


Ze hadden een lange voorbereidingsperiode genomen. In de weken voorafgaand aan mijn ontdekking van hun schuilplaats bezochten ze frequent mijn tuin. Uiterst kritisch werd beoordeeld of hier ergens verantwoord een nestje gebouwd kon worden. Toen de kou eenmaal uit de lucht was en de aarde een beetje opwarmde, ontdekten ze de overvloed aan wormen en insecten. Hier was genoeg voedsel; dat was zeker. En hoe fijn was het dat de vrouw des huizes elke dag een vers badje klaarzette. Weliswaar bedoeld als drinkplek voor alle vogels, maar het bakje was voor mijnheer en mevrouw merel precies groot en diep genoeg voor een dagelijks, uitgebreid bad. De twee konden hier naar hartenlust rondspetteren en gelijktijdig de omgeving nauwlettend in de gaten houden.
Dat het merelpaartje bijzonder was te spreken over de tuin, was wel duidelijk. Maar toch bleek niet álles hemelhoog juichend te zijn. Er waren ook een paar nadelen. De tuin was bijvoorbeeld nog behoorlijk kaal. Logisch: de meeste struiken en planten moesten nog in blad komen. Voorlopig kon alleen de haag van groenblijvende hedera de gewenste beschutting bieden. Vanaf de bovenrand konden de merels de hele tuin overzien en konden ze rustig wachten tot het veilig genoeg zou zijn om naar het nest te vliegen. Want ook veiligheid was voor de vogels wel een dingetje. Er slopen hier nogal wat katten rond die het gemunt hadden op de vele kikkers. En ook jonge vogels zouden deze killers zéker niet met rust laten. Gelukkig had de mevrouw een grondige hekel aan deze buurkatten. Zodra zo’n monster zich liet zien, stoof ze met veel kabaal naar buiten om achter het beest aan te gaan. Woest was ze laatst toen een van de katten een groene kikker te pakken had gekregen en er – met het arme dier halfdood in zijn bek – vandoor wist te gaan. Moord en brand schreeuwde ze.
Het feit dat de mevrouw er alles aan deed om katten uit haar tuin te weren, stelde de merels enigszins gerust. Ook hún nestje zou ze waarschijnlijk te vuur en te zwaard beschermen. Daar vertrouwden de vogels maar op. Al hadden de katten natuurlijk vrij spel in de nachtelijke uren of als de mevrouw van huis was. Toch besloten de merels het erop te wagen. Na lang wikken en wegen werd gekozen voor de meest onmogelijke plek die een vogel maar kan bedenken. Ze bouwden het nestje in de krappe ruimte tussen twee opgeklapte tuinstoelen.
Het nest was al zo goed als klaar toen ik het ontdekte. Natuurlijk kon ik het nu niet meer weghalen; dan maar geen tuinstoelen. Die kwamen wel weer beschikbaar zodra de jongen waren uitgevlogen. Als nou straks óók nog het jaarlijks terugkerend zwaluwpaartje het oude nestje in de overkapping inneemt, wordt het hier een gezellige vogeldrukte. Voorlopig is de overkapping voor iedereen een no-go area.
En ik? Ik pas mij wel aan en wacht rustig af tot alle ouders klaar zijn met dat jonge gezinsleven. Ondertussen geniet ik volop van al die levendigheid in mijn tuin.
Lees ook andere nestverhalen: Vreemde kostgangers, Vreemde kostgangers (deel 2), Verstoord diner en Katten.