


“Je kunt alleen een band opbouwen met je kleinkind”, zei een vriendin mij laatst, “als je elkaar regelmatig en langdurig ziet. Ik heb een hele goede band met mijn kleinzoon”, benadrukte ze nog maar eens. “Ik ben een échte oma!”, kwam er zelfs nog achteraan.
Nou zie ik mijn bonus-kleinkinderen graag, maar niet zo vaak als deze vriendin nodig acht voor het opbouwen van een goede relatie. Desondanks durf ik te stellen dat ik een goede band heb met die kleintjes om de doodeenvoudige reden dat ik van ze hou. Maar dat kan dus volgens de vriendin helemaal niet. Frequent en langdurig contact is een vereiste. Ik krijg altijd acute jeuk van dit soort dogmatische redeneringen waarbij je alleen een goede oma bent als je voldoet aan de door anderen gestelde criteria.
Ik denk terug aan mijn opa en oma die zo’n 60 km bij ons vandaan woonden. Beslist geen wereldafstand, maar een auto ontbrak in ons gezin. Een bezoekje werd een hele onderneming. Mijn moeder probeerde regelmatig naar haar ouders te gaan. Op de fiets naar het station, met de trein naar Den Bosch, overstappen op de trein naar Tilburg. Met de bus naar Waalwijk en dan nog een stuk lopen. Dat laatste deel van de reis werd nog een heel stuk langer toen opa na het overlijden van oma naar een bejaardenhuis verhuisde. De reis was zo’n gedoe dat mijn moeder per keer maar één van de vier kinderen kon meenemen.
Opa was een stille man; een toeschouwer die genoot van gezelschap. Zelf had hij niet veel te vertellen. Oma had altijd het hoogste woord gehad. Zij zorgde voor de aanloop en de gezelligheid in huis. Na haar dood werd het stil rondom opa. Die stilte hinderde mij helemaal niet. Mijn opa en ik hadden een verbond! Hij spaarde voor mij sigarenbandjes en die lagen altijd klaar als ik eindelijk weer eens mee mocht. Mijn bezoek aan opa werd nog indrukwekkender toen hij vertelde dat ik voortaan ook bij de andere bewoners in het huis langs mocht gaan. Ze spaarden allemaal sigarenbandjes voor mij. Opa had in het huis over mij verteld! Dat was niet niks! Thuis bewaarde ik de sigarenbandjes in een speciale map. Als ik aan de bandjes rook, zat ik weer bij opa in de kamer.
Heel af en toe kwam opa logeren. Dan keek ik vanuit het raam hoe hij de straat in wandelde, aanbelde en mijn moeder begroette. Zijn mantel hing hij op een knaapje aan de kapstok. Behendig wierp hij zijn hoed over de grote haak. Vol bewondering keek ik naar zijn kale hoofd waar maar een paar haren op stonden. Logisch dat opa altijd een hoed droeg.
Opa mocht natuurlijk in mijn bed slapen. Zelf verhuisde ik dan voor een paar dagen naar de slaapkamer van mijn zussen. ’s Morgens sloop ik stilletjes naar mijn kamertje. Zittend op de grond keek ik naar die snurkende, dikke opa in mijn bed. Als hij eindelijk wakker werd en hij zich zuchtend en steunend bij het lavet had gewassen en aangekleed, maakte mijn moeder een bordje pap. Volgens opa ‘het lekkerste ontbijt’.
Na de pap volgde steevast ‘het kuiertje’. Kuieren is langzaam lopen met je handen op je rug. Vrolijk huppelde ik met opa mee, al bleef ik wel een stukje achter hem. Het duurde altijd even, maar uiteindelijk legde ik mijn handje in het kommetje van de handen op zijn rug. Opa kuierde rustig door; zei niets. Had hij eigenlijk wel in de gaten dat ik met hem meeliep? Thuisgekomen vertelde opa aan mijn moeder dat hij zo gezellig gekuierd had en daar werd ik blij van. Opa vond het maar wat fijn dat ik mee wandelde.
Ik was dol op mijn opa. Zijn dood maakte veel te vroeg een einde aan ons stille verbond. Dus hoezo kun je alleen een band hebben met iemand als je elkaar veelvuldig ziet en veel samen onderneemt? Ik ben toch écht een andere mening toegedaan. Er zijn wel honderdduizend manieren om een band te smeden.
Lees ook mijn eerdere verhaal over de oma-maffia