


Hij was gevallen over het tuinhekje in de voortuin van zijn huis. Zomaar uit het niets. Op het moment dat hij op pad wilde gaan voor zijn dagelijks ommetje. Bewegen was belangrijk om de stijve gewrichten een beetje soepel te houden. Het hekje stond daar al minstens 50 jaar, maar nu dus even in de weg. Ja, hij was in gedachten geweest toen hij de deur uitging. Zijn hoofd zat nog bij dat telefoontje van de bank waar hij niets van begreep. En daarom was hij gevallen.
Toen zijn kinderen nog klein waren, sprong hij met het grootste gemak over het hekje. Wetend dat zijn kroost vol bewondering en met ontzag naar hem keek. Maar nu was hij gevallen. Zijn scheenbeen geschaafd, pijnlijke handen en zwartkleurende bloeduitstortingen in zijn gezicht. Het zag er angstaanjagend uit.
Samen met zijn dochter zat hij te wachten in de felverlichte wachtkamer van het ziekenhuis. Nee, hij zat hier niet voor die val. Wat kon je nou helemaal doen aan blauwe plekken en schaafwonden? Hij was hier voor de jaarlijkse controle bij de longarts.
Hij keek naar het bezorgde gezicht van zijn jongste dochter. “Gaat het pap?”, vroeg ze nog. Maar ze moest zich niet zo’n zorgen maken. Met zijn 90 jaar redde hij zich nog best. Hij had toch niets gebroken? Zo erg was het allemaal niet. Het is dat zijn lijf na die val zo stijf was geworden, anders was hij gewoon op de fiets naar de controleafspraak gekomen. Dan was hulp niet nodig geweest. Maar nu was het toch wel fijn dat ze bij hem was.
Toen de zuster zijn naam riep en hen naar de spreekkamer bracht, was het enige dat ze zei: “De dokter komt zo bij u.” Maar dat klopte niet, want de dokter liet hem een dik half uur wachten. Bij binnenkomst dook hij meteen achter zijn computer. Een brede rug was alles wat hij van de arts zag. “Zo mijnheer Scholte, hoe gaat het met u?” “Goed”, had hij geantwoord. “Nog klachten?”, had de dokter gevraagd, nog altijd niet opkijkend van zijn scherm. “Nee, niet echt”, had hij gezegd. “Goed dan zie ik u volgend jaar weer voor de jaarlijkse controle.”
“Misschien dat u de volgende keer dan ook even naar mij kunt kijken“, had hij vriendelijk geopperd waarna de dokter verbaasd opkeek en schrok. “Wat is er met u gebeurd?” “Dat vertel ik u zodra het u lukt om échte aandacht te hebben.” Rustig was hij opgestaan, had zijn dochter bij de arm genomen en haar de spreekkamer uitgeloodst.
De dochter had haar vader lang aangekeken. Haar lieve, oude vader die, nog net zo soepel als vroeger, zojuist over een immens ‘hek’ was gesprongen. Vol ontzag en bewondering zag ze hem: háár vader.
Zie mij!