Zandmeditatie

Ik heb me met een platte kar naar het meest oostelijke puntje van Ameland laten brengen; nog ver voorbij ’t Oerd. Een dik uur rijden om te eindigen in niemandsland. Hier is alleen maar water, zand en duin en een oneindig breed strand. Er zitten nog meer mensen op de platte kar, maar die gaan na een kwartiertje rondstruinen in het mulle zand linea recta retour. Niet de vriend en ik. Wij blijven achter in de stilte en eenzaamheid om een uurtje later aan de terugtocht te beginnen.

“Dat is héél ver lopen hoor!”, waarschuwde de mevrouw van de VVV ons. “Hoe ver?” vroeg ik nog. Maar daar kon ze geen antwoord op geven. “Het is gewoon heel erg ver!”

Voorzien van water en brood en de verrekijker bij de hand begin ik aan de terugtocht. Alleen maar lopen: stap, stap, stap. Lopen. Zand, zee, duin, zo ver je kunt kijken. Zand, zee, duin. Ik volg de vloedlijn waar lopen veruit het makkelijkst gaat. Bovendien gebeurt hier altijd wat. Je moet wegspringen voor een aanstormende golf. Je vind een prachtige schelp of je trapt op een kwal.

Zee- en mantelmeeuwen staan met hun kop in de wind en vliegen luidruchtig op als ik passeer. Ook de scholeksters met zijn rode oogjes en knalrode snavel is present. Hij luistert naar de bijnaam: Bonte Piet. Struinend langs de zee denk ik eindeloos lang na over de herkomst van deze naam. Simpele gedachten; niet belangrijk. Stap, stap, stap.

Ik haast of versnel niet. Stap, stap, stap. Ik heb vier uur nodig om terug te komen. Om mij heen is het stil en leeg. Alleen de vogels hebben geen tijd om stil te zitten. Het drieteenstrandlopertje al helemaal niet. Venijnig pikkend in het zand, rent hij heen en weer langs de vloedlijn. Het weerzien met dit dappere vogeltje maakt me blij.

De zon schijnt, ik heb de wind mee; een stevige wind. Na ruim 3 uur ontwaar ik de eerste wandelaars op het strand en een uur later zit ik aan een drankje in een strandtent. Uiterst langzaam zakt de zon in de zee.

Zo’n middag op het strand is pure meditatie.