


Sinds een paar jaar woon ik in een nieuwbouwwijk in Wageningen. Mijn wijk is duurzaam én groen. Bij de bouw zijn oude bomen zo veel mogelijk gespaard. Aanvullend zijn nog vóór de oplevering van de huizen bomen van serieus formaat aangeplant. Er zijn volop grasveldjes en speelplekken. De straten zijn opmerkelijk ruim en rijkelijk voorzien van groenperken. En heus niet van die kleintjes! Ik kan niet anders zeggen dan: alle lof voor de inrichting van mijn wijk.
En toch heb ik last van een irritatiepuntje. In de grote groenperken ontbreken de nodige doorlooppaadjes waardoor de perken een fikse barrière vormen tussen de straten en huizen. Toen de verhuizers vier jaar geleden met hun grote vrachtwagen bij mijn nieuwe woning aankwamen, keken ze dan ook heel verbaasd. Hoe moesten ze mijn spullen in hemelsnaam van de weg naar mijn woning brengen? De aanleg van een lange loopbrug was uiteindelijk de enige oplossing.
Maar ook ná de verhuizing bleef het gemeentelijk groen voor irritatie zorgen. Iedere bezoeker zie ik even twijfelen zodra de auto is geparkeerd: “Loop ik helemaal om dat perk (toch een paar honderd meter) of banjer ik er dwars doorheen?” En wat doen ze? Precies: iedereen doorkruist het perk om vervolgens met klodders zand en/of poep aan de schoenen bij mij aan te bellen. Noodgedwongen heb ik binnenshuis een NO-SHOE-beleid ingevoerd. Zelf ben ik – écht bij hoge uitzondering – één keer door het perk gelopen. Ik moest snel nog iets zeggen tegen mijn vertrekkende bezoeker. En natuurlijk trapte ik toen – met mijn profielschoenen – in een smeuïge hondendrol.
De perken zijn ook een probleem voor de vele servicemedewerkers, postbodes en pakketbezorgers. Deze mensen hebben het chronisch druk. Tijd is geld; omlopen geen optie. Allemaal kiezen ze voor de kortste weg; de planten vertrappend onder hun haastige voeten.
Laatst ontdekte ik dat zélfs het groenbeheerbedrijf geen raad weet met de perken. Leunend op zijn schoffel nam een plantsoenwerker alle tijd voor een peuk en een praatje. “De hoge heren hebben weer eens verkeerde keuzes gemaakt”, verzuchtte hij. “Je moet kiezen voor planten die harder groeien dan het onkruid anders overwoekert en verstikt het onkruid alles. Dan kun je wieden tot je een ons weegt. Al moet ik zeggen dat we ook niet vaak genoeg wieden. Het is overal hetzelfde: tekort aan personeel. Wie wil er nou in de groenvoorziening werken? Dat is zwaar werk hoor! Soms zetten ze mensen in met een taakstraf, maar ja… die schoffelen niet voor hun plezier, als je begrijpt wat ik bedoel. Eerlijk gezegd wieden we ook niet grondig genoeg. Elk perk heeft een tijdsindicator. Klaar of niet: als de tijd voorbij is, ga ik naar het volgende perk. Ik ga echt niet harder werken. Het moet wel leuk blijven!”
De meeste plantsoenen in mijn wijk zien er niet meer uit. Daar kon je op wachten. Toch komt de gemeente niet in actie. Er lijkt eerder gekozen te worden voor nóg minder onderhoud. Ik heb de schoffelaars al in geen maanden meer gezien.
Maar nou komt het: dat nietsdoen pakt best gunstig uit. Overal in de wijk zie je kleurrijke perken vol wilde bloemen. De klaprozen brullen de grond uit! Van mij mogen ze wegblijven, die plantsoenwerkers met hun maaiers en schoffels. Geef mij maar een perk vol kleurrijk groen waar zelfs de post- en pakketbezorgers niet meer doorheen komen.
Niets zo mooi als klaprozen!