Onverwachtse wending

Het moest er maar eens van komen. Op stap gaan met de collega’s. Want waar de een alles weet van paddenstoelen, de ander elk grafheuveltje uit de prehistorie moeiteloos weet op te sporen, herkent weer een ander zowat elk vogelgeluid. En dan heb je ook nog die collega die helemaal gek is van jenever. Hij weet hoe je het stookt, bewaart én drinkt. Maar goed een jeneverproeverij is meer iets voor een late-avond-activiteit.

We kiezen dinsdagmiddag 17.00 uur. Het werk dat altijd té urgent en té veel is, wordt naarstig afgesloten en ingewisseld voor vogels spotten in de uiterwaarden. Maar wat blijkt: op dit tijdstip van de dag laat geen vogel zich nog horen. De paringstijd en het broedseizoen zijn ruimschoots voorbij, vogels hebben geen enkele noodzaak meer om luidkeels te zingen. Ze sparen hun energie liever op voor de aanstaande grote trek. Daar komt nog bij dat alle bomen in deze tijd van het jaar vol in het blad staan. “Is er nog wel een vogel die tijdens ons teamuitje gespot kan worden?”, vraag ik mij met een opkomend gevoel van teleurstelling stilletjes af.

“Je moet niet te snel opgeven!”, maant de collega mij die deze dag als gids fungeert. Dat vogels zich nauwelijks laten horen, wil niet zeggen dat ze er niet zijn. En meteen zet hij de verrekijker aan de ogen om mij te attenderen op een biddend torenvalkje. Na lang zoeken en turen, spotten we ook nog een roodborsttapuit, een fitis, een groenling en een kievit. En bij het water zwemt een fuut elegant voorbij, terwijl de zilverreiger en de blauwe reiger met veel kabaal opvliegen.

Aan de waterkant treffen we vier mannen. Ze staan te dubben of ze nou wel of niet de Nederrijn over zullen zwemmen.Twee lefgozers zijn al aan de overkant, maar ze roepen dat het water erg koud is en de stroming te sterk.

En dan nadert een politieauto. Agenten spreken de mannen aan. Waarschuwen dat ze de overtocht beslist uit hun hoofd moeten laten. De mannen aan de overkant worden gesommeerd om de pont te pakken; hun schaarse kleding ten spijt. “De Nederrijn over zwemmen is vragen om moeilijkheden. En die zijn er vandaag al genoeg!”, hoor ik een van de agenten zeggen. Het blijkt dat ze naarstig op zoek zijn naar een verwarde man in een scootmobiel. De man heeft eerder deze dag zijn buren laten weten dat hij de Rijn inrijdt om nooit meer terug te komen. ‘Of we met onze kijker niet alleen vogels willen opsporen, maar ook willen omzien naar deze man”, vragen de agenten ons met klem. “En meteen 112 bellen als we de man spotten.”

We struinen nog ruim een uur door de uiterwaarden, maar de eerdere onbevangenheid en vrolijkheid hebben plaatsgemaakt voor bezorgdheid. Stel dat we de verwarde man vinden: wat doen we dan? Of nog erger: stel dat we hem niet vinden? We hebben geen oog meer voor de vogels die nog altijd verstoppertje met ons spelen. Maar we vinden ook geen enkel spoor van de verwarde man in zijn scootmobiel. Rond 21.00 uur nemen we stilletjes afscheid van elkaar. Ieder gaat zijns weegs en ook de vogels zoeken een plekje voor de nacht. Ergens in mijn stad komt wellicht een man nooit meer thuis. Ergens blijft een bed onbeslapen. Die nacht kan ik de slaap niet vatten. Eindeloos lang tuur ik in het donker.

Ons teamuitje kreeg een onverwachtse wending.