik heb altijd in de grafische industrie gezeten. Dag en nacht gewerkt. Ik ben al 90 maar in mijn tijd moest je nog eens écht hard werken. Dat kunnen ze tegenwoordig niet meer. Ik heb een tijd in Frankrijk gewoond. Ik ben echt een man van de wereld; mij maak je niets wijs. Ik kom al 50 jaar in dit restaurant. Zo lang bestaat het hier al. Maar die jonge gasten weten dat allemaal niet. Interesseert ze niet. Een mens zou zijn zegeningen eens wat meer moeten tellen. Beter moeten beseffen hoe rijk hij eigenlijk is.”

“Waarom bent u dan zo aan het mopperen?” vraag ik hem kritisch. “Ik mopper niet. Ze moeten gewoon opschieten. Ik moet mijn twee jonge jenevertjes voor vandaag nú hebben en daarna wandel ik weer verder. Zo doe ik dat elke dag. Ik heb 25 keer de vierdaagse gelopen, maar nu hou ik het bij mijn dagelijks rondje van 4 km. Ik ben al 90 moet u weten. Mijn vrouw leeft niet meer; ik moet me alleen zien te redden en dat valt niet mee als je 90 bent. Ik kom hier al 50 jaar. Vroeger altijd met mijn vrouw, maar die leeft niet meer. Van haar mocht ik niet drinken, maar nu doe ik het gewoon. Ik heb alle vrijheid. Ik hoef niet meer te werken; dat heb ik lang genoeg gedaan. Altijd in de grafische industrie; dag en nacht. Ik ben een man van de wereld; mij maken ze niets wijs. Ik heb lange tijd in Frankrijk gewoond. Zou u mij 90 jaar geven? En vragend kijkt hij mij aan.

“Absoluut niet!,” stel ik hem gerust. “Volgens mij geniet u wel van het leven, uw dagelijkse wandeling en uw borreltje. Wat wil een mens nog meer?” “90 worden!” zegt hij resoluut, “want dat lukt heus niet iedereen. En dan merk ik dat ik knap genoeg begin te krijgen van dit gesprek. “Ik ga maar weer eens verder, zeg ik en sta op om te betalen. Maar ook deze keer laat de ober lang op zich wachten. Veel te lang als je het mij vraagt!

Engelengeduld.

Lees ook de andere verhalen uit de serie ‘De dingen die voorbij gaan‘: Een goed verhaal
Hangplek voor oude
renAlles onder controleStroopwafelStapelboterhammenKledingadviezen

Uitgelicht

Schaamte

Er zijn van die dingen, die dóe je gewoon niet. Een legging dragen bijvoorbeeld of na je zestigste nog een mouwloos jurkje aantrekken: helemaal fout. Net als een man met witte sokken: kan gewoon niet. En ik zal ik nooit de deur uitgaan, zonder een beetje make up op mijn snoet. Ben je gek: je weet maar nooit wie je tegenkomt.

Zo weet een vriendin van mij dat ze het echt bij één glaasje wijn moet houden. Omdat ze anders achteraf altijd weer spijt heeft van de onzin die ze allemaal uitgekraamd heeft. En ik weet dat ik af en toe best een leugentje mag gebruiken om een verhaal wat op te leuken, maar dat ik ook weer niet té veel bij elkaar moet verzinnen. Ik zou zomaar eens werkelijkheid en fictie met elkaar kunnen gaan verwarren.

Er zijn van die dingen die doe je gewoon niet. omdat ze dom, saai of sullig zijn. Zo zal ik dus nooit, maar dan ook echt nooit een briefje meenemen naar de bouwmarkt als ik samen met de vriend aan het klussen ben en we onverwachts misgrijpen op het een of ander. Nog liever laat ik hem tien keer geduldig uitleggen welk moeilijk apparaat of tangetje hij nou weer zo nodig moet hebben dan dat ik het op een papiertje schrijf. Nee, ik verzin gewoon allerlei ezelsbruggetjes om eenmaal aan de balie de handige jongeman moeiteloos om een torxschroevendraaier of om een schrobzaag te vragen.

Des te meer was ik dan ook onder de indruk – maar dan in het negatieve – van de vrouw met een witte legging, mouwloos jurkje en smeuïg dialect die – toen ze aan de beurt was bij de balie van een uiterst fijne gereedschapswinkel – zonder enige schaamte zei: “Wacht efkes. Effe menne John bellen, dan kan ie vertelle wek mee moe brengen.“ En daar was John aan de lijn én in beeld. En hij vroeg de baliemedewerker zijn vrouw een Bahco mee te geven. “Ik dacht dat ie me naar de kroeg stuurde voor unne bako, maar hij moet dus gereedschap hebbe. Ik hoop dè gu wit wattie bedoelt“, kwam er geheel overbodig achteraan. En de jongeman wist het en pakte zonder blikken of blozen het bedoelde gereedschap en deed het voor de mevrouw in een tasje.

“Waar kan ik u mee helpen?” vraagt hij aan mij nadat de opmerkelijke dame heeft afgerekend en is vertrokken. En je zult het niet geloven, maar door alle consternatie ben ik helemaal vergeten wat ik hier kom halen. En tot mijn grote schaamte kan ik niet anders dan de vriend bellen en hem vragen wat ik ook al weer moet meebrengen. Nog erger dan een briefje.

Sommige dingen dóe je gewoon niet!

Uitgelicht

Illegaal

Vandaag staat er een flinke wandeling bij het Lauwersmeer op de planning. Het weer is goed: bewolkt, af en toe een zonnetje en een straf windje. Maar dat is eigenlijk niets bijzonders: in het weidse Noorden waait het altijd. De eerste kilometers volgen het wad. De typisch Hollandse wolken en oude zeilschepen die de Waddenzee doorkruisen, maken de vergezichten extra mooi.

Na 12 kilometers dirigeert de navigatie ons een bosrijk natuurgebied in. Juist deze afwisseling belooft de wandeling van vandaag zo mooi te maken. Maar al na twee kilometer houdt een hek ons tegen: ‘Natuurgebied gesloten wegens militaire oefening. Streng verboden voorbij het hek te gaan‘, staat er dreigend op een groot bord. Maar wij zijn niet voor één gat te vangen. Een paar kilometer verderop vinden we een pad dat om het militair oefenterrein heen lijkt te gaan. “Je kunt er gewoon door!”, bevestigt een goedlachse Groninger ons als hij ons ziet dralen. En dus vervolgen we het pad, om na 5 kilometer wederom tegen een hek met ‘niet-mis-te-verstane-boodschap‘ te lopen.

Wat nu? Dezelfde weg terug of een illegaaltje en het hek negeren? Een nuchtere Fries geeft de doorslag. “Het is zondag 16.00 uur. Als er vandaag al een oefening zou zijn, dan zitten de jongens en meiden nú toch zeker aan het bier”, concludeert hij met grote stelligheid. En hij draait het hek open, springt weer op zijn fiets en gaat er vandoor, stevig stampend op de pedalen. Durven wij hem na te doen…?

We doen het! Onderweg passeren ons legertrucks met camouflagenetten. Een heuse tank kruist op grote snelheid ons pad en bij het internationale oefendorp Manshuizen is het een drukte van belang. Het is duidelijk: wij mogen hier helemaal niet zijn. Maar het pad is zo mooi: té mooi om het niet te nemen!

Bij een druk punt van kruisende legervoertuigen duiken we weg in de bossages. En bij elke volgende kruising houden we angstvallig halt om eerst te beoordelen of de kust veilig is. Het worden 15 spannende kilometers waarbij het angstzweet af en toe uitbreekt vooral ook door de op hol geslagen fantasie. Wat een avontuur!

Na ruim 8 uur komen we bij het eindpunt van onze wandeling. “Ik denk dat het voor onze veiligheid beter is om de komende tijd een beetje onder de radar blijven”, zeg ik tegen de vriend. En nét al hij mij bevestigend wil antwoorden, komt een militair ons hardlopend tegemoet. “Nooit meer doen hè,” zegt hij in het voorbijgaan. “Ik zag jullie wel al die tijd. Dat bord staat er niet voor niets. Deze burgerlijke ongehoorzaamheid kan echt niet meer op jullie leeftijd.” Betrapt en een beetje beschaamd kijk ik de man aan. “Op zondag oefenen jullie helemaal niet,” werp ik brutaal tegen, “en rond deze tijd zijn jullie gewoon lekker aan het sporten of zit iedereen aan het bier.” “Klopt!” roept de man en weg sprint hij. “Fijne dag nog!”

Uit veiligheidsoverwegingen is dit bericht niet onmiddellijk gepubliceerd en worden en er geen persoonlijke foto’s bij het bericht geplaatst. Je weet maar nooit.

Uitgelicht

Houdoe!

Ik ben geboren en getogen in de ‘saaiste stad van Nederland’. Na 30 jaar verhuisde ik naar het ‘groenste dorp van ons land’. En nu – weer 30 jaar later – sta ik op het punt om in de Gelderse ‘city of life sciences’ te gaan wonen. Mijn eigen vertrouwde Brabant na 60 jaar loslaten, is beslist niet gemakkelijk en ook het prachtige natuurgebied de Maashorst vaarwel zeggen, kost moeite. Ontelbare keren heb ik hier gewandeld en gefietst. Ik ben zelfs een keer geïnterviewd voor een korte film over de Maashorst.

Als een soort afscheidstoertje begin ik vandaag aan een driedaagse wandeltocht door mijn eigen achterland. Dat ik zal genieten van de bossen, de vogels, de mossen en de bloemen, staat voor mij als een paal boven water. Maar tijdens deze tocht ga ik vooral ook op zoek naar de legendes over de Maashorst. En die zijn er genoeg, zo blijkt al snel. In dit verhaal kan ik er maar een paar met je delen.

Mijn tocht start bij het gehucht Zevenbergen. Meteen plopt het verhaal op van de wrede kolenbrander die hier – lang geleden – in een hutje op de hei woonde. Op een avond staat er een gezelschap van acht personen bij de hut. De mannen zijn verdwaald en vragen onderdak. De kolenbrander ontvangt de reizigers gastvrij. Maar één van hen vertrouwt hem niet en sluipt zachtjes weg. Als de zeven mannen later die avond diep in slaap zijn, vermoordt de kolenbrander hen. Hij steelt hun kleding, geld en sieraden en begraaft hen in zijn achtertuin. Maar de achtste reiziger vertelt de buurtbewoners wat er die nacht is gebeurd. De kolenbrander wordt veroordeeld tot de dood door ophanging. Op weg naar de galg bezweert de kolenbrander dat hij onschuldig is: “De doden mogen mij komen halen als ik lieg.” En onmiddellijk beeft de aarde en grijpen zeven gebalde vuisten de kolenbrander bij zijn kladden. Wat rest na dit gruwelijke moment zijn zeven bergen in het landschap.

