Blij met de bij

Voor de derde keer in twintig minuten tijd vertelt hij mij hetzelfde verhaal. Maar dat geeft niet, want ‘hij is na zijn pensionering niet in het zwarte gevat gevallen, terwijl zijn kinderen daar echt bang voor waren.’ Als hoogleraar dierkunde aan de universiteit maakte hij lange dagen. Zelfs ’s avonds was hij nog vaak bezig met de stukken van zijn promovendi. “Weet u wat erg is mevrouw?”, vraagt hij, terwijl hij mij indringend aankijkt. “Een kind dat gefrustreerd is. En weet u wat nog erger is? Een student die gefrustreerd raakt. Ik heb er echt alles aan gedaan om iedere student goed naar de eindstreep te brengen. En ja, dat kost soms wat extra tijd; niet iedereen is een hoogvlieger.”

Eenmaal op zijn praatstoel gaat de oude man helemaal los. “Ik kom uit de Limburgse Peel”, vertrouwt hij mij toe. “Mijn vader was een keuterboer. Hij had een paar kippen, varkens, koeien en heel veel kinderen. Ik was een zwak exemplaar: mankeerde van alles en kon niks. Mijn coördinatie is niet helemaal wat het zijn moet. ‘Dat wordt geen vakman,’ zei mijn vader. ‘Hij moet maar naar school in de hoop dat hij iets leert en een kantoorbaantje kan krijgen’. Nou met heel hard werken is het iets meer geworden dan een kantoorbaantje”, laat hij mij vol trots weten. “Ik heb kansen gehad én ze allemaal gepakt en dat gun ik anderen ook. Daarom stond ik altijd klaar voor mijn studenten.”

Maar toen het pensioen in zicht kwam, moest de harde werker nadenken over een andere invulling van zijn tijd. Dat de kinderen zich zorgen maakten, merkte hij heus wel. Maar ja, wat moest hij gaan doen? Hij was met de jaren echt niet opeens handig geworden. De kinderen dachten dat een bijenkast wel iets voor vader zou kunnen zijn. En dus kochten ze een kast met alles wat daarbij hoort. “Er gaat een bijenvolkje in deze kast wonen”, wist zijn kleinzoon te vertellen, “maar éérst moet je alles over bijen leren.” “Dit advies van die kleine jongen heb ik ter harte genomen”, vertelt de man met ontroering in zijn stem. “Ik ben cursussen gaan volgen, verslond het een na het andere boek en ging bij imkers in de leer. En nu weet ik heel veel over bijen en heb ik mijn eigen volkjes.”

We lopen naar de 10 kasten achter in de tuin. “Elk jaar heb ik de lekkerste honing. Dat is echt een idioot groot verschil met die bagger uit de supermarkt. Ik verkoop geen honing hoor. Nee, daar begin ik niet aan. De meeste honing hou ik voor mezelf en natuurlijk ook voor familie en vrienden. En ik geef altijd wat potjes weg aan mensen met darmklachten. Schijnt goed te werken. Ook de (oud)studenten die ik nog elk jaar ontmoet, trakteer ik op een potje.”

“Waar kijk ik nou eigenlijk naar?” vraag ik als we bij de kasten staan waar honderden bijen in- en uitgaan. Ik vind het eerlijk gezegd een beetje eng. Nauwlettend hou ik alles wat rondvliegt in de gaten. Ik wil niet gestoken worden. “Heb je parfum opgespoten?”, vraagt de imker, “want dan ben je de pineut. Bijen houden niet van parfum. Als we hier rustig blijven staan, gebeurt er niets.” Terwijl ik mijn best doe om ‘de rust zelve te zijn’ doet de pensionado zijn verhaal. Over hoe bijen zelf bepalen wie hun koningin zal worden, door enkele larven te voeden met speciale koninginnengelei. Een mysterieus goedje waardoor deze bij groter wordt dan alle andere bijen en langer leeft. Of dit spul ook levensverlengend voor mensen kan zijn, wordt natuurlijk onderzocht, maar tot op heden is daar nog geen wetenschappelijk bewijs voor gevonden.

Hij vertelt dat het merendeel van een bijenkolonie uit vrouwtjes bestaat. Zij verzamelen stuifmeel en nectar, verzorgen de kraamkamers, voeden de larven en houden de temperatuur in de kast op peil. Er zijn wel mannetjesbijen, maar die doen weinig. Ze eten zich vol en vliegen af en toe naar een speciale hangplek voor darren. Ook de koningin bezoekt zo’n hangplek. Ze verzamelt er sperma dat ze bewaart in een speciaal zakje. Na terugkomst legt ze eitjes in de kast. Meer dan 1.000 per dag! De eitjes die ze bevrucht met een zaadcel uit haar zakje groeien uit tot een werkster. Een paar eitjes bevrucht ze niet; dat worden darren. Een dar is feitelijk alleen een zaaddonor. Als het kouder wordt, doden de werksters alle darren en mieteren hen uit de kast. Niet meer nodig; volgend seizoen maken ze wel nieuwe mannetjes. De imker smult van de verbazing op mijn gezicht en vertelt nog even door.

“Speciale verkenners onder de bijen gaan op zoek naar een plek met voldoende stuifmeel en nectar. Met een zogenaamde bijendans ‘roepen’ ze de andere bijen. Komen de verkenners als eerste aan bij een lavendelveld dan gaan ook alle andere bijen die kant op. Is het als eerste een veld vol wilde bloemen dan wordt iedereen daarheen gestuurd. Zo ontstaan de verschillende soorten honing. Mijn bijen gaan steevast op de lindebomen en de fruitbomen af. Wacht, ik geef je een potje mee. Je gaat honing proeven van de zuiverste soort. Hier is niets aan toegevoegd en al helemaal niets bijgemengd. Dit is échte honing. Ik weet inmiddels alles van honing al is dat niet altijd zo geweest.”

En weer vertelt hij het verhaal over hoe hij hoogleraar dierkunde werd en in een zwart gat dreigde te vallen. Maar dat is niet gebeurd, want toen was er die bijenkast.

Het blijft een mooi verhaal en zijn honing is heerlijk!