Noodhutje

Opeens zit ik in een zompig klein hutje; een krakkemikkig, vochtig hutje. Maar ik moet niet zeuren. Ik heb een dak boven mijn hoofd en dat is wel zo fijn nu de avonden en nachten koud en nat zijn. Bovendien staat het hutje niet op de hei, maar gewoon op een camping. Ook dat maakt het een stuk draaglijker. Het is overigens wel de camping die ik vandaag in allerijl had willen verlaten. Er is slecht weer op komst; de weermannen hebben het al over code oranje.

Vanwege dat vooruitzicht heb ik vandaag de boel ingepakt. Om 12.00 uur ben ik klaar voor vertrek. Maar als ik in de auto stap, roept een oudere heer in gebrekkig Duits: “Je rechter achterband is plat; daar kom je niet ver mee.” Wat krijgen we nou? verzucht ik enigszins pathetisch. “Hoe kan een auto zomaar opeens een slappe band hebben?” De vriendelijke Zwitser, het blijkt een Zwitser te zijn, is graag behulpzaam. Met een kleine compressor denkt hij wel wat lucht in de band te kunnen krijgen. Genoeg om naar het dichtstbijzijnde pompstation te rijden. “En dan op goed geluk naar huis”, voegt hij er nog vrolijk aan toe.

Maar ik vertrouw het niet. Ruim 600 km over de Duitse autobanen met een onwillige band… dat voelt niet goed. De campingeigenaar komt erbij; hij heeft verstand van auto’s. Al gauw heeft hij de boosdoener van het hele gedoe dan ook ontdekt: een schroef in de band. “Niet verder rijden!”, is zijn advies. “Dat is vragen om moeilijkheden. Morgenvroeg eerste werk naar een bandencentrale en voor nu niet verder rijden dan strikt noodzakelijk.”

Helder, maar waar blijf ik dan vanavond en vannacht? De tent weer opzetten en morgenvroeg alles nat inpakken, is écht geen optie. Het zo fijntjes opgebouwde vakantiegevoel zakt onmiddellijk. “Heb je niets vrij op de camping?” vraag ik de eigenaar in mijn beste Duits en ik kijk hem smekend aan. “Een piepklein hutje is al voldoende.” De man denkt diep na. Hij raadpleegt zijn computer, schudt zijn hoofd, blijft maar schudden, maar zegt dan uiteindelijk: “ik heb een hutje met twee bedjes en verder niets. De kozijnen zijn verrot, de deur sluit slecht en het ruikt er behoorlijk muf, maar je mag het huren voor een nacht.” Nog vóór ik ook maar iets kan zeggen, heeft de vriend het besluit genomen: “één nacht in zo’n zompig hutje overleeft ze wel. Mijn vrouw heeft altijd al gedroomd van een hutje op de hei. En nu de nood aan de man is, wordt haar droom werkelijkheid.”

Waarom zijn dromen toch altijd mooier dan de werkelijkheid?