Al wandelend moet ik even bekomen van deze lugubere vertelling, maar al gauw kom ik bij een volgende plek met een verhaal. Ik sta bij het Vorstengraf: de grootste en oudste grafheuvel van Nederland. Bij de aanleg van een woonwagenkamp werd hier destijds een écht Mindelheim kromzwaard gevonden, versierd met goud. Hier ligt een vorst begraven die honderden jaren vóór Christus heeft geregeerd. Vlakbij dit graf is nog een tweede vorstengraf gevonden. Ook ontdekte men tal van grafheuvels die heel opvallend gemarkeerd werden door lange palen. Ik heb nooit geweten dat de aanduiding van het verkeersknooppunt ‘Paalgraven’ op deze paalgraven slaat. Via een kruip-door-sluip-door weggetje is nog altijd een klein gebied met grafheuvels te bewonderen. Na deze twee verhalen stap ik eens een tijdje flink door om niet te laat bij mijn overnachtingsadres aan te komen.

Op mijn tweede wandeldag doorkruis ik de heidevelden van de Brobbelbries. En nét als ik het verhaal wil beluisteren over Kobus van der Schlosse die in de 17de eeuw hier de boel onveilig maakte, wordt de lucht gitzwart en breekt een hevig onweer los. Een perfect decor voor een gewelddadig verhaal. Kobus moordt en plundert er flink op los, maar toch is er geen mens te vinden die Kobus zal verraden. En dat is niet omdat hij soms ook een echte Robin Hood is, maar vooral door zijn pact met de duivel. Daardoor weet Kobus altijd aan de gendarmes te ontsnappen. Als ze hem te dicht op de hielen zitten, springt Kobus in een ven waarna hij in een bos riet verandert. Door de plons en de transformatie brobbelt het water nog lange tijd na en zo heeft dit gebied de naam ‘Brobbelbies’ gekregen. Het verhaal eindigt met een felle bliksemschicht en harde donderslag gevolgd door een fikse regenbui. Ik haast mij naar mijn overnachting voor de tweede dag en slaap die nacht onrustig in mijn tentje.

De derde dag ga ik extra vroeg op pad. Na de verfrissende regenbui van gisteren is alles op adem gekomen. Terwijl de vogels luidruchtig zingen en de vlinders voor mij uitvliegen, volg ik het pad langs de Peelrandbreuk; een geologische breuklijn waarbij twee aardlagen over elkaar heen schuiven en waarbij het hooggelegen deel (de horst) altijd nat is en het laaggelegen deel (de slenk) altijd droog is. Ik lees nog maar eens over het ijzerrijke, bruine water van de Wijstgronden dat voor mij zo vertrouwd oogt. Vandaag geen spannende verhalen over duivels, rovers en vorsten, maar gewoon de natuur in al haar schoonheid. Ik loop te midden van schapen, exmoor pony’s, taurossen en wisenten die gelukkig nog altijd achter een hek zitten.

Tegen het einde van mijn wandeltocht mijmer ik op een boomstronk nog wat na: “Wat is de Maashorst toch betoverend mooi.” Ik heb het woord ‘betoverend’ nog niet gedacht of daar komt een kabouter aangewandeld. Het blijkt Hans Joppen te zijn; uitermate bekend hier op de Maashorst. Er is zelfs een berg naar hem genoemd. “Ik loop even een stukje met je mee”, zegt Joppen en samen vervolgen we het pad. Tot een zijweg ons pad kruist en Joppen opeens roept: “Zo. ik ben er. Niet vergeten hè: vertrouw op jezelf. Jij vindt de weg wel weer: altijd, overal! Houdoe!” En weg is Hans.

Het verhaal gaat dat iedereen die zoekend over de Maashorst zwerft deze kabouter vroeg of laat tegenkomt. Hans Joppen moedigt reizigers aan om in zoektocht van het leven te vertrouwen op eigen krachten en talenten.

Na de bemoedigende woorden van Hans Joppen weet ik het zeker: ook in Gelderland zal ik mijn weg weer vinden. Overal, altijd!

Uitgelicht

Als een kind zo blij!

De parkeerplaats staat al ramvol als we nog vóór openingstijd bij de Efteling aankomen. “Ik dacht dat het vandaag niet zo druk zou zijn”, zegt mijn oudste zus. “In de Efteling is het élke dag druk”, weet mijn middelste zus te vertellen. Mijn broer kan heel goed een gehandicapte nadoen. Hij wil deze act wel even inzetten om ons sneller langs de kassa te loodsen. “Bewaar je optredens maar voor straks; als we te lang bij de attracties moeten wachten”, roepen drie oudere zussen hem tot de orde.

Vandaag is het ‘broer/zussen-dag’ en als zestigers gaan we onze jeugdherinneringen weer eens helemaal opfrissen. Dus stomen we meteen door naar de Python en naar Joris en zijn draak, want dat vonden we vroeger een ‘makkie’ dus dat kan nu ook nog best. Middelste zus gilt tijdens de rit in alle toonaarden. Oudste zus is verdacht stil en broer lacht ons een beetje uit. “Dat was supereng!”, roept een klein ventje als hij weer buiten staat. En hij zegt wat ik denk: dat was supereng!

Tijd voor wat lieflijks: eerst Droomvlucht en dan de Fata Morgana. Maar oei…in de Fata Morgana komen wel heel veel stereotypes voorbij. Hoe lang zal het nog duren voordat iemand roept: ‘Dat kan écht niet meer: dat vrouwen in harems figureren, mensen uit het Midden-Oosten als bedelaars in lange jurken worden gepresenteerd en dat tijgers als huisdier worden gehouden.’ Wat ooit als het sprookje van Duizend-en-een-nacht iedereen in vervoering bracht, kan na 70 jaar Efteling wel eens haar langste tijd hebben gehad. Ook monsieur Cannibale heeft het veld al moeten ruimen.

Van de Fata Morgana rukken we op naar de Vliegende Hollander: ook behoorlijk heftig als je het mij vraagt. En omdat we nu toch weer in de flow van ‘hard en eng’ zitten, pakken we ook meteen maar even de Vogelrok mee. Maar dan moet middelste zus bijna spugen en wordt het hoogtijd voor het Sprookjesbos. Hier ligt onze jeugd; hier hebben we hele vakanties doorgebracht. Ik kon er geen genoeg van krijgen.

Maar wat is dat nou? Roodkapje, Assepoester, Raponsje, De put van Vrouw Holle… kan dat eigenlijk allemaal nog wel? Zo rolbevestigend, vrouwonvriendelijk en stigmatiserend. Mag je een kind deze verhalen nog wel vertellen of is het tijd voor wat meer genderneutraliteit? En dan dat rare mannetje: Repelsteeltje. Elke avond danst en zingt hij in zijn huisje: “niemand, niemand, niemand weet, dat ik Repelsteeltje heet.” Deze loner zou vandaag de dag heel wat bagger over zich heen krijgen via de socials. Oudste zus doet Repelsteeltje al dansend en zingend na en een groepje kinderen kijkt haar angstig aan.

Door naar het kabouterstadje dan maar, waar het kaboutervrouwtje nog altijd zingend de was doet en de kaboutermannen in het plaatselijke verzorgingshuis zitten te nixen. Ook al niet meer van deze tijd. Het verhaal van Klein Duimpje dan? Veel te luguber: ouders die tot 3 keer toe hun kinderen helemaal alleen achterlaten in het grote, donkere bos. De toeslagenaffaire is er niets bij. Of wat denk je van Hans en Grietje die door de heks als een heuse feeder vetgemest worden? Ik ben bang dat er nog veel meer feeders in de echte wereld zijn, want wat waggelen er veel dikke mensen door het park; om bang van te worden.

We lopen door naar de Vliegende Fakir waar broer zich nog altijd afvraagt ‘hoe die gozer dat toch flikt: vliegen en met een valse fluit de tulpen omhoog blazen. Als ik mijn afval in de gulzige mond van holle, bolle Gijs laat verdwijnen, realiseer ik me direct hoe fout deze handeling is. Maar ondanks al deze bezwarende omstandigheden blijft het Sprookjesbos betoverend mooi. De wereld is hier zo overzichtelijk. Iedereen kent zijn rol. Lange Jan houdt de wacht, de elfjes dansen, de trollen pesten en zaaien tweedracht, de heksen zijn boosaardig, het volkje van Laaf is een achterlijke cultuur en de Toverboom en de Trollenkoning vertederen.

Het is 18.30 uur: we gaan nog één keer racen in de slingerende, voortrazende karretjes van Joris en zijn draak en dan naar huis om op de bank alle vier als een blok in slaap te vallen. ’s Nachts beleef ik het hele avontuur nóg een keer in mijn dromen.

Twee keer de Efteling voor de prijs van één. Als een kind zo blij.

Uitgelicht

Verdronken

Er is een man verdronken in de Rijn. Precies bij het strandje dat ik met regelmaat passeer als ik weer eens door de uiterwaarden struin. De man kon eigenlijk helemaal niet zwemmen, maar tóch was hij het water ingegaan. Andere badgasten hadden gezien hoe hij langzaam steeds verder het water in liep. Tot zijn knieën, zijn middel, zijn borst. En allemaal zagen ze hoe hij tenslotte kopje-onder ging en niet meer bovenkwam.

Raar toch? Wie doet dat nou? Omstanders hebben nog geprobeerd om hem terug te halen, maar hij was nergens meer te vinden. Later zijn er nog wel wat spullen aangespoeld: een schoen en een shirt, maar de man zelf is nooit gevonden. Verdronken en meegenomen door de Rijn.

Laatst ben ik op de fiets naar het Verdronken Land van Saeftinghe geweest. Ik stond in de buurt van dit Verdronken Land op een camping en iemand vertelde dat het een mooie fietstocht zou zijn. Eerst wilde ik niet gaan, want wie maakt er nou een fietstocht naar een verdronken land? Ik ga toch ook geen fietstocht maken naar het strandje van de verdronken man. Maar de mevrouw op de camping bleef maar zeggen hoe mooi het Verdronken Land van Saeftinghe in Zuid-Beveland is. Dus ben ik uiteindelijk toch maar gegaan.

