Spookhotel

Ik ben meer van het kamperen, laat ik daar maar meteen duidelijk over zijn. Niets zo fijn als slapen op een luchtbed met het ruisen van de wind als een lieflijk slaaplied. Kamperen doe ik bij voorkeur in een bosrijke omgeving. Op een camping ben je de hele dag buiten. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat; zelfs als het eigenlijk te koud is. Gewoon een dik vest en sokken aan en niet zeuren. Thuis zou je het wel laten, maar op de camping doe je dat gewoon.

Kamperen vind ik echt veel leuker dan een verblijf in een hotel. Daar moet je netjes aangekleed verschijnen aan het ontbijt en mag je blij zijn als je kamer een balkonnetje heeft, zodat je nog net een streepje zon kunt vangen. Maar soms kan het even niet anders. Bij een stedentrip bijvoorbeeld of tijdens een reis die langer dan één dag duurt. Dan is het opzetten van de tent geen optie en kies ik noodgedwongen voor een hotel. Ik ben inmiddels gewoon te groot, te stijf of te oud geworden voor zo’n klein kruiptentje dat je in een mum van tijd hebt staan. Maar als ik dan iets moet boeken dan graag een klein familiehotelletje of bed and breakfast. Liefst in een dorp of karakteristiek stadje. Ik hou van knus, gezellig en persoonlijk. En eerlijk is eerlijk: ik heb inmiddels op aardig wat leuke plekjes geslapen.

Op mijn reis naar het noordoosten van Duitsland boekte ik een overnachting in hotel Peijs. ‘Een gemoedelijk, comfortabel en gastvrij familiehotel’ volgens de beschrijving. Online kon ik snel boeken. Geen probleem. Er was nog één kamer vrij. Per mail kreeg ik een boekingscode en een toegangscode. Geen idee waar die laatste voor nodig was. Ik zou immers begroet worden door een vriendelijke mevrouw of mijnheer aan een gezellige receptie. En dan zou ik de vraag krijgen of ik een goede reis had gehad, het makkelijk had kunnen vinden en of ik al trek had in een welkomsdrankje met een door het huis gemaakte lekkernij?

Maar toen ik ’s avonds om 20.00 uur bij het hotel aankwam, was het stil en donker. De parkeerplaats was leeg. Een receptie nergens te bekennen. Een grote deur, helverlicht, was niet op slot en gaf toegang tot een ongezellig halletje. Er stond een tafeltje met daarop een lampje, een computer en een camera. Big brother is watching me! Het eerder verkregen boekingsnummer en de toegangscode had ik nodig om mijn reservering te bevestigen. Daarna kon ik een sleutelkaart aanmaken. Best te doen, dat was het probleem niet, maar verre van gemoedelijk en gastvrij. De sleutelkaart gaf toegang tot een volgende deur. Ik liep door lange gangen, schaars verlicht, op zoek naar kamer 34. Verbleven achter al die deuren nou mensen of was ik hier alleen? Aan de wanden opzichtige bordjes met opschriften als MOIN (hallo in het Duits), LEBEN, LIEBE EN LÄCHE, maar nergens mensen.

Die nacht sliep ik slecht. Vroeg in de morgen ging ik op zoek naar plek van het ontbijt. Ik vond een ruimte waar gedekt was voor 40 personen. Aan de zijkant een groot ontbijtbuffet met alles erop en eraan. Maar wederom geen enkel teken van leven. Geen vrolijke goede morgen. Geen andere gasten genietend van al wat ze kunnen eten. Ik schonk koffie, thee, melk én sap in. Het stond er en nog veel meer. Ik at extra veel broodjes, dubbeldik belegd, en probeerde in deze eenzaamheid te genieten.

“Wiedersehen”, riep ik tegen niemand in het bijzonder bij het verlaten van de ontbijtruimte. Ik gooide mijn sleutelkaart in een bakje bij de voordeur en verliet het hotel. Tijdens mijn verblijf in dit gemoedelijke, comfortabele familiehotel had ik – zeggen en schrijven – alleen de vriend gezien.

Dit was geen hotel! Dit was een spookhotel!