


In 2005 liep ik de Nijmeegse wandelvierdaagse. Voor de eerste en meteen ook de laatste keer. Vier dagen lopen te midden van zo’n 43.000 mensen. Vier keer 40 km wegwerken, terwijl de zon genadeloos brandt. Op dag 3 kreeg ik last van hitte-allergie. Mijn voeten stonden in de fik, maar het lopen ging door. Alles voor het heilige kruisje.
Ik vond het een hele opgave, deze sportieve uitdaging, maar ook een ervaring die ik niet had willen missen. ’s Morgens in alle vroegte met de trein naar Nijmegen. Vanuit alle richtingen verzamelden de wandelaars zich op die ene plek. Na het wegschieten van de 50 km lopers was het mijn beurt. Mijn vierdaagse liep ik ‘alleen’. Mijn wandelmaatje was enkele dagen voor de start uitgevallen.
In een recente schrijfclinic kreeg ik de opdracht om in 10 minuten een tekst te schrijven over een unieke zomers beleving. Ik dacht meteen terug aan ‘mijn verlangen naar de eindstreep’.
De eindstreep
In de verte klinkt de welkomsfanfare.
Honderdachtenvijftig kilometers zijn al weggestapt.
Nog enkele moeten worden overwonnen.
De rug pijnlijk gekromd.
De benen verzuurd.
De voeten een slagveld vol blaren.
De brandende middagzon perst het laatste restje energie uit het zwetende lijf.
Liters water gaan naar binnen
om er even zo snel weer uit te dampen.
Vermoeidheid,
niets dan vermoeidheid.
En eenzaamheid.
Een tomeloze eenzaamheid.
Dit traject moet op eigen kracht,
op karakter,
tot het bittere eind worden afgelegd.
Daar kan niemand bij helpen.
Niet één van die duizenden wandelaars zal de uitdaging overnemen,
het leed verzachten of de pijn verlichten.
De voeten blijven gaan tot de eindstreep.
Stap voor stap, tergend langzaam.
Maar ze gaan.
Klinkt de muziek al luider?
Zijn er al armen die op kunnen vangen?
Schouderklopjes die gedeeld mogen worden?
Gladiolen die vrolijk jubelen?
In de verte,
nog altijd verder dan ver,
klinkt de welkomsfanfare.