Eerst fietste ik vanuit Kalmthout naar de havens van Antwerpen en daarna zette ik koers richting Yerseke om kort daarna aan te komen bij het Verdronken Land. Bij een informatiebord ging ik op een bankje zitten om eens goed rond te kijken. Twee dames die aan de wandel waren, kwamen er even bij zitten. “Ik zie niks, alleen maar water”, liet een van hen zich ontvallen. En dat is precies wat het is. Hier op deze plek zijn in de loop van heel veel jaren maar liefst 250 dorpen langzaamaan kopje-onder gegaan. Om nooit meer terug te komen. Er zijn nog wel wat spullen gevonden: gebruiksvoorwerpen, munten en bekers, maar feitelijk zijn de dorpen spoorloos verdwenen. Logisch dat hier niets, maar dan ook niets te zien is. De bedrijvigheid van vroeger is ten onder gegaan in het water. En sindsdien is het hier stil, heel erg stil.

Net zo stil als bij het strandje aan de Rijn. Daar komt geen mens meer, want iedereen denkt aan de verdronken man. Op mijn bankje aan het water denk ik aan al die mensen, koeien en schapen die hier verdronken zijn en nooit meer teruggevonden werden. Watervogels hebben hun plaats ingenomen. De vogels van het Verdronken Land van Saeftinghe. Ga zeker een keer kijken. Je vindt er niets anders dan heel veel water.

Uitgelicht

Zo stil in mei!

Het is doodstil in het kleine zaaltje van het Mariapaviljoen in de Bosche binnenstad. Als de laatste klanken van het Taptoe-signaal wegsterven, buigt iedereen deemoedig het hoofd om stil te staan bij de vele slachtoffers van oorlog en geweld. “Nooit meer oorlog,” memoreer ik in gedachten, “en wat gebeurt er? Er is meer oorlog dan ooit tevoren. Mali, Jemen, Syrië, Afghanistan, Oekraïne…” De wereld huilt en tijdens die twee minuten van intense stilte huil ik zachtjes mee.

Vanavond ben ik op een bijzondere plek om naar aangrijpende vertellingen te luisteren. Verhalen over de oorlog. Een oorlog waarin ontelbare mensen alles verliezen: hun huis, hun baan, elkaar, hun waardigheid, hun geloof en vertrouwen. ‘Nooit meer oorlog‘ wordt het mantra na de bevrijding. Maar de gevechten blijven: alsof de mensheid niet zonder oorlogen kan. Iedere keer weer blijken machtswellust en miskenning de perfecte voedingsbodem te zijn, om sluimerende conflicten op te doen laaien.

Als ook ná de twee minuten de stilte nog zwaar in de ruimte hangt, zet de eerste verteller het verhaal in van de oude Günther die op zijn sterfbed nog altijd worstelt met de fouten die hij indertijd als jonge sergeant in het Duitse leger heeft gemaakt. “Had ik maar anders gekozen. Had ik maar anders gedaan! Had ik maar…!”

Terwijl ik ingespannen luister om geen woord van het indrukwekkende verhaal te missen, zwelt in het naastgelegen zaaltje een kabaal aan. Er wordt vrolijk gezongen, geroepen, getoost en gelachen. Iemand is 60 jaar geworden en de vriendenschaar verrast haar met een supriseparty. Het lawaai staat haaks op de stilte die nodig is voor onze vertelavond. “Laten we gewoon even wachten”, oppert iemand. “Zo meteen krijgen ze het veel te warm en gaan ze wel naar buiten. Dan kunnen wij door met onze verhalen.” “Waarom gaan wij niet naar buiten?”, stel ik als wedervraag. “Dan zoeken we ergens een plek onder een boom om de vertellingen voort te zetten.” En dat doen we.

Voorzien van oude dekens en kussens zet de groep zich in beweging om een plekje te zoeken onder de grote boom op het plein. Van onder een dekentje luister ik verder naar het verhaal van ‘De poppenspeler van Warschau’ naar het boek van Eva Weaver. Het verhaal van het 14-jarig, Joods jongetje Mika wiens grootvader op straat wordt doodgeschoten door de Duitsers. Mika krijgt zijn overjas en vindt in de voering een paar handpoppen. Zo wordt Mika poppenspeler. Hij vermaakt de kinderen in het getto van Warschau en geeft hen hoop. Een Duitse officier dwingt hem om ook voor de Duitse troepen op te treden.

De rumoerige omliggende straatjes, de schaarse verlichting op het plein en de oprukkende avondkou geven het verhaal een nog diepere dimensie. Ik voel het verdriet en de eenzaamheid van Mika die alles kwijt raakt. Maar ik word ook geraakt door de fantasie en het doorzettingsvermogen van de kleine jongen die zijn lievelingspop de Prins steeds weer een oplossing laat vinden voor de meest ondraaglijke situaties. En zo overleeft hij de verschrikkingen van de oorlog.

Ik luister naar het verhaal. Het is stil, muisstil. Geen twee minuten, maar meer dan 60 minuten. En als de verteller na de slotzin langzaam buigt, branden de tranen in mijn ogen. Want wat nooit, nooit meer had mogen gebeuren, gebeurt nog altijd. Elke dag.

Het is zo stil in mij, Ik heb nergens woorden voor
Het is zo stil in mij en de wereld draait maar door

Zo stil in mij
Dik Hout


Uitgelicht

Rooie Truus

Het kost wat overredingskracht, maar uiteindelijk lukt het de vriend. Op de laatste dag van ons weekje Vlieland doen we toch nog mee met de excursie ‘Het verborgen bos’. “De gids wacht jullie op bij de vuurtoren”, zegt de mevrouw van de VVV. “Ze is te herkennen aan een groen jasje en vuurrood haar. Net als de vuurtoren zelf.” En ze lacht alvast maar zelf om de flauwe grap die ze natuurlijk al honderdduizend keer heeft gemaakt.

Zowel Truus als de vuurtoren zijn inderdaad niet te missen; al wordt het hoogtijd dat Truus haar uitgroei weer eens in de rode verf zet, wil ze haar bijnaam eer aan blijven doen. We gaan op pad: het verborgen bos in waarbij Truus ons weggetjes belooft die de ‘normale eilandtoerist’ nooit zal kunnen vinden. Dat lijkt mij sterk, want Vlieland is een piepklein eiland met weinig bos waar je in ‘een poep en een zucht’ doorheen bent. Sterker nog: eerder deze week hebben we op een lange wandeling zowat elk bospaadje van het eiland verkend.

Maar goed, Truus belooft ons veel moois. “Ruik je het bos?”, vraagt ze vol verwachting naar ons kijkend. En ja, de dennenbomen ruiken heerlijk op deze vroege ochtend. En ook de vogels jubelen dat het een lieve lust is. “Van vogels weet ik niets”, helpt Truus mij meteen uit mijn droom. “Ik kan nog geen koolmees van een vink onderscheiden”, voegt ze er geheel overbodig aan toe. En ik maar denken dat ik op deze excursie nog wat onbekende vogels ga spotten. Nee hoor, niet zo lang Truus de gids is.

“Er staat hier heel veel mos”, merkt Truus op en ondertussen maakt zij een weids gebaar. Blij spits ik mijn oren, want als ik vandaag het nodige over mossen te weten kom, maakt dat alles weer goed. “Maar ook van mossen heb ik totaal geen verstand”, verzucht Truus. En bijna krijg ik medelijden met haar, ware het niet dat deze vrouw me zwaar begint te irriteren. Zéker als we na 20 minuten slenteren en het aanhoren van saaie verhalen over wat bomen en struiken de vraag krijgen ‘of we koffie of thee willen?’. “Want ja… ik heb de rugzak niet voor niets meegenomen.” Alsof je een excursie doet om thee te gaan drinken!!! Nou ja! Het moet niet gekker worden.

“Ik heb rooibos en kamille”, biedt Truus mij aan als ik na enig aandringen van haar kant toch maar voor een kop thee kies. En terwijl de vogels om ons heen het hoogste lied zingen en de mooiste mossen staan te pronken in het zonlicht, geeft Truus haar mening over van alles en nog wat. Want van vogels en mossen weet ze niets, maar van de toestand in de wereld des te meer. “Ik snap alles wat er gebeurt hoor, ” beweert Truus met de nodige stelligheid, “maar als de hoge heren in Den Haag nou eens beter nadachten dan zou het allemaal heel anders gaan in de Nederland en zeker ook op Vlieland.”

Was ik maar nooit, nooit! meegegaan met rooie Truus.

‘ Rooie Truus‘  is het tweede verhaal uit de serie ‘ Verhalen op Vlieland 2022‘. Lees ook deel 1 uit deze serie: ‘Hhhhoempp’.

Lees ook de serie van vijf verhalen over Schier: ‘Nelson Mandela’, ‘Paal 16′, ‘Yoga aan zee‘, ‘Donker‘ en ‘Puttertje‘.

Uitgelicht

Hhhhhoemppp!

“Wat was dat nou voor een geluid?”, fluistert de vriend en meteen staat hij doodstil. Ook ik verzet geen stap meer en luister met ingehouden adem. ‘Hhhhhoempp, hhhhoempp, hhhhoempp’, klinkt het naast ons in het riet. Ik zie niets bewegen, maar dit diep bassende geluid is onmiskenbaar de roep van een roerdomp. Een uiterst schuwe vogel die je maar zelden ziet, maar die wij – hier op onze wandeling door de Vlielandse duinen – wel mooi te horen krijgen.

“Mijn dag kan niet meer stuk”, roept de vriend met een tevreden grijns op zijn gezicht. “Ik had niet durven dromen dat ik deze rare snuiter ooit nog eens zou tegenkomen. En nu zit hij hier vlak naast ons.” Nog lang blijven we in het riet turen, maar de roerdomp komt niet tevoorschijn. Vandaag blijft het bij het scoren van zijn rare roep: “hhhhoempp, hhhhoempp, hhhhoempp”. Geweldig!

Als we verder wandelen zien we grauwe ganzen met een hele trits kleintjes achter zich aan. Zo kleurloos als de ouders zijn, zo mooi groen en donzig zijn de kuikens. En als we óók nog de kluut, de wulp, de tureluur, de lepelaar, de wintertaling en de pijlstaart ontdekken maken we een vreugdedansje. De groenling speelt duidelijk een spelletje met ons. Overal is zijn raspende roep te horen, maar het duurt tergend lang voor de groene schoonheid zich laat zien.

Op het strand maak ik foto’s van mijn favoriete vogeltje: het drieteenstrandlopertje dat onophoudelijk heen en weer loopt langs de waterlijn. Op een strekdam ontwaar ik tussen een groep rustende vogels een steenlopertje; ook al zo’n mooi beestje. Bijna niet van de basaltstenen te onderscheiden zo goed is hij gecamoufleerd. Hetzelfde geldt voor de tientallen kneutjes die je wel ziet vliegen, maar nauwelijks kunt spotten als ze eenmaal in een boom zitten. Ik zou nog veel meer vogels aan kunnen halen, want op een dag als vandaag zet ik zo’n 40 verschillende vogels op het lijstje. Het is april: misschien wel de beste tijd om als vogelliefhebber Vlieland aan te doen.

