De laatste bosneger

Met een brede grijns op zijn gezicht kijkt hij de toehoorders in het Wagenings praatcafé één voor één aan. De man met zijn diepdonkere huidskleur, glimmende, kale schedel, gitzwarte ogen en parelwitte tanden. Zojuist heeft hij triomfantelijk gemeld dat hij de laatste bosneger is. En hij mag dat zeggen, omdat hij het is. Vinije Haabo: de laatste bosneger. Tegenwoordig is het N-woord zwaar beladen, maar Vinije ondertekent nog altijd vol trots zijn columns in een Surinaamse krant met deze geuzennaam.

Haabo is een afstammeling van de Saramakaners die als slaven vanuit Afrika naar Suriname werden gehaald. Hij wordt als vrij kind geboren in Pikin Slee, een dorpje diep verscholen in het Surinaamse regenwoud. Vinije leeft in een mysterieuze wereld vol rituelen en bosgoden. Mavungu, de bosgod die over de kinderen waakt, is de belangrijkste. Van zijn ouders leert de jongen hoe hij met plengoffers zijn voorouders moet eren. En door het geloof in Obiyah ontdekt hij de spirituele krachten waarmee mens en natuur verweven zijn. Vinije groeit op als kind van de natuur. Hij is natuur.

Zijn ouders houden de kleine Vinije het liefst in de jungle. De tradities van het Marronvolk zijn de beste leerschool. Van de christelijke school ver buiten het dorp met de koloniale paters moeten de dorpelingen niets hebben. Maar als Vinije 10 jaar is, gaat hij toch naar de patersschool. Daar leert hij lezen en schrijven; in het Sranantongode wel te verstaan. De taal van zijn volk, de taal van zijn dorp. “Het Sranantongode is sterk verwant aan de Afrikaanse taal,” vertelt Vinije, “en extreem moeilijk voor Westerlingen.”

“Wat maakt jouw taal voor ons zo moeilijk?” vraagt de interviewer in het praatcafé. Onze bosneger denkt na: “Jullie kunnen het Sranantongode niet spreken. Er zijn klanken die Westerlingen niet horen. Zou je het Sranantongode al leren spreken, dan kunnen jullie het niet schrijven. Er zijn klanken waar geen tekens voor bestaan. Zou je mijn taal tóch leren schrijven dan kun je haar niet lezen. De enkeling die mijn taal leert lezen, kan haar niet spreken. In mijn taal zitten klanken die Westerlingen niet kunnen maken.” Vinije zegt een paar zinnen in het Sranantongode. Natuurlijk begrijp ik niet wat hij zegt, maar ik hóór ook niet wat ik zou móeten horen. Vinije vervolgt: “Jullie noemen mij Vinije Haabo, maar zo heet ik niet. Mijn echte naam klinkt niet als Vinije Haabo en schrijf je ook niet zo. En toch kan het niet anders dan dat jullie mij Vinije Haabo noemen.”

Vinije blijkt een slimme jongen te zijn. Op zijn 14de mag hij naar het vervolgonderwijs in Paramaribo. Daar maakt hij kennis met de Nederlandse taal. Taal wordt zijn grote passie. Een liefde die hij voortzet op de universiteit van Leiden waar hij kiest voor de Afrikaanse Taalkunde. “Was de overgang van Paramaribo naar Leiden groot?”, vraagt de interviewer. Vinije lacht om deze vraag. “Natuurlijk niet!”, roept hij uit. “Weet jij niet hoeveel Paramaribo op Nederland lijkt? Paramaribo is Nederland. Mijn oude school is nog altijd van de koning. Nee de échte cultuurshock kwam toen ik van Pikin Slee naar Paramaribo verhuisde. Ik begreep niets meer van de wereld. Waar kwam ’s nachts al dat licht vandaan? En altijd en overal die herrie en drukte. Om gek van te worden! Nooit meer donker. Nooit meer stil. Alles was vreemd. Van de jungle, naar de stad: de overgang kán niet groter zijn.”

Vinije volgt ook Internationale Ontwikkelingsstudies. Hierdoor ontdekt de student dat hij het laatste kind in Suriname moet zijn geweest dat is opgegroeid met de wetten van de natuur. Alle dorpskinderen na hem zijn vanaf hun vierde jaar naar een westerse school gegaan om zo veel mogelijk te leren over de wereld buiten Pikin Slee.

Het is jammer, maar waar: Vinije Haabo is de laatste bosneger van het Surinaamse regenwoud.

Bekijk de prachtige documentaire : Kinderen van Mavungu (Mirjam Marks en Vinije Haabo, 7 juni 2023)

Eén opmerking over 'De laatste bosneger'

Geef een reactie op Mack Reactie annuleren