Als ik na het avondeten terugloop naar mijn hotelletje hoor ik hoog in de boom een merel uitbundig zingen. Ik blijf staan om te luisteren. “Zie je wat moois?”, vraagt een man mij in het voorbijgaan. “Een merel,” zeg ik, “zo alledaags als wat, maar zijn lied blijft ontroeren. En terwijl de merel vrolijk kwinkeleert, denk ik tevreden terug aan al het moois dat ik vandaag gezien en gehoord heb.

Gezien:
* aalscholver * bergeend * blauwe reiger * brandgans * bruine kiekendief * buizerd * Canadese gans
* drieteenstrandloper * eidereend * fazant * fitis * graspieper * grauwe gans * groenling * huismus
* kanoet * kauw * kievit * kluut * kneu * kokmeeuw * koolmees * kraai * kwikstaartjes * lepelaar
* nijlgans * mantelmeeuw * meerkoet * merel * pijlstaart * roerdomp * roodborsttapuit
* scholekster * steenloper * tjiftjaf * tureluur * vink * wilde eend * wintertaling * wulp * zilvermeeuw

‘ Hhhhoempp‘  is het eerste verhaal uit de serie ‘ Verhalen op Vlieland 2022‘.

Lees ook de serie van vijf verhalen over Schier: ‘Nelson Mandela’, ‘Paal 16′, ‘Yoga aan zee‘, ‘Donker‘ en ‘Puttertje‘.

Uitgelicht

Healthy socks

“Alstublieft”, zegt de Nationale Postcodeloterij tegen de vriend. “Hier hebt u uw duurzame sokken. Deze heerlijk zachte sokken zijn grotendeels gemaakt van visnetten die in de zee zijn achtergelaten.” En dat dát er een hoop zijn, bleek laatst maar weer eens toen ik een documentaire zat te kijken over de alsmaar groeiende ‘soep’ in onze zeeën en oceanen. Plastic ‘drerrie’ die het leven van vissen, dolfijnen, schildpadden en ander wonderbaarlijk zeeleven ernstig in gevaar brengt.

Maar nu zijn daar de ‘healthy socks’ gemaakt van oude visnetten die zijn opgedoken door milieubewuste jongens en meiden van de Stichting Healthy Seas. Van de oude netten wordt opnieuw nylondraad gemaakt waarna het gecombineerd wordt met biologische katoen. Natuurlijk geen gewone katoen! Heb je wel eens gezien hoe katoen gewonnen en bewerkt wordt? Mijn hemel! Heel veel mannen, vrouwen en kinderen in arme landen moeten hun brood verdienen in de textielindustrie. Maar deze industrie is zó vervuilend dat je eigenlijk niet met goed fatsoen in een broek of shirt van katoen kunt lopen. En natuurlijk al helemaal niet als je kledingstuk te koop werd aangeboden in een van die goedkope winkels waarvan ik de namen niet zal noemen. Daar wil je toch niet in gezien worden als je het voortbestaan van onze planeet nog een beetje respecteert!

Wat was ik dan ook blij toen ik laatst een hele mooie tuniek vond volledig gemaakt van gerecycled materiaal. Ook hierin waren grotendeels plastics verwerkt in de hoop de alsmaar groeiende afvalberg te verkleinen. Wist je dat je tegenwoordig hele leuke tassen kunt kopen, gemaakt van afgedankte spullen? En dat heel veel gebruiksartikelen ook in bamboe zijn te verkrijgen? Biologische wijnen doen al lang niet meer onder voor de reguliere wijnen. En plantaardige, ecovriendelijke schoonmaakspullen blijken je huis perfect schoon te kunnen houden. En chocolade en koffie? Die haal ik alleen nog maar bij eerlijke producenten. Want ‘eerlijkheid duurt het langst’ riep mijn moeder al toen wij nog klein waren.

Dus nu loopt de vriend op ‘eerlijke’ sokken. Sokken die de zee weer een beetje schoner maken en hem voorzien van een goed verhaal. Mooi toch? Doe je mee met het verkleinen van je footprint? De vissen en dolfijnen zullen je dankbaar zijn.

Uitgelicht

Horen is scoren!

We maken altijd duidelijke afspraken vooraf, de vriend en ik: gaan we wandelen óf vogels spotten? Twee activiteiten die wat mij betreft écht niet samengaan. Wandelen betekent flink de pas er in houden, kilometers maken door mooie natuur om dan moe en voldaan na een paar uur weer thuis te komen. Maar als de verrekijker mee gaat, weet ik al dat we bij elk geluidje of gefladder stilstaan. Dat we minutenlang zullen turen in de hoop dat de vogel zich zal laten zien. En als een van ons tweeën dan iets ontwaart in de toppen van de bomen, het struikgewas of het weiland dan gaat de kijker aan de ogen in de hoop dat het mooie vogeltje zich nader laat bekijken. Nee, vogels spotten is beslist het tegenovergestelde van wandelen. Dan moet je niet op willen schieten, dan blijf je juist stilstaan: om de haverklap. Dus vandaar die heldere afspraak vooraf: gaan we wandelen of vogels spotten?

Vandaag kiezen we voor wandelen. Het wordt een mooie tocht van ruim 18 km over het Duitse lijntje. We moeten flink doorstappen; zeker omdat we pas na tweeën vertrekken en er slecht weer is voorspeld in de namiddag. Maar na twee kilometer gaat het al mis. Terwijl we in ferme tred over de paden gaan, laat opeens de groene specht zijn karakteristieke lach horen.

“Horen is scoren”, merkt de vriend genoegzaam op. Onder echte vogelaars wordt deze spelregel behoorlijk serieus genomen. Eerlijk gezegd vind ik het maar een rare regel; je kunt met gemak vals spelen door gewoon te zeggen dát jij iets hoort; niemand die om nader bewijs vraagt.

Nog zo’n spelregel waar echte vogelaars zich graag aan houden, is het aanleggen van lijstjes met een uiterst nauwkeurige omschrijving van welke vogel, waar en wanneer is gezien. Op zo’n lijstje prijken ook altijd de nodige ‘wensvogels’. Vogels waarvan je droomt om ze een keer te spotten. Nou… lijstjes heb ik niet zo veel, maar ‘wensvogels’ des te meer. Er zijn nog altijd te veel vogels die ik (nog) niet zie of (nog) niet herken.

Maar wat zit ik hier nou te raaskallen over de regels van het vogelspotten? Ik kan mij beter druk maken over onze eigen spelregels. Want gelijktijdig met de opmerking ‘dat we hier de lach van de groene specht horen’, zie ik een verrekijker uit de rugzak komen die rap aan de ogen wordt gezet. Niks 18 km tempo maken. Het wordt een wandeling van stilstaan en wachten. Wachten, wachten, wachten.

Een paar boze woorden later geef ik me maar over aan hetgeen onafwendbaar lijkt. Het wordt vandaag een latertje en we zullen het zonder twijfel koud krijgen. Maar als we net voor het donker thuiskomen, moe en voldaan, hebben we als echte vogelaars een aardig lijstje op weten te stellen. Want horen is scoren, maar zien is nog altijd een tien!

ZienHoren
spreeuwgroene specht
vinkkoekoek
huismusgrote bonte specht
staartmeesgroenling
koolmeeshaan (na 6.00 uur)
boomkleverpauw
buizerd
tjiftjaf
ekster
merel
kraai
kievit
gaai
Uitgelicht

Winterkoning

Hij zit al een hele tijd in mijn tuin te scharrelen. Trippelend door het dikke bladerdek dat nog altijd op het pad ligt. Turend in elk kiertje en gaatje, op zoek naar zaden, wormen en insecten. Je ziet hem nauwelijks tussen het dorre blad. Zijn vaalbruine kleur vormt de perfecte camouflage. Een piepklein bolletje met een olijk opstaand staartje. Zijn grootse naam past totaal niet bij zijn verschijning. Over wie ik het heb? Over de winterkoning natuurlijk.

Van kop tot staart meet de winterkoning amper tien centimeter En op de weegschaal komt hij niet verder dan het gewicht van twee suikerklontjes. Ook zijn verschijning is niet echt koninklijk als je hem vergelijkt met ander grootheden onder de vogels zoals de zeearend, de havik of de pauw. En koning van de Winter? Echt niet; de kleine rakker kan helemaal niet tegen kou. Strenge winters zorgen er voor dat zijn soortgenoten massaal het loodje leggen. Met slechts negen gram gewicht kun je natuurlijk ook nauwelijks vet onder de veren hebben. Hoe komt dit onopvallende vogeltje dan toch in hemelsnaam aan zo’n grootse naam? Ik zal het je vertellen.

Op een dag – lang gelden – kwamen alle vogels bij elkaar op een open plek in het bos. Net als de andere dieren wilden ook zij een echte koning: een koning van de vogels. Maar hoe kies je een koning uit je midden? Moest hij de grootste zijn? De sterkste, de snelste, de mooiste? Na intensief overleg kwamen alle vogels tot de conclusie dat degene die het hoogste kon vliegen de koning van de vogels zou moeten zijn. En zo geschiedde.

Er werd een jury gevormd bestaande uit laagvliegers zoals de korhoen, de kwartel en de meerkoet. En nadat de meerkoet met een schelle kreet het startsein had gegeven, vlogen alle vogels pijlsnel de lucht in, hoger, hoger, alsmaar hoger. Maar daar kwamen de eerste al weer naar beneden en rap volgden er meer. Pffff…het ging hen veel te hoog; dat was niet vol te houden.

Toen alle vogels afgevallen waren en alleen nog de adelaar hoog in de lucht zelfverzekerd zijn cirkels draaide, leek de strijd beslecht te zijn. De adelaar keek eens goed om zich heen en maakte nog een ererondje. En juist op het moment dat hij besloot om met een duikvlucht naar beneden te gaan om zijn overwinning op te eisen, ontsnapte een klein, bruin vogeltje uit zijn verendek. Al die tijd had het kleintje zich schuil gehouden, maar nu liet het luidruchtig van zich horen. Zo’n 10 meter boven de adelaar draaide hij rondjes en jubelde hij: “Kijk: ik vlieg het hoogste van allemaal. Ik ben de koning”. Alle vogels op de grond waren met stomheid geslagen. Wat flikte die kleine nou? Eenmaal op de grond beschimpten en bespuugden ze hem. Maar de adelaar moest hartelijk lachen om deze kleine doerak en hij sprak: “De wedstrijd is niet helemaal eerlijk gegaan, maar de moed en vindingrijkheid van dit vogeltje móeten beloond worden. Ik stel voor dat ik ’s zomers uw koning ben en dat dit vogeltje voortaan uw winterkoning is.” En zo gebeurde het.

Het kleine vogeltje was maar wat blij met deze eervolle benoeming. En om zijn blijdschap te tonen, laat hij – als een van de weinige zangvogels – ook in hartje winter luidruchtig van zich horen. Want tegen de kou kan hij niet, maar zingen kan hij als de beste. Je hoort zijn gejubel al van verre. Het gezegde ‘klein postuur, grote mond’ moet wel voor deze kleine schavuit bedacht zijn. Hou hem in de gaten; hij is een koning.

Deel 3 uit de serie: Kinderverhalen voor volwassenen
(Lees ook eerdere verhalen uit deze serie: ‘Het veulentje dat een panter wilde zijn‘ en ‘Het tegendraadse boompje’


Uitgelicht

Gevaar op ’t klein wc’tje

Kent u dat schaamtevolle gevoel? Dat je – uitgerekend als je op het werk bent – de niet te negeren noodzaak voelt om naar het toilet te gaan, omdat zich een grote boodschap aandient. Je wilt niet! Stel dat je stinkt! Je wilt écht niet! Maar er is geen houwen meer aan: JE MOET! En nu maar hopen dat er niemand voor de deur gaat staan te wachten, terwijl jij op het toilet zit. OMG… Je krijgt het op voorhand al benauwd.

Maar niet onze kleine psychiater op een van mijn vroegere werkplekken. Het heeft heel wat speurwerk gekost om de dader van de dagelijkse stankterreur op te sporen, maar het is gelukt. Het begon allemaal zo.

Samen met een collega werk ik op de vijfde etage van een groot kantoorgebouw. Naast onze tweepersoonsafdeling is op de verdieping ook een vleugel gereserveerd voor de directie, het secretariaat en de medische staf. Op deze drukbevolkte etage delen we met z’n allen één grote toiletgroep. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naar mannen en vrouwen: de toiletten zijn – heel modern – genderneutraal. Direct grenzend aan deze grote toiletruimte is er ook nog een ‘gezellig’ klein wc’tje.

Mijn collega heeft een zwakke blaas en moet met regelmaat de werkplek even verlaten. De eerste keer dat zij terugkomt met de opmerking: “Je bent gewaarschuwd: gevaar op het klein wc’tje”, zorgt voor een vrolijk moment. Maar in de daaropvolgende dagen vergaat ons al gauw het lachen en ontdekken we een patroon. Het ‘gevaar’ is altijd op het klein wc’tje en wordt een terugkerend ongenoegen elke ochtend kort na 9.00 uur. Nou ja, bijna elke ochtend; soms wordt er een dag overgeslagen. En soms twee tot drie weken; meestal in vakantietijd.

Als echte stankrechercheurs gaan we schema’s aanleggen. Wie is op welke dag aanwezig? Hoe laat en hoe lang? En nadat alle bewijsvoering uiteindelijk goed in kaart is gebracht, leidt het spoor onherroepelijk naar onze kleine psychiater (een mannetje van 1.60 meter) die elke morgen, direct na de koffie, linea recta doorgaat naar het klein wc’tje. Hebbes: de eigenaar van de dagelijkse stankoverlast is ontmaskerd.

Tot een veroordeling of een openbare terechtstelling is het nooit gekomen. Eigenlijk praten mijn oud-collega en ik tijdens onze jaarlijkse lunch nog altijd met enige ‘jaloezie’ over de man die ons zo schaamteloos dag in dag uit trakteerde op zijn onprettige geuren, terwijl ons het schaamrood al naar de kaken vliegt bij het gevoel van aandrang van een grote boodschap. Kent u dat schaamtevolle gevoel?

Dit verhaal is naar waarheid opgetekend in speelt zich af in een van mijn vroegere werksituaties.

Uitgelicht

Ruzie maken

Ik kan er vol bewondering naar kijken: mensen die boos worden, tegen elkaar tekeer gaan, het weer goed maken en gewoon verder gaan. ‘Ruziemaken’ is een vaardigheid die je moet leren. Dan is het maar wat fijn als je daar al op jonge leeftijd mee kunt beginnen. En nog fijner is het als je een beetje hulp krijgt bij het leerproces.

Nou heb ik zelf als kind niet geleerd om op een verantwoorde manier ruzie te maken. Inmiddels kan ik het wel een beetje hoor, maar écht handig ben ik er nooit in geworden. Mijn moeder was namelijk een groot voorstander van ‘de lieve vrede’.

Als wij, kinderen, eens een keer flink boos op elkaar waren – omdat de ander zat te vervelen, je spullen kapot had gemaakt of gewoon je hopeloos irritante broer of zus was – wilden wij nog wel eens schelden en een robbertje vechten. We kenden gewoon geen andere manier om de opgekropte gevoelens een uitweg te geven. Maar op zo’n moment greep mijn moeder resoluut in en zette zij ons op een stoel pal tegenover elkaar. Daar moest je dan blijven zitten en elkaar aankijken. En ondertussen nadenken over wat er fout was gegaan. Je mocht van de stoel opstaan en weer verder spelen nádat je elkaar een hand en een kus had gegeven en – elkaar diep in de ogen aankijkend – had gezegd ‘dat je het nooit meer zou doen’. (Wat natuurlijk één grote leugen was!)

Het was zaak om niet te snel toe te geven. Wie als eerste opstond was de zwakkeling die bekende fout te zijn geweest. Dát kon natuurlijk niet. Maar je moest ook weer niet te lang blijven zitten, want als mijn vader van zijn werk thuiskwam… OMG… dan zwaaide er wat.

Onbedoeld werd mijn lieve vader daarmee een beetje de ‘boeman’. Natuurlijk had hij na een lange werkdag geen zin om eens lekker pedagogisch verantwoord met twee kijvende kinderen in gesprek te gaan. Als hij na zessen thuiskwam, wilde hij zo snel mogelijk aan de maaltijd beginnen. Dus deelde hij meestal – kort door de bocht – een ferme tik uit waarna hij ons naar boven stuurde.

Lange tijd heb ik geworsteld met het onvermogen om goed ruzie te maken; liever vermeed ik de confrontaties. Nog altijd vind ik onenigheid niet fijn, maar inmiddels ga ik conflicten niet meer uit de weg. Ook als volwassene kun je alsnog leren wat je als kind niet gegeven is.

“Ging de hele wereld maar om met conflicten zoals jouw moeder dat deed“, zei een goede vriend laatst. “Dan zou ons een hoop leed bespaard blijven.“ Verbaasd keek ik hem aan. Maar toen ik even over zijn woorden nadacht, besefte ik wat hij bedoelde.

Want stel nou eens dat er wereldwijd een wet zou zijn die het oproerkraaiers en tirannen verbiedt om nog langer te schelden en te vechten. En dat je de kemphanen tegenover elkaar op een stoel zou mogen zetten van waaruit ze elkaar aan zouden moeten kijken en goed na zouden moeten denken over wat er fout was gegaan. Dat je ze de opdracht kon geven om het goed te maken met een hand en een kus én met de belofte het nooit meer te zullen doen.

Geen oorlogen en confrontaties meer; alleen nog maar ‘DE LIEVE VREDE’ zoals mijn moeder die indertijd ook al voor zich zag.

Uitgelicht

Koud

Ik neem je even mee terug naar half december vorig jaar. Het is een gure, koude dag. Zo’n dag waarop je helemaal niet buiten wilt zijn, zéker niet als het ook nog begint te regenen. Maar laat ik nou net déze dag uitgekozen hebben om op zoek te gaan naar de bestrating voor mijn nieuwe tuin. Ik ben inmiddels al op drie adressen geweest, maar wil nog heel even naar een bedrijfje dicht bij huis. Ik moet snel zijn, want het wordt al donker.

Op het buitenterrein ontdek ik een gigantisch assortiment aan stenen in zoveel maten en kleuren dat ik al gauw door de bomen het bos niet meer zie. Eens even bij dat grote gebouw kijken of ik nog iemand kan vinden om mij op dit late tijdstip te helpen. Als de deur automatisch openschuift, kijk ik in een grote, donkere loods. “Hallo, is daar iemand?” Geen respons. Ik loop wat verder de loods in; af en toe roepend. En dan hoor ik helemaal achterin geluid; ik ga er op af. En weer gaat er een deur automatisch open. Ik stap een klein kantoortje binnen waar het bloed- en bloedheet is. Een gedrongen man in een rolstoel kijkt mij afwachtend aan. Hij heeft een dikke, gewatteerde jas aan en zijn capuchon is strak aangetrokken.

Enigszins overdonderd door de aanblik van de man, begroet ik hem. “Ik ben op zoek naar bestrating voor mijn nieuwe tuin, ” laat ik hem weten. “Maar er ligt hier zo veel dat ik niet weet waar ik moet beginnen.” “Dan begin ik maar bij het begin”, zegt de man en hij stelt een paar vragen om mijn ideeën en smaak te ontdekken. Om mij vervolgens – met minuscule bewegingen van zijn rechterhand – razendsnel alles op internet voor te toveren. Binnen drie kwartier zijn we er grotendeels uit. Nadat hij een offerte heeft uitgeprint, bedank ik hem voor de hulp en duidelijke uitleg. “Je vindt de weg wel terug hè?”, besluit hij ons gesprek. Ik wil niet flauw doen, maar ik vraag mij af hoe ik ooit weer uit deze loods moet komen; het is inmiddels aardedonker. Gelukkig biedt de zaklamp op mijn telefoon uitkomst.

Maar op weg naar huis laat het beeld van de gehandicapte man in zijn kantoortje mij niet meer los. “Ik heb het ijskoud,” had hij gezegd. “Vandaar dat ik mijn jas aan heb en mijn capuchon heb opgezet.” Die man zat daar moederziel alleen en kon slechts met één hand zijn muis, telefoon en joystick van de rolstoel bedienen. Dat is toch onverantwoord; zo’n werkplek zo achteraf, zo alleen en zo in het donker? Die nacht slaap ik zo slecht dat ik besluit om de volgende dag met een smoesje nog even terug te gaan.

Ik loop over het terrein naar de ingang van de loods. De deur gaat weer automatisch open. Ik loop door de loods naar achteren; nu weet ik de weg. Ook de tweede deur glijdt vanzelf open. En daar zit hij weer: de man in de rolstoel. “Ik zag je al van verre aankomen hoor. Zo’n 20 camera’s houden hier voor mij alles in de gaten. “Ik wilde alleen maar even zeker weten dat het goed met u gaat”, zeg ik zachtjes. “Met mij gaat het prima”, laat de man weten. “Ik kan niet veel, maar ik red mij met weinig. En wat ik zelf niet kan, lost de technologie voor mij op; net zo makkelijk. Alleen die kou gisteren hè. Daar had ik even niet van terug. Die bracht mij zó uit mijn doen. Gelukkig is het vandaag weer helemaal anders. Kopje koffie dan maar, nu je hier toch bent?”

Na een half uurtje neem ik weer afscheid. “Je weet de weg wel terug hè?”, besluit hij wederom ons gesprek. Eenmaal buiten haal ik opgelucht adem. Het is koud, maar lang niet meer zo koud als gisteren.

Uitgelicht

Pantoffelhelden

Het zou een superrustige, misschien zelfs wel saaie, wandeltweedaagse worden. Gewoon urenlang over de paden struinen, foeragerende watervogels kijken en misschien zelfs een bever aan het werk zien. Want naar het eiland Tiengemeten – gelegen in het Haringvliet – ga je beslist niet als je van actie en avontuur houdt. Dit piepkleine eilandje zoek je op als je even geen mens tegen wilt komen en volledig op wilt gaan in een immense stilte. Zou toch moeten lukken in het laagseizoen en met slechts negen eilandbewoners!

Toch pakt mijn bezoek aan het eiland volledig anders uit. Want juist voor de dagen dat ik samen met de vriend een minivakantie op Tiengemeten wil houden, voorspelt het KNMI wind, héél véél wind. En met de zware storm Eunice in aantocht, zal het verre van stil zijn en is geen vogel zo gek om zich te laten zien. Nou ja een paar wilde eenden en de onverschrokken brandganzen daargelaten; die blaas je nergens mee omver. Alle dieren die zich op het eiland voordoen hebben zich in de afgelopen uren flink volgevreten en zitten inmiddels diep weggedoken in een veilige schuilplaats.

De mevrouw van de enige herberg op het eiland belt ons op; net als we bij de vertrekplaats van het pontje aankomen. Zij heeft zojuist een ‘voorwaarschuwing’ gekregen dat ‘geen veerman vanaf het middaguur het nog aandurft om uit te varen’. Dus het kan zijn dat we vast komen te zitten op het toch al uitgestorven eiland Tiengemeten. “Het is maar dat jullie het weten.“

Maar gek genoeg doet juist dit bericht ons besluiten om met het laatste pontje van die dag ‘het Vuile gat’ over te steken. Want ja… rust is voor het eiland Tiengemeten meer dan gesneden koek, maar nú zou het wel eens spannend kunnen worden. En dát wil je toch niet missen? Ik word bevangen door een prettig gevoel van opwinding.

En dus ploeteren we ons – eenmaal aangekomen op het eiland – de rest van de dag door zompige, modderige paden. Worden de voeten nat, de handen koud en blaast de wind ons zowat van de dijk af. Soms moeten we halverwege omkeren, omdat een pad door het opstuwend water met geen mogelijkheid begaanbaar is. Dan zoeken we een andere doorsteek om uiteindelijk na 5,5 uur moe, hongerig en koud bij de herberg aan te komen.

En wat doe je dan? Dan doe je je vieze kleren uit, kom je weer op temperatuur onder een warme douche, trek je wat schoons aan om tenslotte met je sloffen aan (die zijn wel heel erg met voorbedachte rade meegenomen) onder een dekentje weg te kruipen bij de open haard. “Over een uurtje serveer ik de maaltijd“, zegt de mevrouw van de herberg. En pantoffelhelden als we zijn, kijken we haar dankbaar aan. Wat nou spannende acties? Net als de dieren blijven ook wij voorlopig gewoon zitten waar we zitten. Het is hier lekker warm en zo heerlijk stil. En het avontuur? Dat komt wel een andere keer.

Verlang je ook zo naar de stilte? Bezoek dan zeker een keer het eiland Tiengemeten en doe de groeten aan die aardige mevrouw van de herberg.

Eerdere verhalen met het thema ‘wind’ vind je bij Tegenwind, Windvanger en Windwandeling.

Uitgelicht

Stapelboterhammen

Ooit was hij een goed opgeleide man met een behoorlijk hoge functie. Hij ontwierp moeilijke dingen die vaak het begin waren van nieuwe technologieën. Maar nu… nu is hij een man op leeftijd in de laatste fase van een genadeloze dementie. Een man voor wie alle normale, dagelijkse handelingen zijn verworden tot onuitvoerbare hindernissen. Taal bestaat niet meer en begrip al evenmin.

Stil kijkt meneer Rahoul de hele dag voor zich uit, niet wetend wat hij ziet, hoort, voelt of ruikt. Als hij een lekker bordje eten krijgt, kan hij niet beginnen; hij heeft geen flauw benul van wat hij moet doen met hetgeen voor hem staat. Als een verzorger deze kwetsbare man kleine hapjes eten aanreikt, kijkt hij verbaasd naar de lepel voor zijn mond.

Op een avond zit ik naast hem tijdens de maaltijd. Ik smeer een boterham en vraag wat ik er op moet doen, wetend dat ik het antwoord niet zal krijgen. Ik beleg de boterham met kaas. Dochter Marja vertelde vorige week nog dat haar vader kaas altijd erg lekker vond. Ik snijd het brood in kleine blokjes en leg enkele stukjes op zijn bord in de hoop dat hij ze zelf oppakt. Maar er gebeurt niets. Niets anders dan dat meneer Rahoul mij verwachtingsvol aankijkt. Intuïtief leg ik nóg een paar blokjes brood op zijn bord. En dan pakt deze lieve man drie blokjes in zijn hand; niet om ze op te eten maar om er mee te gaan bouwen. Langzaam en met veel gevoel voor precisie worden de broodblokjes gestapeld. Ik smeer snel nog een paar boterhammen om de voorraad aan te vullen en leg de blokjes één voor één op zijn bord. Het bouwen gaat door. En terwijl medebewoners al lang aan de koffie zitten, kijk ik vol spanning toe hoe dit verder gaat.

Als uiteindelijk, tergend langzaam, vier boterhammen zijn gestapeld kijkt meneer Rahoul mij genoegzaam aan… en dan begint hij te eten. Blokje voor blokje wordt alles tot het laatste stukje opgegeten. Ik ben met stomheid geslagen, maar geniet van dit prachtige schouwspel. Door eerst weer ‘aan het werk te gaan’ in zijn oude rol als techneut lukt het deze man uiteindelijk om weer zoiets ‘gewoons’ te doen als een boterham eten.

Na deze avond hebben we nog heel vaak samen boterhammen gestapeld. En met succes; de torens werden steeds hoger en het eten ging steeds beter.

Deze situatie is naar waarheid opgetekend en speelt zich af in zorgcentrum voor mensen met dementie waar ik op dat moment leidinggevende ben.

Lees ook de andere verhalen uit de serie ‘De dingen die voorbij gaan‘:
Hangplek voor ouderenEen goed verhaalAlles onder controle
Stroopwafel KledingadviezenEngelengeduld

Uitgelicht

Tagliatelle met paddenstoelenmix

De laatste tijd heb ik niet veel recepten meer met je gedeeld. Dat wil niet zeggen dat er niets lekkers was om te delen. Bijna elke dag geniet ik van een kleurrijke, gezonde en gevarieerde maaltijd met steeds minder vlees. Gewoon omdat ik iedere keer weer alternatieven ontdek die de moeite waard zijn. Vorige week had ik ook weer zo’n heerlijk maaltje. Ongelooflijk simpel, maar oooo zo lekker. Het recept zal ik hier even met je delen, maar het leuke aan dit maaltje is dat je het gewoon aanvult met ingrediënten die je in huis hebt. Dus maak vooral je eigen variatie op het onderstaande basisrecept.

Ingrediënten voor 2 personen:

  • Tagliatelle
  • 200 gram babyspinazie
  • bakje gemengde paddenstoelen en 200 gram kastanjechampignons
  • paar zongedroogde tomaatjes en verse gember of gember uit een potje
  • knoflook, theelepeltje koriander, (verse) tijm en (verse) peterselie
  • klein bakje crème fraîche
  • pijnboompitten
  • stukke harde parmezaanse kaas
  • truffelolie en natuurlijk peper en zout

Kook de tagliatelle volgens het recept op de verpakking. Scheur de paddenstoelen en snijd de kastanjechampignons in schijfjes. Snijd de zongedroogde tomaatjes in kleinere stukjes. Snijd de knoflook.

Verhit wat olie in de pan. Bak de knoflook en vervolgens de paddenstoelen en champignons. Voeg de kruiden naar smaak toe. Voeg de zongedroogde tomaatjes en de gember toe. Roer de crème fraîche door het geheel. Voeg als laatste de bladspinazie toe en laat deze enigszins slinken.

Rooster de pijnboompitten in een hete pan zonder vet of olie

Schep de tagliatelle op het bord. Drapeer de garnering er mooi overheen en maak af met geraspte kaas en pijnboompitjes.

En natuurlijk drink je hier een goed glas Italiaanse wijn bij.

Geniet ervan!

Wil je ook een ander recept met paddenstoelen uitproberen? Bekijk dan het recept van het broodje Shoarma-ha-ha.

Uitgelicht

Wondere wereld

Het is heel gek, maar sinds enige tijd ben ik meer op de grond te vinden dan dat ik mij rechtop voortbeweeg. Het gebeurde zomaar; van de ene op de andere dag: op het moment dat ik van de vriend een loepje kreeg. “Kun je eindelijk eens als een echte onderzoeker de wondere wereld van de mossen góed verkennen“, zei hij er nog bij.

Nou… ik denk dat de vriend met dit alleraardigst – en ogenschijnlijk volkomen onschuldige – cadeautje beslist niet weet wat hij over zich afgeroepen heeft. Want sinds ik het loepje in mijn bezit heb, ben ik nergens meer voor te porren. Wat nou werken, sporten, huishouden, eten koken? Geen tijd voor: ik moet op zoek naar al die mysterieuze mossen en aanverwant klein grut. Er is een compleet nieuwe wereld voor mij open gegaan.

Ik ben altijd al een mossenfreak geweest, maar ik heb nooit geweten dat deze plantjes zó gedetailleerd in elkaar zitten. Alsof ik via het loepje in een ouderwetse kijkdoos kijk waarin al die piepkleine mini-plantjes zich van hun beste kant willen laten zien. Zó mooi die tere blaadjes, bloempjes, gemmen, haren en sporendoosjes.

Maar ook spinnetjes en torretjes zijn de moeite waard om eens heel precies via mijn loepje bestudeerd te worden. Wat kun je een hoop aan zo’n minuscuul beestje ontdekken! Gisteren zag ik tussen het mos een spinnetje – dat ik met het blote oog niet kon zien – in een vernuftig geweven webje zitten. Om zijn lijfje 8 bolletjes waarvan ik nog steeds niet weet wat het zijn. Dus als iemand het mij kan vertellen…

Ondertussen heb ik ook al de verborgen binnenkantjes van menig schermbloem bekeken. Zo indrukwekkend om te zien dat al die kleine bloemetjes ook weer alle onderdelen van een grotere bloem bevatten. Ik ontdek nu: hoe kleiner, hoe fijner.

Wij vragen ons wel eens af of er in het grote heelal wellicht nog buitenaards leven zal zijn. Nou… ik weet inmiddels dat er in de aardbodem nog een hele binnenaardse wereld verstopt zit. Een wereld die je écht eens moet bekijken. Doe mij gewoon na: pak een loepje en ga met je snuffert op de grond liggen. Ik zweer het je: je bent verkocht!

Sinds kort mag ik een keer per maand met de mossenwerkgroep van de KNNV afdeling Wageningen op excursie. En nu kijk ik niet alleen naar al die prachtige mossen, maar leer ik er ook van alles over.

Uitgelicht

Wittebroodsweken

Bijna 6 weken geleden trouwde ik met mijn lief. Wat een grootse dag had moeten worden, veranderde in een piepklein eventje. Het uitbundige feest werd ingeruild voor een diner. Het diner wisselde weer om naar een lunch en toen ook deze uiteindelijk afgezegd moest worden, was er weinig feestelijks meer aan. Vlak voor kerst ging Nederland opnieuw in een lockdown en zou dat wekenlang blijven.

Ook de visagiste en nagelstyliste mochten hun werk niet meer doen; dat was jammer. Maar toen de kapper mij belde met de mededeling dat ik toch echt zélf mijn haren in een acceptabel modelletje moest zien te krijgen, zakte de moed mij in de elegante schoenen. Ik had op die 28ste december zo graag de mooiste bruid willen zijn. Weliswaar niet meer in het wit, maar wel lekker uitgedost en opgesmukt zoals het een echte bruid betaamt. Het ging allemaal niet door. De trouwdag werd een koude, regenachtige dag met slechts een ceremonieel moment van 45 minuten onder het toeziend oog van de trouwambtenaar. En daar moest ik het mee doen.

Maar wat blijkt…? Als zo’n belangrijke dag van alle poespas wordt ontdaan, toont zich onverwachts het échte moois in al haar glorie. Want wat hing er een vrolijke sfeer rondom de ceremonie en wat was de muziek goed gekozen. Wat waren de tien gasten blij en mooi en de voordrachten ontroerend, eerlijk, plagerig en vooral teer. Wat waren de woorden die mijn lief en ik tegen elkaar uitspraken vol liefde, dankbaarheid en eerlijke beloftes. En wat klonk het ja-woord helder en werden de handtekeningen gretig gezet. Het zijn indrukwekkende herinneringen die overblijven na deze dag. En gelukkig ook een prachtig fotoboek; in de korte tijd schoot de fotograaf zo’n 400 foto’s.

De Wittebroodsweken zijn bijna voorbij. Zes weken na onze trouwdag gaan we alsnog genieten van het diner dat op de dag zelf niet door kon gaan. En elke 28ste van de maand vieren we voortaan met een gezellig etentje en een goed glas wijn dat we op een wel héél memorabele dag met elkaar getrouwd zijn. Omdat je niet vaak genoeg kunt zeggen hoe mooi en bijzonder dat was.

Op naar een lang en gelukkig leven!

Uitgelicht

Stinkende best

Daar stonden ze dan: de 20 nieuwe ministers van Rutte IV. Of nee… op het bordes waren het er 19, want Sigrid Kaag moest thuisblijven. Maar het plezier in de nieuwe ploeg was er niet minder om. Zelden heb ik een team zich – later die avond in een speciaal programma – zó consistent zien presenteren. De ministers en staatssecretarissen, en natuurlijk ook Rutte zélf, hadden er zin in. Dat het moment suprême zo lang op zich had laten wachten, was een beetje gênant, vroeg nog wel om nader onderzoek, maar moest verder vooral weer snel vergeten worden.

Ik zat die maandagavond 10 januari voor de tv en kreeg het gevoel naar een klucht te kijken; zó mechanisch acteerde de kersverse ministersploeg. Want ondanks het historisch laag vertrouwen in de politiek vonden ze het allemaal – echt niemand uitgezonderd – een hele eer dat ze voor de ministerspost gevraagd waren. Natuurlijk was het ook een grote verantwoordelijkheid die ze aangingen en waar ze met het thuisfront dan ook even stevig over hadden moeten discussiëren. Maar allemaal hadden ze een volmondig ‘go‘ gekregen van de partner en kinderen; ondanks de zekerheid dat het twitteraccount vanaf dag 1 zou ontploffen met haatberichten en bedreigingen tot het dagelijks leven van de betreffende gezinnen zou gaan behoren.

Ze vonden het stuk voor stuk een héle eer om zo’n belangrijke taak voor het land op zich te mogen nemen. En ieder van hen zou zijn stinkende best doen en er keihard voor knokken om de opdracht tot een goed resultaat te brengen. Er moesten natuurlijk eerst nog wel de nodige schouders onder de uiterst complexe problematiek gezet worden, want zo’n zware taak kon nooit het werk zijn van één minister of staatssecretaris. En – zoals we in goed polderend Nederland gewend zijn – zou er naar de nodige samenwerking gezocht moeten worden: met elkaar, met gemeentes en met maatschappelijke organisaties. Want dit konden ze alleen samen voor elkaar krijgen. Nee… ze konden het écht niet alleen.

De problemen waar dit kabinet voor staat, zijn zó groot dat ze nu al wel konden vertellen dat eventuele oplossingen pas ver, héél ver, voorbij de ingekorte regeerperiode van zo’n 3 jaar merkbaar zullen worden voor de burgers in het land. Woningnood, klimaatproblemen, leegloop bij de politie, achterstanden in het onderwijs, stikstofreductie, pandemieën, het uitgemergelde zorgsysteem… het zijn allemaal hoofdpijndossiers die om een hele lange adem vragen. Maar ze hebben er zin in en ze zijn er klaar voor! En niet onbelangrijk: ‘Zo waarlijk helpe hen God Almachtig!’

Maar zoals een bekend Bijbelfiguur (de ongelovige Thomas) memoreert: ‘Ik moet het éérst zien en zal het dan pas geloven!’

Uitgelicht

Wasstraat

Ik durf het bijna niet te zeggen, maar tot voor kort was ik nog nóóit in een autowasstraat geweest. Was gewoon niet nodig, omdat ik het veel makkelijker vind – én beter voor het milieu – om mijn vieze auto te lijf te gaan met een emmertje sop en de tuinslang.

Maar nu was er een bijzondere gebeurtenis in aantocht en bovendien was het pokkenweer. Emmertje en tuinslang waren dus éven geen optie; maar de auto moest blinken; hoe dan ook! “Dan maar een keer naar de wasstraat“, zei ik tegen de vriend. Een beetje beschaamd vroeg ik er meteen achteraan of hij dan wel even met mij mee wilde gaan. Want: “hoe werkt dat nou helemaal, zo’n wasstraat?“

Omdat het mijn eerste keer wordt, kies ik voor de meest luxueuze, de meest uitgebreide en daardoor ook de duurste wasstraat van het hele dorp. “Vooruit doe eens gek; je trouwt maar een keer! Toch?“

Bij de ingang van de wasstraat vraagt een aardige jongen van amper 16 jaar of ik hier bekend ben. En als ik naar waarheid deze vraag met ‘nee’ moet beantwoorden, legt hij mij geduldig uit wat er allemaal gaat gebeuren. “Eerst spoelt mijn collega de auto grondig af met de hoge drukspuit. Dan rijdt u door naar de band en haalt u uw voet van het gaspedaal. Zeker niet remmen! Het stuur loslaten, motor laten lopen en verder hélemaal niets doen.“

En daar gaan we; het spookhuis in. Voor een trip die 5 minuten gaat duren. Er klinkt aangename muziek. Talloze sproeiers en reuzenborstels doen hun werk: dan weer regent het links, rechts, voor, achter, overal. Geruisloos glijdt de auto voort alsof het de Fata Morgana van de Efteling is. Ondertussen komt er een complete batterij aan discolichten voorbij.

“Dit is het leukste uitje dat ik in tijden heb gehad“, zegt de vriend diep onder de indruk van zo veel wasstraattechnologie. En ook ik ben vol lof: “Waarom heb ik al die jaren niet van het bestaan van zo’n vrolijke wasbeurt geweten? Deze ‘Tour de pluie‘ maakt het autowassen tot een waar festijn!“

Exact 5 minuten later houden alle sproeiers er abrupt mee op. Het grote licht gaat aan: eindpunt bereikt. Behendig rijd ik de auto van de band, maar net als ik rechtsaf moet gaan om de wasstraat te verlaten, gooi ik het stuur naar links en roep tegen het aardige jongetje: “Ik weet hoe het werkt. Ik pak hem gewoon nog een keer.“ Want ja… de Python in de Efteling pak je ook gerust 5 keer achter elkaar, omdat je er maar géén genoeg van kunt krijgen.

Ik denk dat het verstandig is om mij in deze wasstraat voorlopig niet meer te vertonen.

Uitgelicht

Devotie

Geheel onbedoeld zit ik inmiddels met wel vijf Mariabeeldjes opgescheept. Ik heb ze – mooi bij elkaar gerangschikt – ergens op een plank hoog in de boekenkast op mijn werkkamer gezet, omdat ik als de dood ben dat mensen denken dat ik Mariabeeldjes spaar. Dat is beslist niet het geval!

Het eerste Mariabeeldje kreeg ik toen ik als goed katholiek mijn Eerste Communie deed. Het was een fragiel beeldje van Maria in een lange jurk en met een doek om het hoofd gedrapeerd. Als 7-jarige hoopte ik vurig ooit nog eens zo’n mooie vrouw als deze Madonna te worden, want zij had het wel gemaakt in de wereld als er zomaar beeldjes van haar cadeau werden gegeven bij belangrijke momenten.

Bij ons thuis stond een koperen Mariabeeldje precies in het midden van het grote dressoir. Elke week werd het grondig gepoetst, zodat Maria stond te stralen; zeker als het zonlicht op haar koperen kleedje scheen. Voor het slapengaan knielden wij kinderen op onze knietjes voor de heilige Maagd; onze ouders op de stoel achter ons. En met de handjes strak gevouwen en het hoofdje diep gebogen, baden wij onze weesgegroetjes en het Onze Vader. Om steevast te eindigen met het gebedje: “Ons lief Heertje, ons lief Vrouwtje, alle engeltjes zoet die vannacht papa, mama, zusjes, broertje en mijzelf bewaren moet.“ Ik begreep overigens nooit waarom in dit gebed alles in verkleinwoordjes gezegd moest worden. Kleine engeltjes, dat snapte ik nog wel, maar zouden dat Heertje en Vrouwtje soms niet van het formaat van mijn ouders zijn? Ik heb het nooit kunnen achterhalen.

Overigens was dat devoot en langdurig knielen beslist geen pretje. Want vele jaren lag er bij ons thuis van dat harde sisaltapijt op de vloer zodat je binnen een mum van tijd diepe voren in je knieën had staan. “Is goed voor de vergiffenis van alle zonden“, werd er dan gezegd en ook dát heb ik nooit begrepen. Want wat deed je als kind nou helemaal fout; anders dan af en toe wat liegen, iets lekkers jatten of wat ruzie maken?

Sinds het overlijden van mijn ouders zijn alle Mariabeeldjes en kruisbeelden naar mijn woning verhuisd. Ik weet écht niet wat ik er mee moet, maar zomaar weggooien durf ik ook weer niet. Stel dat die beeldjes stille krachten blijken te hebben; waar ik niet in geloof, maar je weet maar nooit. Mijn moeder zei bij belangrijke gebeurtenissen altijd: “dat ze Onze Lieve Heer van het kruis ging bidden“ en als zij dat al kon dan was het – puur hypothetisch hoor – ook niet onmogelijk dat zo’n beeldje op eigen kracht het een en ander voor elkaar zou kunnen krijgen. Maria had al eerder blijk gegeven van bovennatuurlijke krachten toen ze de smeekbeden van mijn moeder verhoorde en mijn broertje kort na zijn geboorte voor de dood behoedde (lees het eerdere verhaal Blauw van de kou).

Nee, al die Mariabeeldjes laat ik maar mooi in een devote opstelling stilletjes in mijn boekenkast staan. En plechtig zeg ik hen elke avond voor het slapen gaan: “Wees gegroet dames… en morgen gezond weer op.“

Ik wens u fijne feestdagen en een beter 2022

Uitgelicht

21-12-2021

Hij is alweer voorbij: de kortste dag van het jaar. Vorig jaar zaten we rond de 21ste ook in een lockdown. En ook toen keken we tegen een karige kerst aan. Maar die eerste keer dachten we nog: “Dit kunnen we; hier komen we samen doorheen. Dit is één keer en dan nóóit meer.“ Hoe surrealistisch moet voor iedereen de boodschap uit de laatste persconferentie geklonken hebben? Mijn gemoed werd somber: “Wat moet ik nu weer verzinnen om er iets van te maken? Ik kan het niet meer!“

Ook vorig jaar was ik somber. Toen beschreef ik die 21ste december als een dag waarop ik nauwelijks mijn bed uit kon komen, omdat de dag zo akelig donker, guur, grauw en nat was; alsof de wereld in diepe rouw was. Gelukkig doet de natuur het dit jaar 180 graden anders. De zon komt weliswaar later op dan op alle voorgaande dagen, maar eenmaal boven de horizon blijft de gouden bal uitbundig schijnen. En dat levert prachtige plaatjes op; zeker ook omdat een aangename vrieskou alles heeft bekleed met een dun laagje rijp.

Dit jaar kost het opstaan mij geen enkele moeite. Ik spring mijn bed uit, trek mijn mooiste kleren aan en trap stevig op de pedalen voor een bezoek aan de notaris. Hier ga ik wat prettige levenszaken regelen zoals mijn aanstaande trouwerij. Van de notaris fietst ik door naar de beste bakker om mijn lief te trakteren op een lunch waar geen restaurant aan kan tippen. En het feestelijk gevoel blijft de hele dag; gewoon omdat ik mijzelf vertel dat de zon speciaal voor mij schijnt. “Wat nou beperkingen? Ik verzin wel een alternatief!“

“In 2022 tel ik alleen nog maar mijn zegeningen“, vertrouwt iemand mij haar goede voornemens toe. En ik vind dit zo’n mooie samenvatting van deze dag, dat ik spontaan besluit om met haar mee te doen. Van nu af aan tel ik alleen nog maar mijn zegeningen!

Ik wens iedereen heel veel licht, geluk en gezondheid toe. En vergeet vooral niet om met ons mee te tellen.

Lees ook het verhaal van vorig jaar over 21 december.

Uitgelicht

Praatpaal

Het was mijn bedoeling om er nooit, maar dan ook echt nóóit over te beginnen. Omdat ik mij in mijn verhaaltjes het liefst onthou van de vele ergernissen die op een mens afkomen. Maar nu wil het even niet meer lukken; ik kan het gewoon niet meer stilhouden. Het lijkt immers wel een ziekte, een plaag, een virus. Als we niet uitkijken wordt het straks nog een pandemie!

Waar ik het over heb? Over die mensen die alleen maar kunnen zenden, zenden en nog eens zenden. Mensen die nooit op het idee komen – ook niet nadat je ze al een aantal openingszinnen, verdiepingsvragen, instemmende knikjes en bemoedigende hummetjes hebt gegeven – om zélf eens een keer een geïnteresseerde vraag te stellen. Of je ze nou een mooi voorzetje geeft of niet; het maakt niet uit. Ze blijven maar raaskallen over hun eigen prestaties, activiteiten, bijzonderheden en ongenoegens en hebben er geen flauw benul van dat communicatie toch écht een stuk leuker is als het tweerichtingsverkeer mag zijn.

De zoon van een vriendin zei eens: “Ik luister liever naar het verhaal van een ander, want mijn eigen verhaal ken ik al.” Maar dit soort communicatietalenten lijkt wel tot een uitstervend soort te behoren.

Echt… ik voel me soms net een ouderwetse ANWB-praatpaal die – na het indrukken van de knop – als vanzelf de vragen stelt. Maar bij zo’n ANWB-paal was het logisch dat je nooit een wedervraag hoefde te stellen. De vriendelijke stem was er immers op getraind om jou alle aandacht te geven. De meneer of mevrouw achter de stem zal op er op dat moment ook geen behoefte aan hebben gehad om door jou gehoord of gezien te worden. Dat kwam ’s avonds wel weer als man- (of vrouw-)lief na een drukke werkdag bij de soep en de aardappels oprecht geïnteresseerd zou vragen of er nog iets bijzonders was gebeurd die dag.

Maar de ANWB-praatpalen zijn al weer jaren geleden afgeschaft. Hadden we gelijktijdig met het ontmantelen van deze praatpalen ook niet de notoire zenders onder ons in de opslag moeten zetten? Zou een stuk beter zijn geweest voor de kwaliteit van onze gesprekken. Zo…. dat is er uit en dat lucht op.

Had u nog een mooie vraag voor mij? Stel hem gerust via de mail op mijn contactpagina.

Uitgelicht

Kaarsvet en engelenhaar

Veel eerder dan andere jaren heb ik mijn kerstboom van de zolder gehaald. Voor mij al jarenlang geen echte kerstboom meer, al is er niets mooiers dan zo’n fiere, geurende boom in je huis. Maar ik hoef de naalden maar aan te raken en ik zit al vol jeukende uitslag. Noodgedwongen staat er dus een kunstkerstboom. Niet van écht te onderscheiden hoor: zo mooi!

Het optuigen blijkt elk jaar weer een flinke klus te zijn. Ik had vorig jaar die 600 lampjes toch netjes op een balkje gerold? Waarom zit alles dan nu weer volkomen in de war? Maar eigenlijk moet ik niet zeuren, want die kleine ledlampjes van tegenwoordig zijn ‘heilig‘ bij de snoeren van vroeger. Was er toen één lampje kapot dan deed prompt het hele snoer niets meer. En ook als een vervelende puber – meestal mijn broertje – stiekem een lampje had losgedraaid, bleef alles donker. En vader maar zoeken; voorwaar geen sinecure! Kerst is eigenlijk het feest van gezelligheid en ongemak in één.

Op kerstavond dekte mijn moeder de tafel extra mooi. Dan kwam het strakgestreken, damasten kleed uit de kast en werd het opgesierd met kruislings aangebrachte rode linten; onopvallend vastgezet met een knopspeld (waar ik me dan weer lelijk aan prikte). Maar vroeg of laat bleef er ook altijd wel een glas met rode wijn achter het lint hangen. Zo zonde van het witte kleed!

Ook kaarsen op tafel was vragen om moeilijkheden. Ondanks alle waarschuwingen zat er altijd wel een kind (meestal weer hetzelfde broertje) in het kaarsvet te peuteren. Net zo lang totdat de zorgvuldig met zilverpapier vastgezette kaars omdonderde en het tafelkleed vol kaarsvet zat. Waarna mijn moeder uren met een heet strijkijzer en wc-papier in de weer moest om het kleed weer schoon te krijgen. En dat terwijl ze al de hele dag in de keuken had gestaan om een bleke, kale kip tot iets lekkers te maken door van alles in zijn kont te proppen alvorens hem te braden. Ik heb nooit begrepen waarom wij uitgerekend met kerst dit afschuwelijke gerecht voorgeschoteld kregen. Ik ‘haat‘ het om kip te eten zolang ik nog zie dat het een kip is; laat staan dat ik hem wil eten met allerlei rariteiten in zijn buik.

“Ondankbare kinderen, “ verzuchtte mijn moeder meer dan eens op deze dagen van verplichte gezelligheid. “Is dit is mijn beloning voor het vele werk?“ En dan zette mijn vader maar een kerstplaat op die ook al niemand kon bekoren.

Nou lijkt het net alsof Kerstmis vroeger bij ons thuis ellendige dagen waren vol ‘ruzie en actie‘. Maar niets is minder waar. Kerstmis was de tijd van: uit een diepe slaap gehaald worden voor de nachtmis. Van op de maat van de klokken naar de kerk wandelen. Van heerlijke worstenbroodjes bij thuiskomst met een overdaad aan warmte, gezelligheid, duizenden lichtjes en zoetgevooisde muziek. En ja, óók de tijd van jeukende handen als je tóch weer aan het engelenhaar in de boom had gezeten; maar het glinsterde ook zo mooi. Van het kindje Jezus dat steeds uit de kerststal verdween, omdat mijn zus het niet kon aanzien dat dit baby’tje in zijn blootje lag. Op de gekste plekken werd het kindje terug gevonden: onder het tafelkleed, tussen de handdoeken, in haar bed. En het was de tijd dat je je ernstig zorgen maakte over de Drie Koningen. Zouden ze wel op tijd bij de stal aankomen? Want ‘met Kerstmis stonden ze nog altijd ver weg op de vensterbank‘.

Wie wil al dit vermakelijk klein ongemak nou missen? Dus tuig ik mijn boom weer op in al haar glorie en wacht ik vol spanning af hoe kerst dit jaar zal verlopen.

Lees zeker ook het kerstverhaal van 2020 over de Drie Koningen die elk jaar weer spannende reis door mijn huis maken.